Omgevingsrecht
Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat geen sprake is van een spoedeisend belang nu het…
Rechtbank Midden-Nederland, 23 oktober 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:7622 · Rechtbank Midden-Nederland · 23 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/omgevingsrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbmne-2026-7622
Zaakgegevens
Op 23 oktober 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 23 oktober 2026
- Datum publicatie
- 29 oktober 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/8235
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Omgevingsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:7622
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat geen sprake is van een spoedeisend belang nu het terrein al bouwrijp is gemaakt en er voorlopig geen werkzaamheden plaatsvinden.
Het alsnog moeten uitvoeren van onderzoek is niet iets wat verzoekers met dit verzoek kunnen bereiken.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/8235
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 oktober 2026 in de zaak tussen
1. Stichting Ontwikkeling en Behoud Erfgoed Soest-Soesterberg (SOS) Stichting SOS), gevestigd in Soesterberg,
2. [verzoeker sub 2]
3. [verzoeker sub 3.1] en [verzoeker sub 3.2]
4. [verzoeker sub 4]
5. [verzoeker sub 5.1] en [verzoeker sub 5.2]
6. [verzoeker sub 6.1] en [verzoeker sub 6.2]
7. [verzoeker sub 7.1] en [verzoeker sub 7.2]allen uit [woonplaats] ,
verzoekers
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht (het college), verweerder
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Earthy Soesterberg B.V. (derde-partij).
Inleiding
1. Verzoekers hebben het college gevraagd om handhavend op te treden tegen bouw- en sloopwerkzaamheden op de locatie [adres] in [plaats] . Op die locatie wordt een vrijstaande woning met bijgebouwen gesloopt en worden tien woningen gebouwd. Derde-partij heeft hiervoor een omgevingsvergunning gekregen van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest.
2. Volgens verzoekers hebben de bouw- en sloopwerkzaamheden nadelige gevolgen voor beschermde diersoorten op en rondom de locatie. Daarom hebben zij het college op 13 oktober 2025 gevraagd hiertegen handhavend op te treden.
3. Met het besluit van 8 september 2026 heeft het college het verzoek om handhavend op te treden afgewezen.
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het afwijzingsbesluit en hebben de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Die voorlopige voorziening dient eruit te bestaan dat de bouwwerkzaamheden met direct ingang worden stopgezet, totdat is voldaan het door de ODU noodzakelijk geachte onderzoek naar de consequenties voor de hazelworm, das en eekhoorn.
4. De voorzieningenrechter doet in deze zaak uitspraak zonder het verzoek van verzoekers op een zitting te behandelen, omdat niet is gebleken van ‘onverwijlde spoed’. Hierna legt de voorzieningenrechter uit waarom zij het verzoek afwijst.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Een voorlopige voorziening is namelijk een spoedmaatregel om te voorkomen dat er onomkeerbare dingen gebeuren als gevolg van een besluit, voordat op het bezwaar is beslist. Het gaat in deze zaak om een verzoek dat is ingediend tijdens de bezwaarprocedure. Dit betekent dat de voorzieningenrechter alleen voor de duur van de bezwaarprocedure een voorlopige voorziening kan treffen. In die periode moet dus sprake zijn van een situatie waarbij onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopigevoorziening noodzakelijk maakt om te voorkomen dat onomkeerbare gevolgen van het besluit ontstaan.
6. Derde-partij heeft in het e-mailbericht van 5 oktober 2026 laten weten dat de woning inmiddels is gesloopt. Op dit moment zijn er vier woningen gebouwd, waarvan er twee in oktober worden opgeleverd en waarvan de andere twee worden afgewerkt. Sinds eind 2025 is de locatie een bouwplaats, die is afgeschermd met bouwhekken en rasters. De locatie waar de volgende vier woningen worden gebouwd, is al bouwrijp gemaakt. Het plaatsen van de casco’s voor deze vier woningen wordt voorzien in februari 2027.
7. Verzoekers hebben in het e-mailbericht van 16 oktober 2026 onderbouwd waarom zij van mening zijn dat zij een spoedeisend belang hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening. Zij wijzen er op dat de funderingen voor de resterende woningen nog niet zijn geplaatst en dat de grond weer in oude staat hersteld kan worden. Derde-partij is er door de RUD meerdere keren op gewezen dat de door haar aangevraagde ecologische onderzoeken niet volledig en slordig waren en derhalve onvoldoende. Het zou een onterechte beloning voor derde-partij zijn als de bouwactiviteiten niet hoeven te stoppen en het onderzoek, wat bij de start had moeten plaatsvinden, niet hoeft te worden uitgevoerd. Verzoekers heeft ook een aantal foto’s meegezonden. Verzoekers pleiten voor stopzetting en het alsnog laten uitvoeren van de onderzoeken, zodat de werkzaamheden niet ten koste gaan van de leefomgeving van beschermde diersoorten.
8. Derde-partij heeft hierop gereageerd in het e-mailbericht van 20 oktober 2026 en er op gewezen dat de RUD ook heeft geconcludeerd dat eerder uitgevoerde onderzoeken door [onderzoeksbureau] de geconstateerde omissie in het ecologisch onderzoek opvangen. Derde-partij herkent zich verder niet in de beschuldigingen die verzoekers uiten. Derde-partij herhaalt dat de vrijstaande woning en bijgebouwen zijn gesloopt en dat de grond is geëgaliseerd. Dit betekent dat de grond bouwrijp is, wat ook is te zien op de foto’s die door verzoekers zijn gestuurd. De bomenlaan en de bosschages vallen buiten het bouwterrein.
9. De voorzieningenrechter overweegt dat er op dit moment geen werkzaamheden plaatsvinden, anders dan het afwerken van twee geplaatste woningen. Op de foto’s is te zien dat de bouwlocatie bouwrijp is gemaakt en dat er bouwhekken omheen zijn geplaatst. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van derde-partij dat naar verwachting er tot februari 2027 niet gestart wordt met het plaatsen van de volgende houtskeletwoningen. Stillegging van werkzaamheden is op dit moment dan ook niet aan de orde. Het alsnog moeten uitvoeren van onderzoek is niet iets wat verzoekers met dit verzoek kunnen bereiken. Het is aan het college om in de heroverweging op bezwaar te beoordelen of hier aanleiding voor is.
10. In de bezwaarprocedure kan het college ook aandacht besteden aan de vraag of alle verzoekers als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. In deze verzoekschriftenprocedure heeft de voorzieningenrechter ervoor gekozen geen uitvraag te doen naar de feitelijke werkzaamheden van Stichting SOS en niet in te gaan op de belanghebbendheid van iedere verzoeker. Zij acht het aannemelijk dat in ieder geval de direct aanwonenden als belanghebbende kunnen worden aangemerkt. Ook heeft de voorzieningenrechter in dit stadium bij [verzoeker sub 7.1] geen machtigingen van Stichting SOS en de overige verzoekers opgevraagd. Zij ziet geen aanleiding om eraan te twijfelen dat [verzoeker sub 7.1] deze kan overleggen.
11. De conclusie is dat verzoekers geen spoedeisend belang hebben bij het treffen van de gevraagde voorziening. De door verzoekers gevraagde voorziening kan dan alleen nog worden getroffen als het besluit van het college evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of de omgevingsvergunning in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. Daarvan is hier geen sprake. Dat het voor verzoekers frustrerend is dat zij weer moeten wachten is begrijpelijk, maar ook dat maakt niet dat op dit moment een spoedeisend belang kan worden aangenomen.
Conclusie
12. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Omdat het verzoek wordt afgewezen, bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.