Materieel strafrecht
Verdachte heeft zich over een periode van één maand schuldig gemaakt aan het verkopen van harddrugs. De…
Rechtbank Midden-Nederland, 22 oktober 2021
ECLI:NL:RBMNE:2021:6679 · Rechtbank Midden-Nederland · 22 oktober 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/strafrecht/materieel-strafrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbmne-2021-6679
Zaakgegevens
Op 22 oktober 2021 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Lelystad
- Datum uitspraak
- 22 oktober 2021
- Datum publicatie
- 7 april 2022
- Zaaknummer
- 16.301889.20 (P)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2021:6679
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verdachte heeft zich over een periode van één maand schuldig gemaakt aan het verkopen van harddrugs. De rechtbank legt verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 180 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 141 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren een taakstraf van 60 uren.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16.301889.20 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 22 oktober 2021
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [2001] te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verdachte.
1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 oktober 2021.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. J. Beumer-Gongrijp en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. I. Stas, advocaat te Almere, naar voren hebben gebracht.
2 TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er op neer dat verdachte:
in de periode van 20 juli 2020 tot en met 30 oktober 2020 in Lelystad, samen met een ander, cocaïne en/of heroïne heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd.
3 VOORVRAGEN
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4 WAARDERING VAN HET BEWIJS
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en ten aanzien van de tenlastegelegde periode aangegeven dat deze ingekort dient te worden tot een periode van twee weken in de maand oktober 2020.
Het oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen ten aanzien van het tenlastegelegde
Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het feit bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. Er is uitsluitend verweer gevoerd met betrekking tot de (duur van de) pleegperiode. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen en een bewijsoverweging met betrekking tot de pleegperiode:
-
een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van 1 november 2020, genummerd PL0900-2020235121-40, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , [.] van politie Eenheid Midden-Nederland, inhoudende het verhoor van getuige [getuige 1] (pagina’s 520 tot en met 522);
-
een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van 3 december 2020, genummerd PL0900-2020235121-71, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , [.] van politie Eenheid Midden-Nederland, inhoudende het verhoor van getuige [getuige 2] (pagina’s 533 tot en met 535);
-
de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 8 oktober 2021.
Dealperiode [verdachte]
Op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan de handel in harddrugs. Voor wat betreft de periode merkt de rechtbank op dat uit het dossier kan worden afgeleid dat verdachte inderdaad in de tenlastegelegde periode heeft gedeald, maar dat de door verdachte gepleegde handelingen niet die gehele periode hebben geduurd. Getuige [getuige 2] heeft aangegeven dat hij zes weken voordat het telefoonnummer [telefoonnummer] uit de lucht ging, begon met het kopen van drugs via het genoemde nummer bij de medeverdachte en een paar weken later bij verdachte. De rechtbank acht het op grond van die getuigenverklaring aannemelijk dat veroordeelde in de gehele maand oktober 2020 heeft gedeald. Dit betreft een periode van 30 dagen.
De rechtbank zal daarmee bij de bepaling van de op te leggen straf rekening houden.
5 BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
in de periode van 20 juli 2020 tot en met 30 oktober 2020 te
Lelystad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal
bevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne (telkens) een
middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8 OPLEGGING VAN STRAF
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte te veroordelen tot:
- een gevangenisstraf van 180 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 141 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde: een contactverbod met medeverdachte [medeverdachte] ;
- een taakstraf van 100 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 50 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht verdachte een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van de voorlopige hechtenis met daaraan gekoppeld een voorwaardelijke gevangenisstraf met algemene voorwaarden. Reclasseringstoezicht heeft voor verdachte geen meerwaarde meer. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht verdachte een taakstraf op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
De aard en de ernst van het feit
Verdachte heeft zich ten behoeve van eigen financieel gewin gedurende een maand schuldig gemaakt aan het verkopen van harddrugs. Het gebruik van verdovende middelen is schadelijk voor de volksgezondheid, omdat deze stoffen sterk verslavend zijn en regelmatig gebruik schadelijke lichamelijke, psychische en sociale gevolgen met zich brengt. Daarnaast is de handel en het gebruik van verdovende middelen de oorzaak van vele vormen van zware criminaliteit.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van een op naam van verdachte gesteld Uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 6 oktober 2021. Uit dat uittreksel volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.
De rechtbank heeft tevens kennis genomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van 22 juni 2021. Hieruit volgt dat de reclassering zorgen heeft over de financiële situatie van verdachte. Dit leefgebied is tevens delictgerelateerd. Daarnaast zijn er vraagtekens omtrent het sociale netwerk van verdachte. Bij een veroordeling dient een langere proeftijd met algemene voorwaarden opgelegd te worden, om als ‘stok achter de deur’ te dienen. Daarnaast adviseert de reclassering een contactverbod met de medeverdachte.
De straf
De rechtbank zal rekening houden met de omstandigheid dat uit het dossier kan worden afgeleid dat verdachte een kortere periode in harddrugs heeft gehandeld dan is tenlastegelegd en bewezenverklaard.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 141 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 60 uren passend en geboden. Anders dan door de officier van justitie gevorderd, acht de rechtbank naast de algemene voorwaarden geen bijzondere voorwaarden noodzakelijk ter voorkoming van herhaling.
Voorlopige hechtenis
Aan verdachte is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd die gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Gelet hierop zal de rechtbank het geschorste bevel voorlopige hechtenis opheffen.
9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
De beslissing berust op de artikelen
-
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en
-
2 en 10 van de Opiumwet;
zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
10 BESLISSING
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
- verklaart verdachte strafbaar;
Oplegging straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 180 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 141 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 60 uren;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 30 dagen hechtenis;
Voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Ludwig, voorzitter, mrs. J. Wiersma en mr. R.P.P. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. C.N. Aalders en J.M. Tason Avila, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 oktober 2021.
mrs. Wiersma, Aalders en Tason Avila zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 20 juli 2020 tot en met 30 oktober 2020 te
Lelystad, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt
en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal
bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een
middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen
krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.