Arbeidsrecht

Nakoming vaststellingsovereenkomst betaling achterstallig salaris wettelijke verhoging.

Rechtbank Midden-Nederland, 16 augustus 2023

Zaakgegevens

Op 16 augustus 2023 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Almere
Datum uitspraak
16 augustus 2023
Datum publicatie
15 augustus 2023
Zaaknummer
10612684 / MV EXPL 23-91 D/1403 van
Rechtsgebied
Civiel recht Arbeidsrecht
Procedure
Kort geding
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2023:4253
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Nakoming vaststellingsovereenkomst betaling achterstallig salaris wettelijke verhoging.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Vonnis in kort geding van 16 augustus 2023

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 10612684 / MV EXPL 23-91 D/1403 van

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser,

hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde mr. E. Smit,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 21 juli 2023

  • de mondelinge behandeling van 1 augustus 2023, gehouden te Lelystad.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil en de beoordeling daarvan

2.1.

[eiser] is op 1 juli 2022 in dienst getreden van [gedaagde] , in de functie van sportinstructeur, op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (tot 31 januari 2024), tegen een salaris van € 2.657,00 (bruto) per maand, inclusief vakantiegeld.

2.2.

Partijen hebben afspraken gemaakt over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 juni 2023. Deze afspraken zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst.

2.3.

In de vaststellingsovereenkomst is, onder meer, opgenomen dat de eindafrekening – van in totaal € 4.240,56 (bruto) – binnen vier weken na de einddatum van de arbeidsovereenkomst zal worden betaald en dat aan [eiser] over de periode maart tot en met mei 2023 loonstroken zullen worden verstrekt. [gedaagde] heeft niet (volledig) aan alle afspraken voldaan.

2.4.

Bij dagvaarding heeft [eiser] daarom gevorderd: (1) de betaling van het overeengekomen bedrag van € 4.240,56 (bruto), (2) de wettelijke verhoging over dit bedrag op grond van artikel 7:625 BW, gemaximeerd tot 50%, (3) de wettelijke rente over de hiervoor bedoelde bedragen, (4) dat [gedaagde] nieuwe, deugdelijke en juiste salarisspecificaties over de maanden maart, april en mei 2023 zal verstrekken, alsmede om – onder afgifte van bewijs daarvan – aan de belastingdienst de juiste uitbetaalde bedragen op te geven, op straffe van een dwangsom, en (e) een veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

2.5.

Hoewel [gedaagde] goed is opgeroepen, is zij niet verschenen op de mondelinge behandeling. Ook heeft zij geen schriftelijk verweer gevoerd. [gedaagde] heeft dus verstek laten gaan. De kantonrechter moet daarom alleen toetsen of [eiser] een spoedeisend belang bij zijn vorderingen heeft en of de vorderingen van [eiser] onrechtmatig of ongegrond voorkomen.

2.6.

Ten tijde van de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [eiser] een betalingsbewijs overgelegd, waaruit blijkt van een betaling aan [eiser] door [gedaagde] van een bedrag van € 3.790,44 (netto) op 26 juli 2023, derhalve na de betekening van de dagvaarding.

2.7.

De vorderingen van [eiser] zullen worden toegewezen, met dien verstande dat rekening zal worden gehouden met de hiervoor genoemde betaling, die [eiser] inmiddels ontvangen heeft. [eiser] heeft namelijk een spoedeisend belang bij zijn vorderingen. De gevorderde (achterstallige) loonbestanddelen heeft [eiser] nodig voor zijn levensonderhoud. Daarnaast komt het gevorderde de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor.

2.8.

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld, te meer nu [gedaagde] pas een (deel)betaling aan [gedaagde] heeft gedaan nadat de dagvaarding reeds was uitgebracht.

De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- kosten dagvaarding: € 129,14
- griffierecht: 86,00
- salaris gemachtigde: 529,00
Totaal: € 744,14

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 4.240,56 (bruto) aan (achterstallige) loonbestanddelen;

3.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 2.120,28 (bruto), aan wettelijke verhoging, op grond van artikel 7:625 BW;

3.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen, vanaf 1 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;

3.4.

bepaalt dat een bedrag van € 3.790,44 (netto) in mindering strekt op de hiervoor bedoelde bedragen;

3.5.

veroordeelt [gedaagde] om, binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis, nieuwe, deugdelijke en juiste salarisspecificaties over de maanden maart, april en mei 2023 aan [eiser] te verstrekken, alsmede om – onder afgifte van bewijs daarvan – aan de belastingdienst de juiste uitbetaalde bedragen op te geven, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag of dagdeel, dat [gedaagde] in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen, totdat een maximum van € 10.000,00 is bereikt;

3.6.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot vandaag begroot op € 744,14;

3.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2023.