Insolventierecht

Insolventie, Voorlopige voorziening, opschorten loonbeslag, verzoek afgewezen.

Rechtbank Midden-Nederland, 14 juli 2026

Zaakgegevens

Op 14 juli 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
14 juli 2026
Datum publicatie
18 augustus 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2615394:R-RK
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:5664
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Insolventie, Voorlopige voorziening, opschorten loonbeslag, verzoek afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Team Insolventie

Zittingsplaats Utrecht

Rekestnummer: NL:TZ:2615394:R-RK

Uitspraakdatum: 14 juli 2026

Uitspraak op grond van artikel 287 lid 4 Faillissementswet (Fw).

op verzoek van

[verzoeker] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: [verzoeker] ,

tegen

[belanghebbende 1] ,

wonende te [plaats] ,

gemachtigde: mr. van Delft,

hierna te noemen: [belanghebbende 1] ,

[belanghebbende 2] ,

wonende te [plaats] ,

gemachtigde: mr. van Delft,

hierna te noemen: [belanghebbende 2] .

1 De procedure

1.1

De procedure bestaat uit:

- het verzoek voorlopige voorziening op grond van artikel 287 lid 4 Fw inclusief bijlagen, ingediend samen met een verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling;

- de zitting van dinsdag 30 juni 2026, waarbij aanwezig waren:

- [verzoeker] ;

- [naam] , namens Stichting Stadsring;

- [belanghebbende 1] ;

- [belanghebbende 2] ;

1.2

De uitspraak is bepaald op vandaag.

2 Het verzoek en verweer

2.1

[verzoeker] heeft de rechtbank verzocht om te gebieden het loonbeslag op te schorten, totdat op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is beslist.

2.2

[verzoeker] voert hiertoe aan dat het vrij te laten bedrag (vtlb) hoger ligt dan de beslagvrije voet. Hierdoor kan hij met de beslaglegging niet rondkomen van het inkomen dat hij overhoudt. Hij komt nu € 65,01 te kort.

2.3

[belanghebbende 2] en [belanghebbende 1] stellen zich op het standpunt dat het verzoek van [verzoeker] dient te worden afgewezen. Zij hebben aangevoerd dat er executoriaal beslag is gelegd ingevolge de proceskosten veroordeling van [verzoeker] door het Hof Arnhem/Leeuwarden in het arrest van 10 februari 2026. Zij voeren voorts aan dat er, met inachtneming van de beslagvrije voet, terecht en juist beslag is gelegd.

3 De beoordeling

3.1

De rechtbank wijst het verzoek af. De rechtbank overweegt dat sprake is van executoriaal beslag waarbij rekening is gehouden met de beslagvrije voet. [verzoeker] komt een (klein) bedrag te kort op zijn maandbudget. Gelet op de aard van de in het maandbudget opgenomen uitgaven, is de rechtbank evenwel van oordeel dat hij dit zelf kan oplossen door zijn budget (tijdelijk) anders in te delen.

3.2

De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] door het beslag niet in een noodsituatie komt te verkeren.

3.3

De behandeling van het schuldsaneringsverzoek zal plaatsvinden op een nader te bepalen datum.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1

wijst het verzoek af;

4.2

bepaalt dat de behandeling van het schuldsaneringsverzoek zal plaatsvinden op een nader te bepalen datum.

Dit is de beslissing van mr. P.M.E. Bernini, rechter, in samenwerking met R.A. Oelen, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.

Hoger beroep Tegen deze uitspraak kan verzoek(st)er en door de in de procedure verschenen belanghebbenden hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden bij het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen, te rekenen van de dag van de uitspraak en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.