Strafrecht overig
Veroordeling voor handelen in strijd met artikel 3 onder B van de Opiumwet.
Rechtbank Midden-Nederland, 6 september 2013
ECLI:NL:RBMNE:2013:4843 · Rechtbank Midden-Nederland · 6 september 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbmne-2013-4843
Zaakgegevens
Op 6 september 2013 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 6 september 2013
- Datum publicatie
- 10 oktober 2013
- Zaaknummer
- 16-650260-12
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2013:4843
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor handelen in strijd met artikel 3 onder B van de Opiumwet.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht
Parketnummer: 16/650260-12 (P)
vonnis van de meervoudige strafkamer van 6 september 2013
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren [geboortedatum] te[geboorteplaats],
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres
[adres 1], [postcode] [woonplaats].
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 augustus 2013.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de advocaat, mr. J.C. Hesen, naar voren hebben gebracht.
2 Tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
In de periode van 1 juli 2010 tot en met 30 mei 2011 samen met anderen hennep heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad.
3 Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4 Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen te verklaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft opgemerkt dat het medeplegen van bewerken van hennep wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, mede gelet op de bekennende verklaring van verdachte.
Het oordeel van de rechtbank
Aangezien verdachte deze feiten heeft bekend en de raadsman niet tot vrijspraak heeft gepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door[verbalisant 1] en [verbalisant 2];
- het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door[verbalisant 3], betreffende het onderzoek naar de plantensoort;
- het proces-verbaal van relaas, opgemaakt door[verbalisant 3], betreffende de alinea “indicatoren professionaliteit”;
- de bekennende verklaring van verdachte.
5 Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
in de periode van 01 juli 2010 tot en met 30 mei 2011 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft geteeld en bewerkt en verwerkt in een perceel gelegen aan de [adres 2] een groot aantal hennepplanten en delen
daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal
bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende
lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, terwijl het feit telkens betrekking heeft op een grote hoeveelheid van voormeld middel.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6 De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als
Medeplegen van opzettelijk handelen met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7 De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8 Motivering van de straffen en maatregelen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een werkstraf voor de duur van 160 uren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht een geheel voorwaardelijke straf op te leggen, gelet op de ouderdom van de zaak, de omstandigheden waaronder verdachte tot zijn daden is gekomen en zijn persoon.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich samen met anderen gedurende een ruime periode schuldig gemaakt aan het telen, bewerken en verwerken van hennep in een professionele hennepkwekerij waarin ruim 1400 hennepplanten stonden. Door deze werkzaamheden heeft verdachte een aandeel geleverd in de handel in softdrugs. Het is een feit van algemene bekendheid dat met deze handel in softdrugs aanzienlijke financiële belangen zijn gemoeid en grote winsten worden behaald en dat deze niet zelden hand in hand gaan met geweld, bedreigingen en ripdeals. Aan dergelijke handel medewerking verlenen, op welke wijze dan ook, is laakbaar en kan verdachte worden verweten.
Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 14 augustus 2011.
Bij een dergelijk feit past in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Omdat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld en zich meewerkend heeft opgesteld, zal de rechtbank echter geen onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf opleggen.
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met het relatief geringe aandeel van verdachte, namelijk het knippen van de hennepplanten alsmede het af en toe geven van water. De rechtbank houdt daarnaast rekening met het overschrijden van de redelijke termijn. De rechtbank zal daarom een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.
De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat een werkstraf voor de duur van 100 uren passend en geboden is en zal deze straf dan ook aan verdachte opleggen.
9 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen
10 Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Medeplegen van opzettelijk handelen met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 100 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A.T. Engbers, voorzitter, mr. E.A.A. van Kalveen en mr. P.P.C.M. Waarts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 september 2013.
BIJLAGE: De tenlastelegging
Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat
hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2010 tot en met 30 mei 2011 te
Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
(telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt
en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een perceel
gelegen aan de [adres 2])
(telkens) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 20,30 gram hennep(toppen)
en/of ongeveer 1402, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen
daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal
bevattende hennep,
zijnde (telkens) hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende
lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die
wet, terwijl het feit (telkens) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van
voormeld middel;
art 11 lid 5 Opiumwet
art 3 ahf/ond B Opiumwet
art 3 ahf/ond C Opiumwet
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
art 11 lid 2 Opiumwet