Civiel recht overig

Kort geding. Begeleidings- en huurovk beëindigd vanwege vermeend seksueel grensoverschrijdend gedrag. Dat…

Rechtbank Midden-Nederland, 23 juni 2026

Zaakgegevens

Op 23 juni 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
23 juni 2026
Datum publicatie
16 juli 2026
Zaaknummer
C/16/611466 / KG ZA 26-275 VL/58599
Procedure
Kort geding
Advocaat
mr. G Grijs, mr. H.C.J. Oomen
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:4369
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kort geding. Begeleidings- en huurovk beëindigd vanwege vermeend seksueel grensoverschrijdend gedrag. Dat gedrag is niet komen vast te staan, dus gedaagde moet eiser weer woonruimte ter beschikking stellen en begeleidingsovk nakomen.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/611466 / KG ZA 26-275 VL/58599

Vonnis in kort geding van 23 juni 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonend in [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. G. Grijs,

tegen

STICHTING KWINTES,

gevestigd in Zeist,

gedaagde partij,

hierna te noemen: Kwintes,

advocaat: mr. H.C.J. Oomen.

1 De procedure

1.1

[eiser] heeft Kwintes op 26 mei 2026 gedagvaard in kort geding voor de voorzieningenrechter. Kwintes heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling schriftelijk op de dagvaarding gereageerd.

1.2

De mondelinge behandeling heeft op 9 juni 2026 plaatsgevonden. De heer [eiser] was aanwezig, bijgestaan door mr. G. Grijs. Namens Kwintes was mevrouw [A] , [functie] regio Gouda, aanwezig. Zij werd bijgestaan door mr. H.C.J. Oomen. Partijen hebben antwoord gegeven op vragen van de voorzieningenrechter en hebben hun standpunten nader toegelicht.

1.3

[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling schriftelijk zijn eis gewijzigd. Kwintes heeft tegen de eiswijziging geen formeel bezwaar gemaakt.

1.4

De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken. Tenslotte heeft de voorzieningenrechter bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.

2 De kern van de zaak

2.1

Op 8 augustus 2024 hebben partijen een begeleidingsovereenkomst gesloten. Op basis van die overeenkomst krijgt [eiser] begeleiding van Kwintes. Ook huurt [eiser] woonruimte van Kwintes waarin hij mag wonen zolang de begeleidingsovereenkomst duurt. Op 28 maart 2026 heeft Kwintes aan [eiser] een pandverbod opgelegd en op 16 april 2026 heeft Kwintes de begeleidingsovereenkomst beëindigd. Volgens Kwintes heeft [eiser] zich namelijk niet aan de begeleidingsvoorwaarden gehouden, omdat hij zich seksueel grensoverschrijdend heeft gedragen tegenover twee medebewoonsters. [eiser] ontkent dit. Hij wil dat Kwintes de begeleidingsovereenkomst nakomt en hem weer woonruimte geeft. [eiser] krijgt gelijk. Kwintes krijgt zes dagen om [eiser] woonruimte te geven.

3 De beoordeling

Het wettelijke kader in kort geding

3.1

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Daarmee wordt bedoeld dat een tijdelijke beslissing wordt gevraagd van de rechter in een zaak waarin snel moet worden ingegrepen. Voor toewijzing van een vordering in kort geding moet daarom sprake zijn van een spoedeisend belang. Daarnaast moet het zeer waarschijnlijk zijn dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen.

[eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn vorderingen

3.2

[eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn vorderingen. Op dit moment krijgt hij namelijk geen begeleiding van Kwintes, terwijl hij dit wel nodig heeft om zijn leven op orde te houden. Daarnaast verblijft hij, op kosten van de gemeente, in een hotel. Hij kan hier niet zelf koken en moet dus buiten de deur eten. Dit brengt extra kosten met zich mee.

Kwintes moet de begeleidingsovereenkomst nakomen en woonruimte beschikbaar stellen

3.3

Kwintes moet de begeleidingsovereenkomst nakomen en woonruimte aan [eiser] beschikbaar stellen, omdat het zeer aannemelijk is dat de rechter in een bodemprocedure de vordering van [eiser] zal toewijzen. Kwintes heeft namelijk onvoldoende onderbouwd dat zij de begeleidingsovereenkomst op basis van haar eigen voorwaarden mocht beëindigen.

3.4

In de brief van 16 april 2026, waarin Kwintes de begeleidingsovereenkomst beëindigt, staat dat Kwintes tot dit besluit komt op grond van artikel 6.1 onder c. en e. van de begeleidingsovereenkomst. In dit artikel staat, onder c., dat Kwintes de begeleidingsovereenkomst beëindigt als [eiser] de verplichtingen uit de begeleidingsovereenkomst niet nakomt, nadat hij eerst schriftelijk is gewaarschuwd en de gelegenheid heeft gekregen zijn gedrag aan te passen. Onder e. staat dat Kwintes de begeleidingsovereenkomst beëindigt als [eiser] zich schuldig maakt aan ernstig grensoverschrijdend gedrag tegenover medewerkers van Kwintes of andere cliënten van Kwintes.

3.5

Kwintes noemt in de brief en haar conclusie van antwoord seksueel grensoverschrijdende gedrag als reden voor de beëindiging van de begeleidingsovereenkomst. Ook het feit dat [eiser] al meerdere waarschuwingen heeft gehad vanwege onder andere verbaal en fysiek geweld en geluidsoverlast, heeft bijgedragen aan het besluit tot beëindiging van de begeleidingsovereenkomst. Maar, tijdens de mondelinge behandeling is door Kwintes duidelijk gemaakt dat, als alleen sprake was geweest van de gedragingen waarvoor [eiser] al eerder gewaarschuwd was en niet ook van seksueel grensoverschrijdend gedrag, zij de begeleidingsovereenkomst niet per direct zou hebben opgezegd. Zij zou dan met [eiser] in gesprek zijn gegaan. Beëindiging van de begeleidingsovereenkomst was dan (nog) niet aan de orde. De voorzieningenrechter stelt daarom vast dat Kwintes de begeleidingsovereenkomst heeft beëindigd vanwege vermeend seksueel grensoverschrijdende gedrag en dus op grond van artikel 6.1 onder e. van de begeleidingsovereenkomst.

3.6

Beëindiging op grond van dit artikel kan alleen als [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig grensoverschrijdend gedrag. Dat dit zo is, is door Kwintes onvoldoende onderbouwd. Kwintes heeft alleen een verklaring van haar gedragsdeskundige laten zien en die is onvoldoende. Daarin trekt de gedragsdeskundige namelijk alleen conclusies over de betrouwbaarheid van de onthullingen die twee medebewoonsters aan hun begeleiders hebben gedaan, zonder deze vermeende slachtoffers daar zelf over te spreken. Ook wordt uit de verklaring van de gedragsdeskundige niet duidelijk wat het seksueel grensoverschrijdend gedrag dat [eiser] begaan zou hebben precies is geweest. Kwintes heeft geen verklaringen van de vermeende slachtoffers zelf of aangiftes overgelegd. Ook heeft Kwintes niet duidelijk gemaakt of het gaat om een eenmalige gebeurtenis of om meerdere gebeurtenissen, op welke datum en tijd het vermeende seksueel grensoverschrijdend gedrag heeft plaatsgevonden en in welke setting dit is gebeurd. Ook is niet duidelijk wat Kwintes precies verstaat onder ‘seksueel grensoverschrijdend gedrag’. Tijdens de mondelinge behandeling is dit omschreven als het aanraken van geslachtsdelen, billen en benen, maar het is onduidelijk of dit bijvoorbeeld op of onder de kleding zou zijn gebeurd. Wat feitelijk gebeurd zou zijn, is relevant omdat voor een beëindiging van de begeleidingsovereenkomst vereist is dat [eiser] ernstig grensoverschrijdend gedrag heeft gepleegd. Dat betekent overigens niet dat aanrakingen boven de kleding niet ernstig zouden kunnen zijn.

3.7

De voorzieningenrechter begrijpt dat Kwintes de vermeende slachtoffers wil beschermen en om die reden niet zegt wie dat zijn en daarom ook weinig wil vertellen over de feitelijk aard van de beschuldigingen. Maar dit belang weegt niet zo zwaar dat [eiser] zijn woonruimte mag worden uitgezet zonder dat aan hem is verteld welke gebeurtenissen hem worden verweten en hij zich daartegen niet heeft kunnen verweren. Met name omdat [eiser] de beschuldiging(en) ontkent.

Kwintes heeft zes dagen de tijd om [eiser] woonruimte te bieden

3.8

De voorzieningenrechter wijst dus, vooruitlopend op de bodemprocedure, de vorderingen van [eiser] nu al toe. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Kwintes gezegd dat de oude woonruimte van [eiser] al verhuurd is. Daarom beslist de voorzieningenrechter dat de woonruimte die Kwintes aan [eiser] beschikbaar moet stellen ook op een andere locatie kan zijn dan waar [eiser] eerst verbleef.

3.9

[eiser] heeft geen termijn gevorderd waarbinnen Kwintes woonruimte aan [eiser] ter beschikking moet stellen. Dit zou betekenen dat Kwintes dit per direct zou moeten doen. De voorzieningenrechter begrijpt dat dat niet haalbaar is en geeft Kwintes daarom een redelijke termijn van zes dagen na de datum van dit vonnis. Als Kwintes de voormalige woonruimte weer ter beschikking stelt aan [eiser] , dan houdt dit logischerwijs ook in dat het pandverbod moet worden opgeheven, zoals [eiser] vordert nadat hij tijdens de mondelinge behandeling zijn eis heeft gewijzigd.

Kwintes moet de proceskosten betalen

3.10

Kwintes is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal Kwintes niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- griffierecht

€

93,00

- salaris advocaat

€

760,00

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.042,00

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard

3.11

De voorzieningenrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de voorzieningenrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1

veroordeelt Kwintes om binnen zes dagen na de datum van dit vonnis de begeleidingsovereenkomst na te komen en woonruimte aan [eiser] ter beschikking te stellen, al dan niet op een andere locatie dan zijn voormalige woonruimte bij Kwintes,

4.2

gebiedt Kwintes, als zij er voor kiest om de voormalige woonruimte van [eiser] weer aan hem beschikbaar te stellen, het pandverbod voor de locaties [adres 1] , [postcode] [plaats] en locatie [adres 2] , [postcode] [plaats] , op te heffen,

4.3

veroordeelt Kwintes in de proceskosten van € 1.042,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als Kwintes niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.4

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.5

wijst al het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.P. Stapel en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.

In een conclusie van antwoord. In een bodemprocedure neemt een rechter definitievere beslissingen, terwijl in een kort geding alleen een voorlopige voorziening wordt gegeven. Een bodemprocedure is daarom een uitgebreidere rechtszaak dan een kortgedingprocedure en duurt daardoor ook langer dan een kort geding.