Insolventierecht
WHOA. Ambtshalve opheffing afkoelingsperiode nu verzoeker de gevraagde bescheiden niet heeft overgelegd. (ZIE…
Rechtbank Midden-Nederland, 24 mei 2023
ECLI:NL:RBMNE:2023:3355 · Rechtbank Midden-Nederland · 24 mei 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/civiel-recht/insolventierecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbmne-2023-3355
Zaakgegevens
Op 24 mei 2023 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 24 mei 2023
- Datum publicatie
- 5 juli 2023
- Zaaknummer
- FT HO 23/281
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. M.D.B. Stap.
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2023:3355
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
WHOA. Ambtshalve opheffing afkoelingsperiode nu verzoeker de gevraagde bescheiden niet heeft overgelegd. (ZIE OOK: ECLI:NL:RBMNE:2023:2561)
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]beschikking
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling Toezicht
locatie Utrecht
zaaknummer: FT HO 23/281
uitspraakdatum: 24 mei 2023
Beschikking tot opheffing afkoelingsperiode in de besloten akkoordprocedure van:
de besloten vennootschap
[verzoekster] B.V.
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoekster,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
advocaat: mr. M.D.B. Stap.
1 De procedure
Het verloop van de procedure volgt uit:
- de startverklaring van 1 maart 2023,
- de beschikking van 21 april 2023.
- het emailbericht van mr. Stap van 19 mei 2023;
- het emailbericht van mr. Stap van 23 mei 2023;
- het emailbericht van [onderneming 1] B.V. van 24 mei 2023.
Bij beschikking van 21 april 2023 heeft de rechtbank een afkoelingsperiode ex artikel 376 Fw gelast voor een periode van twee maanden. Voorts heeft de rechtbank aan [verzoekster] een termijn gesteld tot uiterlijk 19 mei 2023 15.00 uur om een met stukken onderbouwde liquiditeitsprognose alsmede de behaalde resultaten tot 19 mei 2023 over te leggen aan de rechtbank. De rechtbank heeft ten slotte een tussentijdse zitting bepaald op 24 mei 2023 om te worden voorgelicht over de financiële situatie van de onderneming op dat moment. Voor deze zitting zijn ook de belanghebbenden bij het verzoek afkoelingsperiode uitgenodigd. Dit zijn Rabobank, [onderneming 1] en [onderneming 2] B.V.
Op 19 mei 2023 heeft mr. Stap namens [verzoekster] laten weten niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn de liquiditeitsprognose en de behaalde resultaten te kunnen overleggen, maar zich in te spannen om deze bescheiden voor de mondelinge behandeling op 24 mei 2023 met de rechtbank te delen.
Op 23 mei 2023 heeft mr. Stap laten weten dat het niet mogelijk is voor [verzoekster] om de gevraagde bescheiden aan te leveren, dat [verzoekster] niet zal verschijnen tijdens de zitting op 24 mei 2023 en zich refereert aan het oordeel van de rechtbank.
[onderneming 1] heeft op 23 mei 2023 laten weten dat zij niet zal verschijnen bij de zitting op 24 mei 2023.
Op 24 mei 2023 heeft een terechtzitting plaatsgevonden middels een videoverbinding. Daarbij is mevrouw mr. [A] verschenen namens [onderneming 2] B.V.
2 De beoordeling
Op grond van artikel 376 lid 10 Fw heft de rechtbank ambtshalve of op verzoek van de schuldenaar de afkoelingsperiode op als niet langer wordt voldaan aan het eerste en vierde lid van artikel 376 Fw. [verzoekster] heeft de liquiditeitsbegroting en de behaalde resultaten over de periode vanaf 13 maart 2023 tot 19 mei 2023 niet overgelegd. Daarmee is niet voldaan aan het door de rechtbank in de beschikking van 21 april 2023 bepaalde. Nu [verzoekster] het gevraagde niet heeft overgelegd en ook niet anderszins summierlijk van het tegendeel is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat niet langer redelijkerwijs valt aan te nemen dat de afkoelingsperiode het belang dient van de gezamenlijke schuldeisers. Daarbij speelt mede een rol dat [onderneming 2] ter zitting naar voren heeft gebracht dat ook lopende de afkoelingsperiode [verzoekster] haar verplichtingen uit de huurovereenkomst niet stipt is nagekomen. De slotsom moet zijn dat de afkoelingsperiode ambtshalve wordt opgeheven, omdat niet meer is voldaan aan het vierde lid van artikel 376 Fw.
3 De beslissing
De rechtbank
heft op de afkoelingsperiode, zoals gelast bij beschikking van 21 april 2023.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.G. van de Streek, mr. F. Damsteegt en mr. M.P. de Valk en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. W.F.B. van den Berg op 24 mei 2023.