Arbeidsrecht

SNCU ziet toe op een juiste uitvoering van de CAO voor Uitzendkrachten. Gedaagde is aangesproken tot het…

Rechtbank Midden-Nederland, 23 december 2013

Zaakgegevens

Op 23 december 2013 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Lelystad
Datum uitspraak
23 december 2013
Datum publicatie
19 januari 2016
Zaaknummer
4230998 / LC EXPL 15-2327
Rechtsgebied
Civiel recht Arbeidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2013:8025
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

SNCU ziet toe op een juiste uitvoering van de CAO voor Uitzendkrachten. Gedaagde is aangesproken tot het alsnog betalen van haar loonverplichtingen jegens haar werknemers. De berekening van die loonverplichtingen zijn gestoeld op een steekproefsgewijze controle waarna de bevindingen zijn geëxtrapoleerd naar de overige werknemers.

de kantonrechter acht het onvoldoende aannemelijk dat gedaagde voor een bedrag van € 165.401,00 verzuimd heeft aan zijn loonbetalingsverplichting te voldoen. Daartoe vormen de onderzoeksrapporten van VRO en CROP een onvoldoende onderbouwing. Gedaagde. voert daartoe onder meer onweersproken aan dat de vennootschap over de onderzoeksperioden aangifte heeft gedaan van de loonbelastingverplichtingen en de loonbelasting aan de belastingdienst heeft afgedragen, terwijl de vennootschap in de onderzoeksperiode ook controle heeft gehad van de belastingdienst en toen geen onregelmatigheden zijn geconstateerd. Gedaagde. legt ter verdere adstructie over een voorbeeld van de maandelijkse aangifte en afdracht van de loonheffingen, waaruit de reservering van vakantiedagen, vakantietoeslag, kort verzuim en buitengewoon verlof blijkt. Gedaagde bestrijdt verder dat aldus de reservering en betaling van vakantiedagen, vakantietoeslag, kort verzuim en buitengewoon verlof niet of niet naar behoren of niet aantoonbaar heeft plaatsgevonden. Geaaagde. legt daartoe verder over de (bij de controle getoonde) loonstroken van de steekproef waaruit blijkt dat er reservering heeft plaatsgevonden van vakantiedagen, vakantietoeslag, kort verzuim en buitengewoon verlof. Dit staat op de loonstroken vermeld. De loonstrook van gedaagde week daarin niet af van andere uitzendbureaus. Gedaagde. heeft deze gegevens onweersproken aan CROP ter beschikking gesteld zonder dat het onderzoeksbureau deze gegevens in het onderzoek heeft betrokken. Daarnaast is niet gebleken dat een van de werknemers zich bij gedaagde heeft beklaagd over het feit dat het loon niet zou zijn uitbetaald. Gedaagde legt daartoe over een tweetal verklaringen van werknemers, die beiden onderdeel uitmaken van de door VRO en CROP gehanteerde steekproef, waarin beiden verklaren dat zij het loon volgens de loonstroken en het vakantiegeld hebben ontvangen.

De kantonrechter is dan ook van oordeel dat op grond van die omstandigheden het rechtsvermoeden bestaat dat gedaagde aan die loonverplichtingen jegens haar werknemers over de verschillende onderzoeksperioden heeft voldaan. SNCU zal in de gelegenheid worden gesteld om tegen dit rechtsvermoeden tegenbewijs te leveren. Verder beoordeling forfaitaire schadevergoeding.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht
kantonrechter

locatie Lelystad

Vonnis van 23 december 2013

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 4230998 / LC EXPL 15-2327 van

de stichting
STICHTING NALEVING CAO VOOR UITZENDKRACHTEN,
gevestigd te Barendrecht,
eiseres, hierna ook te noemen: SNCU,
gemachtigde mr. M.H.D. Vergouwen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde, hierna ook te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde mr. H. Hulshof.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding

  • de conclusie van antwoord

  • het vonnis van 2 september 2015

  • de brief van 24 september 2015 aan de zijde van SNCU

  • de brief van 30 oktober 2015 aan de zijde van [gedaagde]

  • het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 9 november 2015

  • de brief van 17 november 2015 aan de zijde van [gedaagde]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] houdt zich vanaf 2007 bezig met de uitoefening van een uitzendbureau. [gedaagde] detacheerde voornamelijk buitenlandse werknemers bij groente- en fruitverwerkende productiebedrijven. [gedaagde] is met de uitzendbranche gestopt per 1 april 2013. [A] is de enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde] . Op de onderneming zijn de AVV-CAO voor Uitzendkrachten en de AVV-CAO Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche van toepassing.

2.2.

De SNCU is in februari 2004 opgericht door werknemersorganisaties (FNV Bondgenoten, CNV Dienstenbond en de Unie) en de werkgeversorganisatie in de uitzendbranche Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU).

De taken en bevoegdheden van SNCU zijn vastgelegd in de CAO voor Uitzendkrachten, welke CAO bij besluit van de Minister van Sociale Zaken algemeen verbindend is verklaard van 25 mei 2008 tot en met 28 maart 2009, vervolgens van 26 juni 2009 tot en met 27 maart 2011 en tot slot van 14 juli 2011 tot en met 31 maart 2012. De huidige CAO is algemeen verbindend verklaard over de periode 17 september 2013 tot en met 17 september 2015.

2.3.

Naast de CAO voor uitzendkrachten geldt ook een CAO Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche. Deze CAO is door de minister van Sociale Zaken algemeen verbindend verklaard voor de periode van 28 juni 2009 tot en 27 februari 2011, vervolgens van 2 juni 2011 toten met 28 maart 2014. De huidige CAO is algemeen verbindend verklaard van 1 september 2014 tot en met 31 december 2014 en verlengd tot 16 september 2015.

2.4.

In artikel 53 van de AVV-CAO voor Uitzendkrachten is de toezichthoudende taak van SNCU omschreven:

Artikel 53 Naleving

1. Er is een Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten (SNCU) opgericht door de partijen

betrokken bij de CAO.

2. De statuten en reglementen van de SNCU zijn vastgelegd in de CAO Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche.

2.5.

In artikel 7 van de AVV-CAO Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche is de toezichthoudende taak van SNCU omschreven:

Artikel 7 Naleving

1.Er is een Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten (SNCU) opgericht door de partijen betrokken bij deze CAO waarvan de Statuten en Reglementen I en II integraal onderdeel uitmaken van deze CAO.

2.De SNCU dient erop toe te zien, dat de bepalingen van deze CAO algemeen en volledig worden nageleefd en is door de partijen betrokken bij deze CAO gemachtigd al datgene te verrichten dat daartoe nuttig en noodzakelijk kan zijn.

2.6.

Conform artikel 7 lid 4 van de statuten van de SNCU heeft zij een deel van haar bevoegdheden overgedragen aan een bij reglement in te stellen Commissie Naleving CAO voor Uitzendkrachten (CNCU). De oprichting en doelbepaling van de CNCU is omschreven in reglement I en de gehanteerde werkwijze is omschreven in reglement II. Deze beide reglementen zijn onderdeel van de CAO-SF.

2.7.

In artikel 5, lid 1 reglement (II) is bepaald dat de werkgever verplicht is in redelijkheid de inlichtingen te verschaffen die de SNCU voor een goede uitvoering van de werkzaamheden nodig heeft. Indien een uitzendonderneming ook na aanmaning en ingebrekestelling niet aan deze verplichting voldoet, is de SNCU bevoegd de bedoelde gegevens naar beste weten vast te stellen. In artikel 5, lid 2 van reglement (II) is bepaald dat het aantonen dat de CAO voor Uitzendkrachten, alsmede de CAO Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche getrouwelijk worden nageleefd, moet geschieden aan de hand van de door of namens de werkgever gevoerde inzichtelijke en deugdelijke loon- en arbeidstijdenadministratie. In artikel 5, lid 2 van het reglement (II) is een opsomming opgenomen met betrekking tot de op te vragen gegevens.

2.8.

In artikel 6 van het reglement (II) is de werkwijze van de CNCU chronologisch weergegeven. Het verzoek tot aanlevering van bescheiden wordt een drietal maal herhaald met een termijn van respectievelijk 10 werkdagen, 5 werkdagen en tenslotte 3 werkdagen, zulks onder gelijktijdige ingebrekestelling. Bij een onvolledige aanlevering van gegevens volgt een extra termijn van 5 werkdagen om de ontbrekende gegevens te verstrekken. Een gegrond vermoeden van overtreding van de CAO’s wordt aangenomen indien de aangeschreven onderneming weigert medewerking te verlenen, onvolledige of onjuiste informatie verstrekt, dan wel de CNCU kennis neemt van signalen in de branche waaruit blijkt dat de onderneming de CAO’s overtreedt. De CNCU kan in het geval van een dergelijke melding uit de markt, dan wel een situatie waarin de gegevens er niet, niet juist of niet volledig zijn, overgaan tot het verrichten van een nader onderzoek, waarbij zij gebruik maakt van de diensten van onafhankelijke externe bureaus (CROP Certificering, Safex, Providius of VRO). Deze bureaus stellen van het door hen verrichtte onderzoek een rapportage op.

2.9.

Het onderzoek naar de onderneming is gestart op 28 juni 2012. Op deze datum is conform artikel 5 van het reglement (II) namens de SNCU aan gedaagde verzocht tot het schriftelijk aanleveren van afschriften van een selectie van de administratieve bescheiden, zoals bedoeld in artikel 5, lid 2 van het reglement (II). De SNCU heeft na ontvangst van deze gegevens een vermoeden vastgesteld van niet naleving van de CAO’s.

2.10.

Naar aanleiding van dit vermoeden is een controle ter plaatse door het onafhankelijke externe onderzoeksbureau VRO uitgevoerd op 5 februari 2013. [gedaagde] heeft hier op 11 april 2013 op gereageerd. Op 16 april 2013 is het rapport definitief gemaakt. De definitieve rapportage komt tot de conclusie dat [gedaagde] de betreffende CAO’s niet (voldoende) na heeft geleefd. De materiele benadeling van werknemers van [gedaagde] is gedurende de onderzoeksperiode vastgesteld op € 486.501,00.

2.11.

Op 14 april 2014 is een hercontrole door het CROP uitgevoerd. In de definitieve rapportage van de hercontrole d.d. 3 juli 2014 is kenbaar gemaakt dat de geconstateerde afwijkingen door gedaagde na het eerste onderzoek niet geheel zijn hersteld en dat geen volledige compensatie van de materiele benadeling heeft plaatsgevonden. De materiele benadeling is aangepast naar € 201.088,-:

“(..) Beoordeling opgelegde nabetalingsverplichting

In onderstaande tabel is per controleperiode de door nabetalingsverplichting opgenomen. Hierbij is eveneens aangegeven welke nabetaling de uitzendonderneming aantoonbaar heeft verricht aan (ex)werknemers.

Nr. Periode Opgelegde (Na)betaalde Niet (na)betaalde

nabetaling bedragen bedragen SNCU

1 01-04-2010 tm 31-12-2010 €245.153,23 €211.809 € 33.344,23

2 01-01-2011 tm 27-03-2011

14-07-2011 tm 31-12-2011 €158.280,99 € 38.820 € 119.460,99

3 01-01-2012 tm 31-03-2012 €83.066,90 € 34.784 € 48.282,90

Schadelast op basis van P.M. € 0 P.M. P.M

artikelen 19, 22, 24, 25 en

26

Totaal € 486.501 € 285.413 € 201.088 +

.Op basis van de hercontrole is het aannemelijk dat de opgelegde nabetalingsverplichting niet volledig is nagekomen.(..)”

2.12.

SNCU heeft gedaagde per brief d.d. 27 januari 2015 in gebreke gesteld met betrekking tot het herstellen van de geconstateerde overtredingen. De vastgestelde materiele benadeling ad € 201.088,- diende alsnog door gedaagde binnen vier weken te worden hersteld. Tevens berichtte de SNCU in haar brief dat de schadevergoeding ad € 19.038,- verschuldigd zou zijn, indien de gebreken niet tijdig zouden worden hersteld. Dit herhaald zich bij brieven van 2 april 2015, 1 mei 2015 en 22 mei 2015. Artikel 9 van het regelment II Werkwijze van de werkgeversorganisatie van de Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten luidt als volgt:

“(..) Artikel 9 Schadevergoedingen

1. Indien een uitzendonderneming na Ingebrekestelling door of namens de SNCU gedurende ten minste tien werkdagen

nalatig blijft In het verstrekken van de door SNCU verzochte gegevens met betrekking tot de wijze waarop zij de CAO’s naleeft, dan wel onjuiste gegevens verstrekt, ie zij verplicht door dat enkele feit aan de SNCU een forfaitaire schadevergoeding te betalen van € 100.00°,--. De SNCU kan besluiten geheel of gedeeltelijk af te zien van het innen van deze schadevergoeding, indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.

2. indien een uitzendonderneming na ingebrekestelling door of namens de SNCU gedurende tien werkdagen volhardt bij het niet naleven van de CAO’s op de in de ingebrekestelling vermelde punten, is zij — onverminderd het gestelde onder lid 1 — verplicht aan de SNCU een door het bestuur te bepalen schadevergoeding te betalen. Het bestuur van de SNCU heeft een beleid vastgesteld inzake een gestaffelde schadevergoedingsmethodiek, zoals gepubliceerd op de website van de SNCU (www.sncu.nl). Deze methodiek houdt rekening met de aard, de omvang en de duur van de niet-naleving. Daarnaast kan rekening worden gehouden met de mate waarin die uitzendenderneming alsnog achterstallige verplichtingen jegens zijn personeel nakomt dan wel zekerheid stelt voor een correcte naleving van de CAO’s. Do schadevergoeding wordt aan de hand van de volgende formule berekend. S(chadevergoeding) = A(antal) x D(uur) x F(actor) x K(ortingspercentage)(..)”

2.13.

Conform artikel 9 lid 2 van het reglement II is de schadevergoeding berekend:

[gedaagde] 1260

controle periodes van tot

SV loon subtotaal Periode 1 1-4-2010 31-12-2010 € 224.402

Periode 2 1-1-2011 27-3-2011 € 150.259

Periode 3 14-7-2011 31-12-2011

Periode 4 1-1-2012 31-3-2012 € 76.153

Sv loon, totaal € 450.814

Werknemers aantal

(SV loon f €15.000) 30

Aantal ovt’en controle 14

Forfaitair (%) 1,00

Aantal weken 88

Forfaitaire schadevergoeding

aantal aantal SV loon Schade-

werknemers X werknemers X weken/52 X wn X vergoeding Totaal

1-50 30 1,69 € 15.000 2,50% € 19.038

51— 100 0 1,69 € 15.000 2% € 0

101— 500 0 1,69 € 15.000 1% € 0

501 —00 0 1,69 € 15.000 0,5% € 0

30 Totaal € 19.038

Gematigd naar het € 19.038

aantal ovt’en

Min bedrag € 5.000

Max bedrag €100.000

2.14.

[gedaagde] heeft bij brieven van 20 december 2013 en 9 januari 2014 bezwaar gemaakt tegen de vaststellingen van SNCU. Bij brieven van 14 april 2015 en 12 mei 2015 heeft [gedaagde] andermaal geprotesteerd tegen de vaststellingen van SNCU.

3 Het geschil

3.1.

SNCU vordert, uitvoerbaar bij voorraad:

I. gedaagde te veroordelen tot naleving van de CAO voor de Uitzendkrachten en de CAO Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche indien en voor zover deze algemeen verbindend zijn verklaard, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag dat zij daarmee vanaf twee weken na betekening van dit vonnis in gebreke is;

II. gedaagde te veroordelen tot nabetaling aan de betrokken werknemers van het bedrag van

€ 201.088,- (zegge: tweehonderdeenduizend achtentachtig euro), ten blijke waarvan aan de SNCU betaalbewijzen en specificaties worden overgelegd, zulks binnen vier weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat zij daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 202.000,-;

III. gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te voldoen de somma van € 19.038,- (zegge: negentienduizend achtendertig euro), als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van deze dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

IV. gedaagde te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 2.875,63 inclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van deze dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

V. gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

SNCU stelt daartoe dat zij vanaf het najaar 2005 belast is met de controle in de uitzendbranche op de naleving van de CAO voor Uitzendkrachten. De onderneming [gedaagde] valt onder de werkingssfeer van de CAO voor Uitzendkrachten en de CAO Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche. Deze CAO’s zijn (deels) algemeen verbindend verklaard. [gedaagde] is onderwerp van onderzoek geweest uitsluitend voor de periodes dat de betreffende CAO’S algemeen verbind waren verklaard. Op 16 april 2013 heeft het extern onderzoeksbureau VRO definitief gerapporteerd. De materiele benadeling van de werknemers is gedurende de onderzoeksperiode vastgesteld op € 486.501. Na een her controle door het extern onderzoeksbureau CROP is de materiele benadeling definitief vastgesteld op € 201.088,00. Daarnaast is de schadevergoeding vastgesteld op € 19.038,00 op grond van artikel 9 lid 2 van het reglement (II). SNCU vordert dat [gedaagde] de CAO’s alsnog naleeft door nabetaling te verlangen aan de betreffende werknemers van de materiele benadeling. Daarnaast maakt SNCU aanspraak op voormelde schadevergoeding van € 19.038,00, en vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 3.190,69.

3.3.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer.

3.4.

SNCU vordert onder verbeurte van een dwangsom naleving van de betreffende CAO’s. [gedaagde] is vanaf 1 april 2013 gestopt met uitzendwerk en als zodanig ook uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. De vordering ziet op een toekomstige situatie die niet aan de orde is, zodat deze vordering reeds om die reden dient te worden afgewezen.

3.5.

[gedaagde] heeft voor alle voor haar werkzame uitzendkrachten een arbeidsovereenkomst opgesteld overeenkomstig een door [gedaagde] overgelegd exemplaar. Deze arbeidsovereenkomst is ook bij de controle overgelegd. In de arbeidsovereenkomst is standaard overeengekomen dat als loon voor de uitzendkracht geldt het loon zoals door de CAO van de branche waar de uitzendkracht werkt, is voorgeschreven, waarmee wordt voldaan aan de inlenersbeloning. Daarnaast is het toepasselijke uurloon vermeld. Verder wordt door SNCU gesteld dat de reservering en betaling van vakantiedagen, vakantietoeslag, kort verzuim en buitengewoon verlof niet of niet naar behoren of niet aantoonbaar heeft plaatsgevonden. [gedaagde] bestrijdt dit en legt daartoe over de (bij de controle getoonde) loonstroken van de steekproef waaruit blijkt dat er reservering heeft plaatsgevonden van vakantiedagen, vakantietoeslag, kort verzuim en buitengewoon verlof. Dit staat op de loonstroken vermeld. De loonstrook van [gedaagde] week daarin niet af van andere uitzendbureaus. De uitzendkrachten waren derhalve geïnformeerd over de aan hen toekomende reserveringen, die [gedaagde] uitbetaalde niet alleen op de voorgeschreven tijdstippen maar ook telkens als de uitzendkracht voor een onbepaalde periode met de werkzaamheden stopte. [gedaagde] legt ter verdere adstructie over een voorbeeld van de maandelijkse aangifte en afdracht van de loonheffingen, waaruit eveneens de reservering van vakantiedagen, vakantietoeslag, kort verzuim en buitengewoon verlof blijkt. Tot slot is gesteld dat [gedaagde] niet altijd het loon of het volledige loon zoals vermeld op de loonstrook heeft betaald. [gedaagde] betaalde het loon naar voorkeur van de uitzendkracht per bank of contant uit. Van de contante betalingen zijn niet alle kwitanties bewaard gebleven. Tegen [gedaagde] is echter nimmer een loonvordering ingesteld hetgeen als zeker gevolg had gegolden als [gedaagde] inderdaad niet overeenkomstig de loonstroken had uitbetaald. [gedaagde] is derhalve van mening dat het niet kunnen overleggen van de kwitantiebewijzen van de contante betalingen niet als voldoende bewijs geldt dat de betalingen dan ook niet zijn gedaan. Indien de betaling opnieuw zou moeten worden gedaan, betekent dat dat werknemers (onverschuldigd) dubbel betaald worden voor de werkzaamheden. [gedaagde] legt daartoe over twee verklaringen van oud werknemers. [gedaagde] heeft volledig voldaan aan zijn verplichtingen, hetgeen onder meer blijkt uit de loonbelasting aangiftes en de afdracht van loonbelasting conform het aan de werknemers uitgekeerde salaris. Een belastingcontrole heeft evenmin onregelmatigheden opgeleverd. Deze gegevens zijn aan SNCU ter beschikking gesteld maar terzijde geschoven.

3.6.

Voor zover de kantonrechter het verweer geheel of gedeeltelijk zou passeren, stelt [gedaagde] dat de uitzendkrachten die voor [gedaagde] werkzaamheden verrichtten, uit het buitenland kwamen, met name Oost Europa. Het is voor [gedaagde] niet mogelijk deze uitzendkrachten allemaal op te sporen. Daarvoor beschikt [gedaagde] over te weinig informatie van de uitzendkrachten. Voor het overgrote deel beschikken deze uitzendkrachten immers niet over een vaste woon- of verblijfplaats omdat zij van werk naar werk trekken en zijn zij voor hun verblijf en werk niet gebonden aan Nederland. Daarnaast is op basis van de door SCNU ingestelde vordering niet duidelijk wie de betrokken werknemers zijn en welk bedrag aan ieder van hen zou moeten toekomen. Een

veroordeling op basis van deze algemene omschrijving is daardoor voor [gedaagde] niet uitvoerbaar. De gevorderde dwangsom is niet toewijsbaar omdat deze ziet op nakoming van een betalingsverplichting, maar ook hier geldt dat de vordering onvoldoende bepaalbaar is, waardoor niet is vast te stellen of aan een eventuele veroordeling is voldaan.

3.7.

De gevorderde schadevergoeding is evenmin toewijsbaar. [gedaagde] beroept zich daarbij op een uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden van 5 november 2013. SNCU kan de schadevergoeding niet eenzijdig vaststellen; een wettelijke grondslag daartoe ontbreekt. Bovendien is de vergoeding te kwalificeren als een boete, die onvoldoende bepaalbaar is. Tot slot stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat de berekening van de schadevergoeding onjuist is en dient te zien op uitsluitend de periode dat de betreffende CAO’s algemeen verbindend zijn verklaard.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

4.2.

De toepasselijkheid van de CAO-U en de CAO-SF is niet in geschil. Handhaving van de CAO mag aan een particuliere instelling, zoals SNCU, worden overgedragen (Hoge Raad 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3458). Evenmin staat dan ook ter discussie dat [gedaagde] genoemde CAO’s moet naleven en dus moet aantonen dat die naleving heeft plaatsgevonden en medewerking moet verlenen aan onderzoek door de CNCU.

4.3.

Het verwijt dat de SNCU [gedaagde] nu maakt en dat zij aan haar vorderingen ten grondslag legt, is het volgende. Omdat uit de door [gedaagde] aangeleverde stukken een gegrond vermoeden van niet-naleving van de CAO-U was vastgesteld, heeft de SNCU een nader onderzoek door VRO aangekondigd, welk onderzoek op 28 juni 2012 is gestart. VRO heeft 'de totale indicatieve materiële schadelast' berekend op een bedrag van € 486.501,00. (€ 450.814,00 gelijk aan het SV loon over de onderzoeksperioden en € 53.687,00 aan uurlooncorrectie, overwerk en reserveringen). Na hercontrole door CROP is op 3 juli 2014 'de totale indicatieve materiële schadelast' berekend op een bedrag van € 201.088,00. (niet uitbetaalde lonen € 165.401,00 en uurlooncorrectie, overwerk en reserveringen € 35.687,00). Ter comparitie is door SNCU gesteld dat een bedrag van ongeveer € 165.000,00 ziet op een (netto) loonbetalingsverplichting aan werknemers waarvoor bewijzen van uitbetaling ontbreken, terwijl een bedrag van ongeveer € 35.000,00 ziet op toeslagen aan werknemers waarvoor eveneens bewijzen van uitbetaling zouden ontbreken. De berekeningen zijn gebaseerd op een steekproef bij 15 werknemers verdeeld over de verschillende onderzoeksperioden en vormen derhalve een schatting van het niet uitbetaalde loon en toeslagen over die verschillende onderzoeksperioden voor alle werknemers (1-4-2010 t/m 31-12-2010 6 werknemers 1 maand per werknemer; 01-01-2011 t/m 27-03 2011 en 14-07 2011 t/m 31-12-2011 6 werknemers 1 maand per werknemer; en 01-01-2012 t/m 31-03-2012 3 werknemers 1 maand per werknemer). Zowel door VRO als door CROP is vastgesteld dat niet alle stukken over de controle periode bij [gedaagde] aanwezig zijn. Bij brief van 1 mei 2015 heeft SNCU de geconstateerde afwijkingen nog eens opgesomd:

“(..)

Artikel 19 en 22 Er zijn geen stukken aangeleverd om het rechtensgeldende loon aan te tonen. De P.M, post op dit deel van de inlenersbeloning is niet nabetaald.

Artikel 19.4 Er zijn geen stukken aangeleverd waarmee kon worden aangetoond wat de inlenersbeloning is/was. De P.M. post op dit deel van de inlenersbeloning blijft gehandhaafd,

Artikel 19 en 22 Er zijn geen stukken aangeleverd waarmee de gebruikelijke arbeidsduur van de inlener is aangetoond. De P.M. post op dit deel van de inlenersbeloning is niet nabetaald.

Artikel 24 Er zijn geen stukken aangeleverd waaruit blijkt dat de periodieken niet van toepassing waren. De P.M. post op dit deel van de inlenersbeloning is niet nabetaald.

Artikel 25 Er zijn geen stukken aangeleverd waaruit blijkt dat de juiste toeslagpercentages diende te zijn of dat er in het geheel geen toeslagpercentages van toepassing waren. De P.M. post op dit deel van de inlenersbeloning is niet nabetaald.

Artikel 26 Er zijn geen stukken aangeleverd waaruit blijkt dat het juiste toeslagpercentage voor overwerk blijkt. De P.M. post op dit deel van de inlenersbeloning is niet nabetaald.

Artikel 33 Er is geen herstel aangetoond met betrekking tot deze afwijking. Het deel van de schadelast dat betrekking heeft op deze afwijking is niet nabetaald.

Artikel 35 Er is geen herstel aangetoond van het verhogen van de grondslag waarover vakantiedagen worden opgebouwd. Het deel van de schadelast wat betrekking heeft op deze afwijking is niet nabetaald. Van het nettoloon dat geacht werd niet uitbetaald te zijn heeft de onderneming deels aangetoond dat uitbetalingen wel plaats gevonden hebben.

Artikel 36 Er is geen herstel aangetoond van het verhogen van de grondslag waarover vakantiebijslag wordt opgebouwd, met de vakantiedagen en feestdagen. Het deel van de schadelast wat betrekking heeft op deze afwijking is niet nabetaald. Van het nettoloon dat geacht werd niet uitbetaald te zijn heeft de onderneming deels aangetoond dat uitbetalingen wel plaats gevonden hebben.

Artikel 37 Er is geen herstel aangetoond van het verhogen van de grondslag waarover feestdagen opgebouwd worden. Het deel van de schadelast wat betrekking heeft op deze afwijking is niet nabetaald. Van het nettoloon dat geacht werd niet uitbetaald te zijn heeft de onderneming deels aangetoond dat uitbetalingen wel plaats gevonden hebben.

Artikel 40 Van het nettoloon dat geacht werd niet uitbetaald te zijn heeft de

onderneming aangetoond dat uitbetalingen wel plaats gevonden

hebben.

Artikel 41 Er is geen herstel aangetoond van deze afwijking, Het deel van de schadelast dat betrekking heeft op deze afwijking is niet nabetaald.

Artikel 43.3 Er zijn geen stukken aangeleverd waaruit blijkt dat de scholingsbestedingsverplichtingen zijn nagekomen. Er is niet voldaan aan deze verplichting. (..)”

4.4.

[gedaagde] betwist niet dat een groot aantal “betalingsbewijzen” ontbreken, maar betwist wel dat hij geen salaris en vakantiegeld zou hebben betaald aan de betreffende werknemers. [gedaagde] voert daartoe onder meer onweersproken aan dat de vennootschap over de onderzoeksperioden aangifte heeft gedaan van de loonbelastingverplichtingen en de loonbelasting aan de belastingdienst heeft afgedragen, terwijl de vennootschap in de onderzoeksperiode ook controle heeft gehad van de belastingdienst en toen geen onregelmatigheden zijn geconstateerd. [gedaagde] legt ter verdere adstructie over een voorbeeld van de maandelijkse aangifte en afdracht van de loonheffingen, waaruit de reservering van vakantiedagen, vakantietoeslag, kort verzuim en buitengewoon verlof blijkt. [gedaagde] bestrijdt verder dat aldus de reservering en betaling van vakantiedagen, vakantietoeslag, kort verzuim en buitengewoon verlof niet of niet naar behoren of niet aantoonbaar heeft plaatsgevonden. [gedaagde] legt daartoe verder over de (bij de controle getoonde) loonstroken van de steekproef waaruit blijkt dat er reservering heeft plaatsgevonden van vakantiedagen, vakantietoeslag, kort verzuim en buitengewoon verlof. Dit staat op de loonstroken vermeld. De loonstrook van [gedaagde] week daarin niet af van andere uitzendbureaus. [gedaagde] heeft deze gegevens onweersproken aan CROP ter beschikking gesteld zonder dat het onderzoeksbureau deze gegevens in het onderzoek heeft betrokken. Daarnaast is niet gebleken dat een van de werknemers zich bij [gedaagde] heeft beklaagd over het feit dat het loon niet zou zijn uitbetaald. [gedaagde] legt daartoe over een tweetal verklaringen van werknemers, die beiden onderdeel uitmaken van de door VRO en CROP gehanteerde steekproef, waarin beiden verklaren dat zij het loon volgens de loonstroken en het vakantiegeld hebben ontvangen.

4.5.

Gelet op bovengenoemde omstandigheden acht de kantonrechter het onvoldoende aannemelijk dat [gedaagde] voor een bedrag van € 165.401,00 verzuimd heeft aan zijn loonbetalingsverplichting te voldoen. Daartoe vormen de onderzoeksrapporten van VRO en CROP een onvoldoende onderbouwing. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat op grond van die omstandigheden het rechtsvermoeden bestaat dat [gedaagde] aan die loonverplichtingen jegens haar werknemers over de verschillende onderzoeksperioden heeft voldaan. SNCU zal in de gelegenheid worden gesteld om tegen dit rechtsvermoeden tegenbewijs te leveren.

4.6.

Dit ligt naar het oordeel van de kantonrechter anders met betrekking tot het door VRO en CROP vastgestelde bedrag van € 35.687,00. Dit bedrag is onderverdeeld in een uurlooncorrectie van € 20.132,00, een bedrag benadeling toeslagen van € 4.376,00 en een bedrag benadeling opslag en reserveringen van € 11.179,00. De benadeling van die bedragen is door [gedaagde] onvoldoende onderbouwd weersproken, zodat dit onderdeel van de vordering van SNCU bij eindbeslissing zal worden toegewezen.

4.7.

Ter verdere beoordeling ligt de door SNCU gevorderde forfaitaire schadevergoeding voor een bedrag van € 19.038,00. Uit artikel 9 van reglement (II) blijkt sprake te zijn van twee vormen van schadevergoeding. Artikel 9 lid 1 van het reglement (II) ziet op een forfaitaire schadevergoeding van € 100.000,00 indien een uitzendorganisatie nalatig blijft verzochte gegevens te verstrekken, derhalve haar medewerking aan controle onthoudt. Artikel 9 lid 2 ziet op een schadevergoeding als gevolg van het volharden in het niet naleven van de CAO’s op basis van door SNCU geformuleerde gestaffelde schadevergoedingsmethodiek. De kantonrechter beschouwt artikel 9 lid 2 van reglement (II) als de basis voor de door de SNCU gevorderde schadevergoeding, dit in overeenstemming met het betoog van de SNCU ter comparitie, van welk betoog [gedaagde] de juistheid niet heeft betwist. De regeling geeft het moment aan waarop schadevergoeding verschuldigd zal kunnen zijn (nadat 10 dagen na ingebrekestelling is volhard in de niet-nakoming van de CAO in verschillende opzichten), de factoren die bepalend zijn voor de omvang van de schadevergoeding (aard, omvang en duur van de niet-naleving van de CAO, de loonsom van de onderneming), terwijl bovendien als relevante factor de mate waarin de werkgever alsnog achterstallige verplichtingen jegens zijn personeel nakomt dan wel zekerheid stelt voor de correcte naleving van de CAO’s. In voldoende mate is komen vast te staan dat [gedaagde] niet volledig heeft voldaan aan haar verplichtingen voortvloeiende uit de CAO (zie daartoe overweging 4.3 en 4.6).

4.8.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat bij de forfaitaire schadevergoeding niet sprake is van schadevergoeding maar van een boete als bedoeld in artikel 6:91 BW. Nu sprake is van een boetebeding en SNCU in onderhavige procedure ook nakoming van de hoofdverplichting vordert, dient schadevergoeding op grond van artikel 6:92 BW te worden afgewezen, aldus [gedaagde] . De kantonrechter overweegt als volgt. Onder een boetebeding als bedoeld in artikel 6:91 BW valt in beginsel zowel het schadevergoedingsbeding (fixatie bij voorbaat van verschuldigde schadevergoeding bij tekortschieten) als het strafbeding (prikkel tot nakoming), zoals volgt uit de parlementaire geschiedenis. Ook in het onderhavige geval is (aanvankelijk) zowel sprake van kennelijk een vorm van schadevergoeding als een prikkel tot nakoming. Immers bij brief van 11 november 2013 stelt SNCU dat voor het geval [gedaagde] nalatig blijft in het verstrekken van een verklaring dat hij de CAO’s alsnog zal naleven een schadevergoeding verschuldigd zal zijn van € 19.038,00. Bij brief van 15 januari 2014 stelt SNCU dat indien na hercontrole blijkt dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan haar verplichtingen alsnog de schadevergoeding verschuldigd is. Ten slotte wordt bij brief van 1 mei 2015 de schadevergoeding definitief opgelegd. De ‘forfaitaire schadevergoeding’ (in dit geval € 19.038,00), die volgens de beleidsnotitie van de SNCU maximaal € 100.000,00 kan bedragen (overgelegd als productie 3 van de dagvaarding), is verschuldigd als een werkgever na ingebrekestelling gedurende 14 dagen volhardt in het niet-naleven van de CAO (Ktr.: Die beleidsnotitie refereert aan het artikel 6 lid 1 en 2 van het reglement II oud). Dat betekent naar het oordeel van de kantonrechter dat de ‘forfaitaire schadevergoeding’ uiteindelijk als een sanctie op vertraging in de nakoming van de verplichtingen uit de CAO is aan te merken en aldus dient te worden gekwalificeerd als een boetebeding ex artikel 6:91 BW. Artikel 6:92 lid 2 BW bepaalt dat hetgeen ingevolge een boetebeding verschuldigd is, in de plaats treedt van de wettelijke schadevergoeding. Dat ziet zowel op de vervangende als de aanvullende schadevergoeding. Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat geen nakoming kan worden gevorderd van zowel het boetebeding als van de hoofdverbintenis waaraan het boetebeding verbonden is. Naar het oordeel van de kantonrechter is hiervan in beginsel sprake. Zoals hiervoor is overwogen heeft SNCU een vordering ingediend tot naleving van de CAO, alsmede alsnog het betaalbaar stellen aan de werknemers van het verschuldigde loon. Dit is op één lijn te stellen met de aanspraak op medewerking tot het verschaffen van informatie omtrent de wijze waarop [gedaagde] de CAO heeft toegepast, nu het immers strekt tot nakoming van de CAO-verplichtingen. Het bovenstaande kan evenwel uitzondering leiden als de boete gesteld zou zijn op de enkele vertraging. Daarvan is gelet op de inhoud van de beleidsnotitie als hierboven genoemd in samenhang met de aan [gedaagde] verzonden aanmaningen naar het oordeel van de kantonrechter sprake. Het niet voldoen aan de verplichtingen uit de CAO heeft immers uiteindelijk geleid tot oplegging van de boete. Die boete vormt thans geen prikkel meer om alsnog nakoming af te dwingen, maar slechts een sanctie op de vertraging van die nakoming. De kantonrechter komt tot het oordeel dat SNCU [gedaagde] heeft willen ‘straffen’ door het opleggen van de schadevergoeding (lees: boete) van € 19.038,00 volgens de door SNCU vastgestelde staffel op grond van artikel 9 lid 2 reglement (II) en vervolgens – waar [gedaagde] nalatig blijft de begrote “materiële benadeling” van de werknemers ongedaan te maken – daarnaast nabetaling aan de werknemers te vorderen. Het verweer van [gedaagde] op dit punt faalt dan ook. Gelet op het bovenstaande is een berekening van de reële en concrete schade niet vereist, zoals ook door [gedaagde] bepleit. Niet uit te sluiten valt dat het resultaat van hetgeen onder overweging 4.4. en 4.5 aanleiding dient te geven tot aanpassing van de hoogte van de boete. Deze wordt immers bepaald door rekening te houden met de aard, de omvang en de duur van de niet-naleving, alsmede met de loonsom van de onderneming van de betrokken werkgever. Daarnaast kan rekening worden gehouden met de mate waarin die werkgever alsnog achterstallige verplichtingen jegens zijn personeel nakomt dan wel zekerheid stelt voor een correcte naleving van de CAO. Partijen zullen zich na (tegen)bewijslevering van de zijde van SNCU in de gelegenheid worden gesteld zich hierover uit te laten. Over het subsidiaire verweer van [gedaagde] over de hoogte van de boete zal zonodig bij eindbeslissing worden beslist.

4.9.

De vordering tot naleving van de CAO voor de Uitzendkrachten en de CAO Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft zal bij eindbeslissing worden afgewezen. [gedaagde] heeft onder overlegging van een uittreksel van de Kamer van Koophandel aangevoerd dat zij sinds 1 april 2013 geen werkzaamheden meer verricht in de uitzendbranche. SNCU heeft onvoldoende duidelijk gemaakt welk belang zij heeft bij handhaving van haar (toekomstige) vordering.

4.10.

Onderhavige zaak zal worden verwezen naar de rol voor uitlating aan de zijde van SNCU over de wijze waarop zij tegenbewijs wenst aan te voeren. Indien SNCU het bewijs (mede) wenst te leveren door schriftelijke stukken of andere gegevens, dient zij deze afzonderlijk bij akte in het geding te brengen. Indien SNCU het bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, dient zij dit in de akte te vermelden en de verhinderdata op te geven van alle partijen en van de op te roepen getuigen. De kantonrechter zal dan vervolgens een dag en uur voor een getuigenverhoor bepalen. Partijen moeten bij de getuigenverhoren in persoon [bij rechtspersoon: rechtsgeldig vertegenwoordigd] aanwezig zijn. Indien een partij zonder gegronde reden niet verschijnt, kan dit nadelige gevolgen voor die partij hebben. De kantonrechter verwacht dat het verhoor per getuige , maximaal 90 minuten zal duren. Als SNCU verwacht dat het verhoor van een getuige langer zal duren dan de hiervoor vermelde duur, kan dat in de te nemen akte worden vermeld.

5 De beslissing

De kantonrechter:

laat SNCU toe om te bewijzen dat [gedaagde] voor een bedrag van € 165.401,00 verzuimd heeft aan zijn loonbetalingsverplichting te voldoen;

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 20 januari 2016 teneinde SNCU in de gelegenheid te stellen bij akte aan te geven op welke wijze zij bewijs wil leveren;

bepaalt dat, indien SNCU (mede) bewijs wil leveren door middel van schriftelijke bewijsstukken, zij die stukken op die rolzitting in het geding moet brengen;

bepaalt dat, indien SNCU bewijs wil leveren door middel van het horen van getuigen, zij op die rolzitting:

- de namen en woonplaatsen van de getuigen dient op te geven;

- moet opgeven op welke dagen alle partijen, hun (eventuele) advocaten/gemachtigden en de getuigen in de drie maanden nadien verhinderd zijn; zij dient bij die opgave ten minste vijftien dagdelen vrij te laten waarop het getuigenverhoor zou kunnen plaatsvinden;

bepaalt dat:

- voor het opgeven van verhinderdata geen uitstel zal worden verleend;

- indien partijen geen gebruik maakt van de mogelijkheid om verhinderdata op te geven de rechter eenzijdig een datum zal bepalen waarvan dan in beginsel geen wijziging meer mogelijk is;

- het getuigenverhoor zal kunnen worden bepaald op een niet daarvoor opgegeven dagdeel, indien bij de opgave minder dan het hiervoor verzochte aantal dagdelen zijn vrijgelaten;

bepaalt dat de datum van het getuigenverhoor in beginsel niet zal worden gewijzigd nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2015.