Civiel recht overig
Advocaatkosten gedeeltelijk toegewezen. Alleen noemen van een uurtarief op zichzelf niet onredelijk bezwarend
Rechtbank Midden-Nederland, 7 oktober 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6637 · Rechtbank Midden-Nederland · 7 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2026-6637
Zaakgegevens
Op 7 oktober 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2026
- Datum publicatie
- 28 september 2026
- Zaaknummer
- 12330457 UC EXPL 26-6213 EHP/1530
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:6637
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Advocaatkosten gedeeltelijk toegewezen. Alleen noemen van een uurtarief op zichzelf niet onredelijk bezwarend
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 12330457 UC EXPL 26-6213 EHP/1530
Vonnis van 7 oktober 2026
inzake
de maatschap
de advocatenmaatschap Axius Advocaten & Mediators,
gevestigd in Veenendaal,
eisende partij,
gemachtigde: mr. R.I. Lagerweij,
tegen:
[gedaagde] ,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
procederend in persoon.
1 De procedure
De eisende partij heeft de gedaagde partij op 14 juli 2026 gedagvaard. Op verzoek van de gedaagde partij heeft de kantonrechter de gedaagde partij uitstel verleend voor het geven van antwoord. De gedaagde partij heeft vervolgens niet binnen de daarvoor gegeven termijn geantwoord. Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat dit vonnis wordt gewezen.
2 De kern van de zaak
De eisende partij heeft op grond van een overeenkomst juridische bijstand verleend aan de gedaagde partij. De eisende partij wil dat de gedaagde partij haar daarvoor € 768,03 betaalt, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke incassokosten. De vorderingen van de eisende partij worden gedeeltelijk toegewezen.
3 De beoordeling
Het prijsbeding is niet onredelijk bezwarend
De vorderingen van de eisende partij zijn gebaseerd op een overeenkomst waarop consumentenbeschermende bepalingen van toepassing zijn. Die bepalingen zijn zo belangrijk dat de kantonrechter uit zichzelf (ambtshalve) moet beoordelen of de eisende partij zich daaraan heeft gehouden. Als de eisende partij dat niet heeft gedaan of als de kantonrechter onvoldoende informatie van de eisende partij krijgt om dat te kunnen beoordelen, wijst de kantonrechter in principe (een deel van) de vordering(en) af.
Dat betekent onder andere dat de kantonrechter moet onderzoeken wat partijen hebben afgesproken over de prijs die de consument moet betalen. In dit geval is in de opdrachtbevestiging een uurtarief van € 247,75 inclusief btw genoemd. Daarnaast is er een ureninschatting opgenomen voor de verwachte werkzaamheden. Daarin staat dat de eisende partij verwacht dat zij één uur in rekening zal brengen voor “Opstellen brief aan pij”. Verder hebben partijen opgenomen dat uren voor aanvullende, overige werkzaamheden “In overleg” zullen worden gemaakt en in rekening zullen worden gebracht.
Uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat een consument onvoldoende inzicht kan krijgen in de financiële consequenties van een overeenkomst als daarin alleen een uurtarief als prijs wordt genoemd. Zo een prijsbeding is onvoldoende duidelijk en begrijpelijk geformuleerd en moet door de kantonrechter vernietigd worden als het ook onredelijk bezwarend is voor de consument. De kantonrechter oordeelt dat dat hier niet het geval is, omdat het beding het evenwicht tussen partijen niet onevenredig verstoort. Het genoemde uurtarief is op zichzelf namelijk een redelijk tarief voor juridische dienstverlening door een advocaat en uit de overgelegde stukken blijkt verder niet dat de eisende partij de gedaagde partij op het verkeerde been heeft gezet over de mogelijk te rekenen kosten. Het beding kan daarom in stand blijven.
De eisende partij kon maar één uur in rekening brengen
Ondanks dat het prijsbeding in stand kan blijven, wordt een deel van de vorderingen afgewezen. Uit de opdrachtbevestiging volgt namelijk wel dat de eisende partij voor één uur aan werkzaamheden in rekening zou brengen, maar niet dat partijen daarna hebben afgesproken dat er nog meer werkzaamheden zouden worden uitgevoerd. Dat heeft de eisende partij ook niet gesteld. De kantonrechter ziet daarom geen grond voor toewijzing van een hoofdsom van meer dan € 247,75, zodat alleen dat bedrag wordt toegewezen.
De eisende partij heeft aan de informatieverplichtingen voldaan
De eisende partij heeft niet duidelijk gemaakt hoe de overeenkomst tot stand is gekomen. Uit de opdrachtbevestiging leidt de kantonrechter af dat de overeenkomst op afstand is gesloten en de eisende partij aan precontractuele informatieverplichtingen moest voldoen. Uit de stukken blijkt voldoende dat de eisende partij daaraan heeft voldaan.
De gedaagde partij moet wettelijke rente betalen
De eisende partij wil dat de gedaagde partij wettelijke rente over de hoofdsom betaalt. Bij de beoordeling van die vordering moet de kantonrechter kijken of de eisende partij (een) onredelijk bezwarend(e) rentebeding(en) in haar algemene voorwaarden heeft opgenomen. Dat is niet het geval. De wettelijke rente is op zichzelf daarom toewijsbaar vanaf 17 april 2026, zoals gevorderd. Wel moet de eisende partij de wettelijke rente herberekenen op basis van de toegewezen hoofdsom.
De gedaagde partij moet buitengerechtelijke incassokosten betalen
De eisende partij wil dat de gedaagde partij € 115,20 aan buitengerechtelijke incassokosten betaalt. Ook hierbij geldt dat de kantonrechter moet kijken of de eisende partij (een) onredelijk bezwarend(e) beding(en) over incassokosten in haar algemene voorwaarden heeft opgenomen. Ook dat is niet het geval. Daarnaast heeft de eisende partij aan de gedaagde partij een zogenaamde veertiendagenbrief gestuurd, waarmee de gedaagde partij is gewaarschuwd voor de bijkomende kosten als betaling uit zou blijven. De vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten is daarom op zichzelf toewijsbaar. Wel ziet de kantonrechter reden om het gevorderde bedrag te matigen op grond van de staffel uit het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Uit die staffel volgt dat een bedrag van € 48,40 redelijk is bij een hoofdsom van € 247,75. Dat bedrag wordt daarom toegewezen. De gevorderde wettelijke rente daarover wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.
De gedaagde partij moet de proceskosten van de eisende partij betalen
De gedaagde partij wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) veroordeeld. De gevorderde informatiekosten met betrekking tot ‘Verschotten CCBR’ worden afgewezen, omdat raadpleging van het Centraal curatele- en bewindsregister kosteloos is. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. De proceskosten van de eisende partij worden begroot op:
- dagvaarding € 127,08
- griffierecht € 139,00
- salaris gemachtigde € 87,00 (1 punt x tarief € 144,00)
- nakosten € 43,50 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 396,58
4 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij tegen bewijs van kwijting te betalen € 247,75 , vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 17 april 2026 tot de voldoening;
veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij tegen bewijs van kwijting te betalen € 48,40 aan incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juli 2026 tot de voldoening;
veroordeelt de gedaagde partij in de proceskosten van € 396,58, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, vermeerderd met:
-
de wettelijke rente als de gedaagde partij niet op tijd betaalt;
-
de kosten van betekening als de gedaagde partij niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. Nicholson, kantonrechter, en is in aanwezigheid van
de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.