Arbeidsrecht
Verstekvonnis kort geding. Werkgever moet loon en eindafrekening aan werknemer betalen.
Rechtbank Midden-Nederland, 29 september 2023
ECLI:NL:RBMNE:2023:7711 · Rechtbank Midden-Nederland · 29 september 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/civiel-recht/arbeidsrecht/kort-geding/ecli-nl-rbmne-2023-7711
Zaakgegevens
Op 29 september 2023 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 29 september 2023
- Datum publicatie
- 7 mei 2024
- Zaaknummer
- UV EXPL 23-220 NA/58602
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Arbeidsrecht
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2023:7711
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verstekvonnis kort geding. Werkgever moet loon en eindafrekening aan werknemer betalen.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Voorzieningenrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 10714551 \ UV EXPL 23-220 NA/58602
Vonnis in kort geding van 29 september 2023 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser] ,
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. A. Klaassen,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] BV,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] .
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
? de dagvaarding met producties 1 tot en met 3;
? de mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden op 28 september 2023. [gedaagde] is niet verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de mondelinge behandeling.
Hierna heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de uitspraak vandaag is.
2 Waar deze zaak over gaat
[eiser] is op 1 april 2023 bij [gedaagde] in dienst getreden voor 40 uur per week, in de functie van zelfstandig werkend kok. Het brutoloon bedraagt € 3.000,00 per maand. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van twaalf maanden, maar is in afstemming met [gedaagde] beëindigd per 16 juli 2023.
[gedaagde] heeft, ondanks meerdere sommaties, nagelaten om het loon van de maand juni 2023 en de eindafrekening (inclusief het loon tot en met 16 juli 2023) uit te betalen. Daarom vordert [eiser] samengevat:
I. betaling van € 5.474,47 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en ook te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2023, alsmede betaling van € 672,44 (exclusief btw) aan buitengerechtelijke kosten, ook te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2023;
II. afgifte van loonstroken en/of specificaties vanaf 1 april 2023 tot en met einde dienstverband, inclusief een specificatie van de eindafrekening op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag waarop [gedaagde] binnen vijf dagen na betekening van het vonnis nalatig blijft aan deze verplichting te voldoen, met een maximum van € 5.000,00;
III. betaling van de proceskosten, waaronder begrepen salaris voor de advocaat en de nakosten.
3 De beoordeling
Verstek
[gedaagde] is niet verschenen in deze procedure, hoewel zij behoorlijk is opgeroepen. Tegen [gedaagde] zal daarom verstek worden verleend.
Spoedeisend belang
In kort geding moet de voorzieningenrechter eerst beoordelen of [eiser] een voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. [eiser] heeft het spoedeisend belang bij de hoofdvordering (de loonbetaling) voldoende aannemelijk gemaakt. De nevenvorderingen zijn daarmee nauw verwant, zodat ook voor die vorderingen het spoedeisend belang wordt aangenomen.
Vorderingen I tot en met III
De vorderingen onder I en II komen de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en worden daarom toegewezen.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten. Dit betekent dat [gedaagde] de proceskosten van [eiser] aan hem moet betalen. De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden tot op heden begroot op:
- dagvaarding € 129,14
- griffierecht € 86,00
- salaris gemachtigde € 529,00
Totaal € 744,14
De gevorderde veroordeling in de nakosten is toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de manier zoals in de beslissing onder randnummer 4.4 vermeld.
4 De beslissing
De voorzieningenrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.474,47, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% als bedoeld in artikel 7:625 BW en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 23 augustus 2023 tot de dag dat het bedrag volledig betaald is;
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 672,44 (exclusief btw) aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
21 september 2023 tot het bedrag volledig betaald is;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot dit vonnis vastgesteld op € 744,14, waaronder begrepen € 529,00 aan salaris gemachtigde;
veroordeelt [gedaagde] , indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving vrijwillig volledig aan dit vonnis wordt voldaan, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op
€ 132,00 aan salaris gemachtigde;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en wordt bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 29 september 2023.