Arbeidsrecht
Er sprake is van een overgang van onderneming en een dynamisch incorporatiebeding. Voordat de kantonrechter…
Rechtbank Midden-Nederland, 14 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:7503 · Rechtbank Midden-Nederland · 14 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/civiel-recht/arbeidsrecht/beschikking/ecli-nl-rbmne-2026-7503
Zaakgegevens
Op 14 juli 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 14 juli 2026
- Datum publicatie
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12168648 \ UE VERZ 26-140
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Arbeidsrecht
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:7503
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Er sprake is van een overgang van onderneming en een dynamisch incorporatiebeding. Voordat de kantonrechter verder beslist worden partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de uitspraak van 19 mei 2026 van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12168648 \ UE VERZ 26-140 wh 1031
Beschikking van 17 juli 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonend in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. F.M. Luijkx,
tegen
[verweerder] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. M.C.T. Burgers.
1 De procedure
[verzoeker] heeft een verzoek gedaan om onder meer een ontslagvergoeding, een schadevergoeding en een billijke vergoeding toe te kennen. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.
Op 15 juni 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen en hun gemachtigden hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. De gemachtigde van [verzoeker] heeft ook spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Vóór de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] nog stukken toegezonden.
De zaak is vervolgens een week aangehouden voor schikkingsonderhandelingen. Op 23 juni 2026 heeft [verzoeker] laten weten dat partijen geen regeling hebben kunnen bereiken. [verzoeker] heeft de door haar verzochte billijke vergoeding ingetrokken en meegedeeld dat als er nog een schriftelijke ronde wordt ingelast zij het bedrag van haar juridische kosten op een bedrag van € 7.500 exclusief BTW begroot.
2 De kern van de zaak
Het gaat in deze zaak om de vraag of er sprake is van een overgang van onderneming en of [verzoeker] recht heeft op een aanvullende ontslagvergoeding van
€ 49.933,04 bruto volgens het [bedrijf 4] Sociaal Plan. De kantonrechter is van oordeel dat er sprake is van een overgang van onderneming en een dynamisch incorporatiebeding. Voordat de kantonrechter verder beslist worden partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de uitspraak van 19 mei 2026 van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden die het vervolg is op de uitspraak van Hoge Raad uitspraak van 12 juli 2024.
3 De achtergrond van de zaak
[verzoeker] , geboren [geboortedatum] 1965, is op 1 juli 1984 bij [bedrijf 1] , een joint venture van [bedrijf 2] in dienst getreden. [verzoeker] heeft vanaf 1985 tot juni 2005 als administratief medewerker op de afdeling debiteuren gewerkt in [plaats] .
In juni 2005 heeft [bedrijf 4] haar belang in [bedrijf 1] uitgebreid naar 100% en gingen de activiteiten van [bedrijf 1] verder onder de naam [bedrijf 3] . [verzoeker] is met behoud van anciënniteit en arbeidsvoorwaarden als receptioniste gaan werken op de [bedrijf 4] -vestiging in [plaats] . Per 1 januari 2008 is [verzoeker] arbeidsovereenkomst binnen [bedrijf 4] overgeheveld naar [afdeling]
Per 1 maart 2018 heeft [bedrijf 4] de facilitaire diensten uitbesteed aan [verweerder] . In de welkomstbrief van 16 januari 2018 staat onder meer het volgende:
“(…) In de afgelopen periode is er veelvuldig overleg gevoerd tussen [bedrijf 4] , [verweerder] en de vakorganisatie FNV en De Unie over de overdracht van jouw huidige arbeidsvoorwaardenpakket. Dit heeft geleid tot het Arbeidsvoorwaardenprotocol.
Hierop volgend hebben wij met [bedrijf 4] het volgende standpunt ingenomen: deze overdracht van de activiteiten valt onder de werkingssfeer van de artikelen 7:662 e.v. van het BW (''Overgang van Onderneming''). Dit betekent dat jullie dienstverband en jullie arbeidsovereenkomst zullen worden voortgezet door [verweerder] GWS IFM BV.
Wij zijn van mening dat de afspraken binnen de kaders van de geldende wetgeving een gelijkwaardig arbeidsvoorwaardenpakket vertegenwoordigen. Enkele arbeidsvoorwaardelijke regelingen kan [verweerder] niet of niet op dezelfde wijze aanbieden. Hiervoor wordt of een gelijkwaardig alternatief aangeboden, zoals vastgelegd in het Arbeidsvoorwaardenprotocol dat je onlangs van [bedrijf 4] thuisgestuurd hebt gekregen, of wordt gecompenseerd door de Compensatie uitkering van [bedrijf 4] .(…)”
In de inleiding van het Arbeidsvoorwaarden Protocol Betreffende de overgang van [bedrijf 4] -medewerkers naar [verweerder] (hierna: het Arbeidsvoorwaarden Protocol) staat onder meer het volgende vermeld:
“Doelgroep
Dit protocol regelt de gevolgen van de overdracht voor de, bij arbeidsovereenkomst overeengekomen, [bedrijf 4] arbeidsvoorwaarden, zoals die per de datum van overgang gelden voor de [bedrijf 4] medewerkers die hun activiteiten volgen naar [verweerder] in het kader van de Wet Overgang van Ondernemingen (artikel 7:662 e v BW)(…)
Bepalingen uit het sociaal plan [bedrijf 4] 2018-2022 zullen van rechtswege overgaan voor zover het verplichtingen tussen werkgever en werknemer betreft. Deze bepalingen blijven van kracht tot de looptijd van het sociaal plan is verstreken (1 januari 2023) of tot het moment dat [verweerder] wordt gebonden aan een ander sociaal plan, dan wel dat er tussen [verweerder] en de medewerkers andersluidende afspraken worden gemaakt. [verweerder] zal met vakorganisaties CNV, FNV en De Unie of minimaal een van deze partijen in overleg treden als er een ander sociaal plan wordt afgesloten voor de groep ex- [bedrijf 4] medewerkers.(…)”
Op 20 mei 2025 heeft [verweerder] [verzoeker] laten weten dat haar functie komt te vervallen als gevolg van het sluiten van het kantoorpand van [bedrijf 4] in [plaats] per 1 november 2025. [verweerder] heeft [verzoeker] een herplaatsingsmogelijkheid aangeboden en een beëindigingsvoorstel met de wettelijke transitievergoeding gedaan. [verzoeker] heeft gesteld dat zij recht heeft op een ontslagvergunning uit het [bedrijf 4] Sociaal Plan 2018-2022. [verweerder] heeft dit afgewezen. [verweerder] heeft een ontslagvergunning ingediend wegens bedrijfseconomische redenen. Op 24 september 2025 heeft het UWV toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. [verzoeker] heeft tot de sluiting van het kantoor gewerkt en heeft zich in oktober 2025 ziekgemeld wegens ernstige stressklachten.
In de brief van 7 oktober 2025 heeft [verweerder] de arbeidsovereenkomst opgezegd. De arbeidsovereenkomst is per 8 februari 2026 geëindigd. [verweerder] heeft de wettelijke transitievergoeding van € 30.041,36 bruto betaald en een bedrag van € 10.000 bruto. Het bedrag van € 10.000 heeft [verweerder] van [bedrijf 4] ontvangen.
[verzoeker] heeft na het einde van de arbeidsovereenkomst een Ziektewetuitkering aangevraagd en ontvangen.
[verzoeker] stelt dat zij naast de transitievergoeding nog recht heeft op een vergoeding volgens het [bedrijf 4] Sociaal Plan op grond van overgang van onderneming, en ook via het dynamische incorporatiebeding in de arbeidsovereenkomst met [bedrijf 4] . Zij verzoekt op grond van het [bedrijf 4] Sociaal Plan een ontslagvergoeding van € 49.933,04 bruto. Subsidiair verzoekt [verzoeker] een schadevergoeding, omdat [verweerder] in strijd heeft gehandeld met de verplichtingen van goed werkgeverschap. Daarnaast verzoekt zij haar reële proceskosten.
[verweerder] heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van [verweerder] . Er is volgens [verweerder] geen sprake van overgang van onderneming en ook geen dynamisch incorporatiebeding. Zij betwist ook dat zij in strijd met goed werkgeverschap heeft gehandeld.
4 De beoordeling
Er is sprake van een overgang van onderneming
De eerste vraag die in deze zaak moet worden beantwoord is of er sprake is geweest van een overgang van onderneming toen [verzoeker] per 1 maart 2018 van [bedrijf 4] naar [verweerder] overging. Voor de vraag of sprake is geweest van een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 BW moet worden beoordeeld of
-
een overgang heeft plaatsgevonden op grond van een overeenkomst,
-
een economische eenheid is overgegaan en
-
de identiteit van de economische eenheid is behouden.
Naar het oordeel van de kantonrechter is aan die vereisten voldaan.
[bedrijf 4] heeft de facilitaire diensten via aanbesteding uitbesteed aan [verweerder] . [verzoeker] en haar facility collega’s zijn overgegaan naar [verweerder] . Het betroffen 135 [bedrijf 4] - medewerkers op verschillende locaties die allemaal mee over zijn gegaan. De activiteiten zijn na de overgang op dezelfde wijze (één op één) en zonder tussenpauze voortgezet door [verweerder] . [verzoeker] maakte als receptioniste onderdeel uit van deze activiteiten. [verzoeker] deed voor en na de overname precies dezelfde werkzaamheden bij de receptie van het [bedrijf 4] -pand in [plaats] . Dit geldt ook voor de andere facility collega’s.
In de welkomstbrief van 18 januari 2018 schrijft [verweerder] zelf dat het gaat om een overgang van onderneming zoals bedoeld in artikel 7:662 BW. Uit het Arbeidsvoorwaarden Protocol blijkt dat [bedrijf 4] , [verweerder] en de vakbonden bij de overgang ook uitgingen van een overgang van onderneming. Zij hebben in het Arbeidsvoorwaarden Protocol afgesproken hoe [verweerder] een gelijkwaardig pakket aan arbeidsvoorwaarden kon aanbieden aan de [bedrijf 4] -medewerkers. Ook heeft [verzoeker] een compensatie van [bedrijf 4] ontvangen van € 4.000 ter afkoop van verschillende arbeidsvoorwaarden en is afgesproken dat [bedrijf 4] -werknemers recht houden op het Sociaal Plan [bedrijf 4] 2018-2022.
[verweerder] stelt dat er geen zelfstandig onderdeel van de onderneming van [bedrijf 4] is overgedragen aan [verweerder] dat zijn economische eenheid heeft behouden. Volgens [verweerder] ging het om het uitbesteden van werkzaamheden aan een externe dienstverlener, niet om de overdracht van een georganiseerd geheel van middelen, personeel en activiteiten waarmee [bedrijf 4] een afzonderlijke economische activiteit uitoefende. Er is ook geen overdracht geweest van materiele of immateriële activa. De kantonrechter is van oordeel dat alle facility medewerkers van [bedrijf 4] zijn overgegaan en zij kunnen worden gezien als een economische eenheid, namelijk een geheel van georganiseerde middelen, bestemd voor het uitvoeren van de werkzaamheden met betrekking tot de receptie, catering en pandbeheer in de kantoren van [bedrijf 4] . De zaken (telefoons, computers, schoonmaakkarren) die de [bedrijf 4] -medewerkers gebruikten om hun werk uit te oefenen zijn wellicht niet door [verweerder] overgenomen, maar de werknemers zijn de zaken die zij al gebruikten, blijven gebruiken. Daar komt bij dat [bedrijf 4] , [verweerder] en de vakbonden op het moment van de overgang zelf er nadrukkelijk vanuit zijn gegaan dat er sprake was van een overgang van onderneming. Zij hebben alles in het werk gesteld om de arbeidsvoorwaarden van de [bedrijf 4] -medewerkers te behouden. Ook wordt de overgang van onderneming als zodanig benoemd in het Arbeidsvoorwaarden Protocol, in de Toolkit INC van december 2017 en de welkomstbrief van 16 januari 2018. Dat [verweerder] nu in tegenstelling tot al deze stukken aanvoert dat er geen sprake is van een economische eenheid, zonder uitgebreide onderbouwing van hoe de overgang in 2017/2018 precies is gegaan, is dan ook onvoldoende om aan te nemen dat er geen sprake is van een overgang van onderneming. Daarbij is in aanmerking genomen dat het gaat om grote professionele partijen. De conclusie is dan ook dat [verzoeker] zich dus terecht beroept op een overgang van onderneming.
De uitleg van het Arbeidsvoorwaarden Protocol
[verzoeker] stelt dat zij door de overgang aanspraak kan maken op het [bedrijf 4] Sociaal Plan. In de inleiding van het Arbeidsvoorwaarden Protocol is bepaald dat de bepalingen uit het [bedrijf 4] Sociaal Plan 2018-2022 overgaan en van kracht blijven tot:
-
de looptijd van het sociaal plan is versteken (1 januari 2023) of;
-
het moment dat [verweerder] wordt gebonden aan een ander sociaal plan dan wel dat;
-
er tussen [verweerder] en de medewerkers andersluidende afspraken worden gemaakt.
[verzoeker] heeft aangevoerd dat er dus op [verweerder] een verplichting rustte om, als zij niet langer gebonden wilde zijn aan het sociaal plan van [bedrijf 4] , met de bonden nieuwe afspraken te maken. Doordat [verweerder] niet aan deze verplichting heeft voldaan is het verstrijken van de looptijd volgens [verzoeker] niet relevant. Volgens [verweerder] was het sociaal plan na 1 januari 2023 niet meer geldig en cao partijen hebben nawerking van het sociaal plan expliciet uitgesloten.
Voor de uitleg van de bepalingen in het Arbeidsvoorwaarden Protocol en het sociaal plan geldt volgens vaste rechtspraak de zogeheten CAO-norm. Deze norm houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn. Daardoor komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld. Hoe die tekst moet worden uitgelegd kan wel blijken uit de overige tekst in de regeling, de context en ratio waarbinnen de uit te leggen tekst logisch gesproken begrepen moet worden en overige kenbare relevante stukken. Voor de uitleg van de tekst moet dus primair worden aangeknoopt bij wat voor een derde objectief kenbaar is, wanneer die tekst voor hem/haar rechtsgevolgen inhoudt. Deze norm toepassend op het Arbeidsvoorwaarden Protocol en het sociaal plan betekent dat de
derde in dit geval de medewerker van [bedrijf 4] is. De [bedrijf 4] -medewerker is namelijk niet bij de totstandkoming van die tekst betrokken geweest, en kan dus niet op de hoogte zijn van partijbedoelingen voor zover die niet uit de tekst zelf blijken. Kort gezegd moet voor de derde objectief logisch zijn dat aan de tekst een bepaalde specifieke betekenis wordt toegekend.
De kantonrechter volgt de uitleg die [verzoeker] aan de bepaling geeft niet. In de bepaling leest de kantonrechter 1 januari 2023 als uitdrukkelijke einddatum van het [bedrijf 4] Sociaal Plan. Deze lezing sluit ook aan bij de uitsluiting van nawerking in dat sociaal plan. Hetgeen na het woordje “of” volgt in de bepaling ziet de kantonrechter als een uitzondering op de einddatum in die zin dat een eerdere einddatum aan de orde kan zijn als er een ander sociaal plan wordt overeengekomen tussen [verweerder] en de bonden, dan wel andere afspraken met de (individuele) medewerkers worden gemaakt. [verzoeker] kan geen rechtstreekse aanspraak op het [bedrijf 4] Sociaal Plan 2018-2022 ontlenen via het Arbeidsvoorwaarden Protocol.
Er is sprake van een dynamisch incorporatiebeding
Vervolgens stelt [verzoeker] dat zij nog steeds aanspraak kan maken op het sociaal plan van [bedrijf 4] omdat in haar arbeidsovereenkomst met [bedrijf 4] een dynamisch incorporatiebeding is overeengekomen. Volgens [verweerder] is dit niet zo. De vraag die dus moet worden beantwoord is of er sprake is van een dynamisch incorporatiebeding in de arbeidsovereenkomst die partijen zijn overeengekomen en welke gevolgen dit heeft.
Partijen beschikken over één arbeidsovereenkomst en dat is die van 6 december 1984. In deze arbeidsovereenkomst is bepaald dat de CAO voor het bankbedrijf van toepassing is. Vervolgens is er in 2004 door [bedrijf 1] een wijziging van de arbeidsovereenkomst aan [verzoeker] bevestigd. In de brief van 2004 is bepaald dat de Personeelsgids met alle voorkomende arbeidsvoorwaarden een onderdeel van de arbeidsovereenkomst zijn. Per 1 januari 2008 is [verzoeker] arbeidsovereenkomst van [bedrijf 3] . overgeheveld naar [afdeling] In de brief aan [verzoeker] van 19 december 2007 over de overgang naar [afdeling] staat onder meer het volgende:
“De bepalingen uit uw arbeidsovereenkomst met [bedrijf 4] in combinatie met het u in januari 2007 verstrekte "Protocol Implementatie [bedrijf 4] CAO & Overgangsregelingen" maken integraal deel uit van uw gewijzigde arbeidsovereenkomst.
(…)
Op de arbeidsovereenkomst is de [bedrijf 4] CAO van toepassing. Daarnaast gelden binnen [bedrijf 4] diverse personeelsregelingen, die opgenomen zijn in de personeelsgids. Bedoelde regelingen maken deel uit van de arbeidsovereenkomst. Wijzigingen en later toegevoegde regelingen in de personeelsgids maken eveneens deel uitmaken van de arbeidsovereenkomst. U vindt de [bedrijf 4] -CAO en Personeelsgids via Work@ [bedrijf 4] .(...)”
Dit beding in de brief heeft het beding van 2004 uit de arbeidsovereenkomst vervangen. [verweerder] voert aan dat dit geen dynamisch incorporatiebeding bevat dat betrekking heeft op enig sociaal plan. [verweerder] stelt dat de tekst van het beding moet worden uitgelegd aan de hand van de cao-norm. In het beding wordt verwezen naar de [bedrijf 4] -cao en personeelsregeling die opgenomen zijn in de personeelsgids van [bedrijf 4] . Sociale plannen van [bedrijf 4] zijn volgens [verweerder] niet opgenomen in de personeelsgids. Het sociaal plan heeft niet tijdens het dienstverband tussen [bedrijf 4] en [verzoeker] een cao status verkregen. Dat [bedrijf 4] het sociaal plan bij het ministerie van SZW heeft aangemeld als cao, maakt slechts dat het sociaal plan [bedrijf 4] een cao karakter krijgt. In de brief van december 2007 wordt ook niet gerefereerd aan sociaal plannen. [verzoeker] kan dan ook geen aanspraak maken op het [bedrijf 4] Sociaal Plan volgens [verweerder] .
De kantonrechter is van oordeel dat niet de cao-norm geldt voor de uitleg van het beding zoals opgenomen in de brief van 19 december 2007, maar dat het beding moet worden uitgelegd volgens de maatstaven van de zogeheten Haviltex-formule. Die houdt in dat niet alleen naar de letterlijke bewoordingen van het beding moet worden gekeken, maar ook naar de betekenis die de partijen redelijkerwijs aan de tekst gaven en wat partijen over en weer van elkaar mochten verwachten. Gelet op de tekst en de bedoelingen en de uitvoering die partijen aan dit beding hebben gegeven concludeert de kantonrechter dat dit een dynamisch incorporatiebeding is. De toekomstige versies van de cao zijn dan ook van toepassing en ook de toekomstige regelingen in de personeelsgids en op de vermelde site. Vraag is echter of het [bedrijf 4] Sociaal Plan hier ook onder valt.
Partijen mogen zich uitlaten over de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen niet op de hoogte waren van de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 mei 2026 en hier in hun betoog dus ook geen rekening mee hebben gehouden. Deze uitspraak is het vervolg op de uitspraak van de Hoge Raad over de gevolgen van een dynamisch incorporatiebeding bij overgang van onderneming. Omdat partijen op het moment van de mondelinge behandeling niet op de hoogte waren van deze uitspraak zal de kantonrechter partijen in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over hoe deze uitspraak zich verhoudt tot deze zaak. Daarbij wordt partijen verzocht zich in ieder geval uit te laten over de ten tijde van de overgang inde Personeelsgids of op Work@ [bedrijf 4] opgenomen arbeidsvoorwaardenregelingen, en met name of het [bedrijf 4] Sociaal Plan 2018-2022 daar was vermeld en over de reikwijdte van het dynamisch incorporatiebeding als het gaat om het daaropvolgend [bedrijf 4] Sociaal Plan 2025-2027.
Partijen mogen een akte met een berekening indienen
Omdat partijen zich bij akte mogen uitlaten over de uitspraak van het gerechtshof zullen zij ook alvast in de gelegenheid worden gesteld om een berekening te maken van waarop [verzoeker] op basis van bovengenoemde [bedrijf 4] Sociaal Plannen recht zou hebben. Dit omdat [verweerder] heeft aangevoerd dat de berekening van [verzoeker] onjuist zou zijn omdat deze is gebaseerd op het verkeerde loon en ook het aantal dienstjaren niet zouden kloppen. De kantonrechter verzoekt beide partijen bij hun berekening een duidelijk overzicht te geven met welk loon zij rekenen en hoe zij het aantal dienstjaren hebben berekend.
Verder geeft de kantonrechter partijen in overweging om nogmaals met elkaar in overleg te treden om tot een praktische oplossing te komen en eventuele verdere proceskosten te besparen.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5 De beslissing
De kantonrechter
stelt partijen in de gelegenheid om zich op uiterlijk 14 augustus 2026 uit te laten over de uitspraak van 19 mei 2026 van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in verband met deze zaak;
stelt partijen in de gelegenheid om een berekening op te stellen zoals overwogen in 4.12.;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.F.A. van Buitenen en in het openbaar uitgesproken door mr. F.H. Charbon op 17 juli 2026.