Strafrecht overig

Rechtbank acht het niet meer opportuun om de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke…

Rechtbank Midden-Nederland, 21 augustus 2019

Zaakgegevens

Op 21 augustus 2019 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Lelystad
Datum uitspraak
21 augustus 2019
Datum publicatie
20 april 2020
Zaaknummer
16/659940-16
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2019:6566
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Rechtbank acht het niet meer opportuun om de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling nogmaals inhoudelijk te behandelen en, indien gegrond, nogmaals toe te wijzen. N-O verweer ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer : 16/659940-16

Datum : 21 augustus 2019

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling in de zaak van

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,

(hierna te noemen: veroordeelde).

PROCESVERLOOP

op 3 juli 2019 heeft de rechtbank een vordering ontvangen van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van een bij vonnis van 28 februari 2017 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2019, waarbij zijn gehoord de officier van justitie, mr. M. Kamper, en de raadsvrouw van veroordeelde
mr. P.A.Th Lemmers, advocaat te Amsterdam.

De veroordeelde is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

OVERWEEGT

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 28 februari 2017 voorwaardelijk aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf van twee maanden. Daartoe heeft zij aangevoerd dat een eerder gedane vordering tot tenuitvoerlegging van voornoemde gevangenisstraf reeds is toegewezen in het vonnis van de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Midden-Nederland van 13 november 2018. Het tegen laatstgenoemd vonnis ingestelde hoger beroep is op 21 augustus 2019, kort voor de zitting, ingetrokken en daarmee is het vonnis en de beslissing over de onderliggende vordering tenuitvoerlegging onherroepelijk geworden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij voornoemde schriftelijke vordering de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van 28 februari 2017 voorwaardelijk aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf van twee maanden, omdat veroordeelde zich niet heeft gehouden aan de hem bij dat vonnis opgelegde bijzondere voorwaarden.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting verzocht het standpunt van de verdediging te volgen en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering tot tenuitvoerlegging van voornoemde voorwaardelijke gevangenisstraf.

Het oordeel van de rechtbank

Ten tijde van het aanbrengen van de vordering liep het hoger beroep nog tegen het vonnis van 13 november 2018. Het Openbaar Ministerie is daarmee ontvankelijk in haar vordering tot tenuitvoerlegging. Gelet op de omstandigheid dat de raadsvrouw op de dag van onderhavige terechtzitting het hoger beroep heeft ingetrokken en het vonnis van 13 november 2018 daarmee onherroepelijk is geworden, acht de rechtbank het niet meer opportuun om de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling nogmaals inhoudelijk te behandelen en, indien gegrond, nogmaals toe te wijzen. De rechtbank is van oordeel dat de vordering om die reden moet worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst af de vordering van 6 juni 2019 van de officier van justitie strekkende tot tenuitvoerlegging van de door de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 28 februari 2017 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Aldus gegeven door mr. N.V.M. Gehlen, voorzitter, mr. H.J. Bos en mr. M. Ferschtman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.A.L. van Dreumel, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 augustus 2019.

De officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland brengt vorenstaande beslissing ter kennis van de aan ommezijde vermelde persoon, alsmede ter kennis van mr. P.A.Th Lemmers, advocaat te Amsterdam, belast met het verlenen van bijstand.

,

De officier van justitie,