Strafrecht overig

De rechtbank veroordeelt de verdachte voor mishandeling en wederspannigheid. De rechtbank verwerpt het beroep…

Rechtbank Midden-Nederland, 3 maart 2026

Zaakgegevens

Op 3 maart 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
3 maart 2026
Datum publicatie
19 augustus 2026
Zaaknummer
16-033600-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:5687
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt de verdachte voor mishandeling en wederspannigheid. De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer dan wel noodweerexces (ten aanzien van de mishandeling). De verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 60 uren met aftrek van voorarrest. De rechtbank neemt beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en de vorderingen tot tenuitvoerlegging.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16/033600-25; 16/085940-23 (vord. tul); 16/163871-24 (vord. tul)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 3 maart 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [1983] in [geboorteplaats] ,

wonende op het adres [adres] , [postcode] in [woonplaats] ,

hierna: de verdachte.

1 Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van

17 februari 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

  • de verdachte;

  • de officier van justitie: mr. L.E. van Zijl;

  • de advocaat van de verdachte: mr. Y. Finani (hierna: de advocaat).

2 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

feit 1

op 27 januari 2025 in Utrecht [slachtoffer 1] heeft mishandeld;

feit 2

op 27 januari 2025 in Utrecht zich met geweld heeft verzet tegen de aanhouding door meerdere politieagenten;

feit 3

op 29 augustus 2024 in Utrecht [slachtoffer 2] heeft mishandeld.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 3.

De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken of te ontslaan van alle rechtsvervolging ten aanzien van feit 1 en vrij te spreken van feit 3.

De verweren van de advocaat worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.

De advocaat voert geen verweer over het bewijs ten aanzien van feit 2.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Vrijspraak feit 3

De rechtbank oordeelt dat feit 3 niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken.

De officier van justitie en de verdediging komen tot dezelfde conclusie, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.

3.3.2.

Bewijsmiddelen feiten 1 en 2

De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 en 2 zijn bewezen. De rechtbank baseert het oordeel op de volgende bewijsmiddelen:

Ten aanzien van feit 1

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 27 januari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik was op 27 januari 2025 bij de [supermarkt] , gevestigd op de [straat] [nummer] te [plaats] . Ik wilde wegfietsen en toen ik mij omdraaide zag ik dat [verdachte (voornaam)] (rechtbank: de verdachte) voor mij stond. Ik zag dat [verdachte (voornaam)] op ongeveer dertig centimeter afstand stond. Ik had mijn fiets tussen [verdachte (voornaam)] en mij staan. Ik voelde mij bedreigd doordat [verdachte (voornaam)] zo dicht op mij stond. Ik probeerde [verdachte (voornaam)] met mijn rechterhand van mij af te duwen. Ik raakte [verdachte (voornaam)] met mijn vlakke rechterhand in zijn nek of op zijn borst. Ik zag dat [verdachte (voornaam)] zijn jas uittrok en op mij af liep. Hierop voelde ik dat ik door [verdachte (voornaam)] naar beneden getrokken werd. Ik zag dat hij zijn knie naar achter bewoog en ik voelde dat zijn knie met een harde vaart tegen mijn rechteroog kwam. Ik voelde direct een stekende pijn aan mijn rechteroog. Ik stond op en zag dat [verdachte (voornaam)] met zijn linkerbeen naar achter zwaaide en met een forse vaart tegen mijn rechterscheenbeen aan schopte. Ik voelde direct een stevige pijn. Toen zag ik dat er een man tussenkwam. Door de stress kan ik mij niet goed herinneren hoeveel klappen en trappen ik gekregen heb.

- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 27 januari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 27 januari 2025 liep ik de [supermarkt] uit op de [straat] in [wijk] te [plaats] . Ik zag dat er een vechtpartij gaande was tussen twee personen. Ik zag dat een persoon een groene jas (rechtbank: de aangever) droeg. Ik zag dat de andere persoon een zwarte jas (rechtbank: de verdachte) droeg. Ik zag dat het geweld met name bij de man met de zwarte jas vandaan kwam. Ik zag dat de man met de zwarte jas meermaals met kracht een slaande beweging maakte in de richting van de man met de groene jas. Ik zag dat de man met zwarte jas dit met een gebalde vuist deed. Ik zag dat de man met de groene jas op zijn hoofd geraakt werd door deze klappen. Ik zag dat dit circa drie keer gebeuren. Ik zag dat de man

met de groene jas op een gegeven moment op de grond terecht kwam door de worsteling. Ik zag dat toen ik beide uit elkaar haalde dat de man met de zwarte jas ook nog een trappende beweging maken naar de man met de groene jas. Ik zag dat de man met de groene jas licht geraakt werd.

- de verklaring van de verdachte op de zitting van 17 februari 2026:

Ik kwam op 27 januari 2025 buiten bij de [supermarkt] in [wijk] [slachtoffer 1] tegen. Wij liepen toevallig tegen elkaar aan. Hij gaf mij een klap. Ik heb mijn jas uitgetrokken, omdat ik niet wilde dat mijn jas stuk zou gaan. Toen is er een vechtpartij ontstaan.

Ten aanzien van feit 2

De verdachte bekent dat hij feit 2, namelijk de wederspannigheid, heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Namens hem is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [B] en [C] van 27 januari 2025;

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [A] en [D] van 27 januari 2025;

- de verklaring van de verdachte op de zitting van 17 februari 2026.

Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.

3.3.3.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1

De advocaat voert aan dat de verdachte een beroep toekomt op noodweer wat aan zijn handelen de wederrechtelijkheid ontneemt en tot gevolg moet hebben dat de verdachte wordt vrijgesproken. De aangever deelde de eerste klap uit, waardoor er sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. De verdachte kende de aangever en wist dat het niet bij deze klap zou blijven. De verdachte kon naar eigen zeggen niet weglopen en moest zich verdedigen. Gelet op het lichte letsel bij de aangever voldeed het handelen van de verdachte aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, aldus de advocaat.

Voor een geslaagd beroep op noodweer dient sprake te zijn van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van lijf of goed of een onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding, waartegen de verdachte zich noodzakelijkerwijs diende te verdedigen.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. De verdachte en de aangever kwamen elkaar buiten bij [supermarkt] tegen. Zij kwamen tegenover elkaar te staan. De aangever maakte op enig moment een slaande beweging met zijn arm tegen de verdachte. Vervolgens draaide de verdachte zich om, liep een paar meter weg en trok zijn jas uit. Daarna liepen de aangever en de verdachte op elkaar af, waarna de verdachte begon met het uitdelen van een trap en een knietje aan de aangever en een vechtpartij tussen beiden ontstond.

De rechtbank oordeelt dat de initiële klap door de aangever in de nek van de verdachte weliswaar een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf van de verdachte oplevert, maar op grond van de bewijsmiddelen en dat wat is besproken op de zitting is niet aannemelijk geworden dat de situatie op het moment dat de verdachte zelf geweldshandelingen verrichte nog zodanig was dat die gedragingen geboden en noodzakelijk waren. Op het moment dat de verdachte zich omdraaide en wegliep van de situatie om zijn jas uit te trekken, had hij zich (verder) kunnen en moeten onttrekken. Dat de aangever hem dan zou hebben gevolgd om meer geweldshandelingen te verrichten is niet aannemelijk geworden. De verdachte is na het uittrekken van zijn jas zelf naar de aangever toegelopen om geweld toe te passen en dat was geen noodzakelijke verdedigingshandeling. De rechtbank verwerpt daarom het beroep op noodweer.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

feit 1
op 27 januari 2025 te [plaats] [slachtoffer 1] heeft mishandeld door
- die [slachtoffer 1] een knietje te geven tegen het hoofd;
- die [slachtoffer 1] meerdere malen, tegen het hoofd en tegen het lichaam te schoppen;
- die [slachtoffer 1] meerdere malen, tegen het hoofd en tegen het lichaam te slaan;

feit 2
op 27 januari 2025 te [plaats] , zich met geweld en bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meer ambtenaren,
- [A] , hoofdagent bij de Eenheid Midden-Nederland, en
- [B] , aspirant bij de Eenheid Midden-Nederland, en
- [C] , agent bij de Eenheid Midden-Nederland,
werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte door
- een gevechtshouding aan te nemen en
- dreigend aan voornoemde ambtenaren de woorden toe te voegen dat hij, verdachte, zich zou verzetten tegen zijn aanhouding en
- dreigend op voornoemde ambtenaren af te lopen en
- te slaan in de richting van voornoemde ambtenaren.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

feit 1

mishandeling;

feit 2

wederspannigheid.

4.2.

Strafbaarheid feiten en de verdachte

De advocaat stelt zich op het subsidiaire standpunt dat de verdachte voor feit 1 dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem voor dat feit een beroep op noodweerexces toekomt. De verdachte ervaarde emotie en angst en handelde in een hevige gemoedsbeweging.

De rechtbank oordeelt dat er geen noodweersituatie was zodat ook het beroep op noodweerexces faalt en het verweer wordt verworpen.

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5 Straf en/of maatregel

5.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur, te vervangen door 30 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat voert aan dat een taakstraf passend is, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de reclasseringsrapportage. Omdat de verdachte alleen veroordeeld kan worden voor feit 2, dient de taakstraf lager te zijn dan de eis van de officier van justitie.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich ten eerste schuldig gemaakt aan mishandeling, door het slachtoffer een knietje tegen het hoofd te geven, te schoppen en te slaan. Door aldus te handelen heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem pijn en letsel toegebracht.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid, door zich met geweld en bedreiging met geweld tegen de politieagenten te verzetten toen zij hem wilden aanhouden. Hij heeft dreigende taal geuit, een gevechtshouding aangenomen en slaande bewegingen richting de politieagenten gemaakt. Dit handelen van de verdachte getuigt van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag en voor het publieke belang dat door politieagenten wordt gediend. Politieagenten moeten ongehinderd hun werk kunnen doen.

De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van de verdachte van

9 januari 2026, waaruit blijkt dat hij eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld, te weten wederspannigheid. De verdachte liep voorts in twee proeftijden van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen. De eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw de fout in te gaan. Dat weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van [instelling 1] van 3 februari 2026 (hierna: het reclasseringsadvies). Uit dit advies volgt dat het risico op recidive en het risico op letsel worden ingeschat als hoog. De reclassering ziet het sociaal netwerk, psychosociaal functioneren en de houding van de verdachte als delictgerelateerd. Er is reeds sprake van een lopend reclasseringstoezicht met bijzondere voorwaarden, opgelegd in een andere strafzaak. Een belangrijk onderdeel daarvan is ambulante behandeling, die mede door de opstelling van de verdachte nog onvoldoende van de grond is gekomen. De reclassering vindt dat de verdachte weinig intrinsiek gemotiveerd lijkt te zijn en het ontbreekt de verdachte aan een zinvolle dagbesteding. De reclassering adviseert in de onderhavige strafzaak tot het opleggen van een taakstraf zonder bijzondere voorwaarden. Een (deels) voorwaardelijke straf met de algemene voorwaarde zou kunnen dienen als extra stok achter de deur voor de verdachte om niet te recidiveren. Een gevangenisstraf wordt niet wenselijk geacht omdat dit de noodzakelijk behandeling zou doorkruisen.

Verder houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze naar voren zijn gekomen op de zitting. De verdachte heeft verklaard dat de behandeling bij [instelling 2] met vallen en opstaan gaat. De behandeling met zijn vaste behandelaar was gestopt, maar de verdachte heeft nu een nieuwe behandelaar. Hij vindt het fijn om af en toe met iemand te praten. Hij is bereid een taakstraf uit te voeren.

Strafkader

Bij het bepalen van de strafmodaliteit en de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Dat de vechtpartij plaatsvond op klaarlichte dag en in aanwezigheid van veel omstanders, weegt strafverzwarend. De rechtbank weegt in het voordeel van de verdachte mee dat aangever [slachtoffer 1] de verdachte eerste heeft geslagen.

De dreigende houding en verzetshandelingen van de verdachte tegen de politieambtenaren rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan. Wederspannigheid is een ernstig feit: het ondermijnt de positie van politieambtenaren en bedreigt hun veiligheid. Daarbij vindt de rechtbank het bijzonder kwalijk dat de verdachte op de zitting aangeeft dat hij er geen spijt van heeft en dat hij zich niets aantrekt van het gezag van de politie. Ook dat weegt in strafverzwarende zin mee.

Alles afwegende, en met het oog op de beslissingen op de twee vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen, legt de rechtbank aan de verdachte een taakstaf op voor de duur van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert. Gelet op de ernst van de feiten en om te voorkomen dat de verdachte zich in de toekomst opnieuw schuldig maakt aan het plegen van (gewelds)delicten, wordt daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken opgelegd, met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie en het standpunt van de verdediging, omdat de rechtbank oordeelt dat de ernst van de feiten niet voldoende tot uitdrukking komt in de eis en de rechtbank tot een bewezenverklaring van meer feiten komt dan de verdediging.

6 Vordering benadeelde partij

6.1

Vordering van de benadeelde partijen

[slachtoffer 1] – feit 1

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een immateriële schadevergoeding van € 700,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, en om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

[slachtoffer 2] – feit 3

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 3.200,00, bestaande uit € 800,00 aan materiële schade (kosten telefoon) en € 2.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, en om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

6.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van [slachtoffer 1] gedeeltelijk kan worden toegewezen tot een bedrag van € 350,00, gelet op het eigen aandeel van die [slachtoffer 1] en de bedragen die worden toegewezen in soortgelijke zaken. De officier van justitie verzoekt de rechtbank om het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] verzoekt de officier van justitie om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, gelet op de verzochte vrijspraak van feit 3.

6.3.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt primair de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraken voor beide feiten. Subsidiair stelt de advocaat zich op het standpunt dat ten aanzien van beide benadeelde partijen de hoogte van de immateriële schade dient te worden gematigd en dat ten aanzien van de materiële schade van benadeelde [slachtoffer 2] geen verband bestaat met de beschuldiging.

6.4.

Oordeel van de rechtbank

[slachtoffer 1] – feit 1

Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat op basis van de politiefoto’s in het dossier voldoende vast dat de benadeelde partij aangezichtsletsel bij en onder zijn rechteroog heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde geweld. Gelet op dat letsel is aannemelijk dat de benadeelde partij, zoals hij zelf stelt, met zijn rechteroog enkele weken minder goed heeft kunnen zien. Dat de verdachte de benadeelde partij tegen zijn been heeft geschopt blijkt uit de beelden. Dat de benadeelde partij daardoor pijn leed, zoals hij zelf zegt in de aangifte, is zonder meer aannemelijk.

Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding voor aangezichtsletsel met tijdelijk verminderd zicht en pijn enerzijds en de eigen schuld van de benadeelde aan het ontstaan van de vechtpartij anderzijds, oordeelt de rechtbank dat een vergoeding van € 300,00 billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank wijst het meer gevorderde af.

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 27 januari 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot dit moment begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 300,00 aan de Staat moet betalen.

Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2025 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 3 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

[slachtoffer 2] – feit 3

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het aan hem ten laste gelegde onder feit 3. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partij moet daarom de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt om tegen deze vordering in te gaan. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.

7 Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf

De politierechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft aan de verdachte

- in de zaak met parketnummer 16/085940-23 op 13 april 2023 een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar;

- in de zaak met parketnummer 16/163871-24 op 26 november 2024 een gevangenisstraf van 72 dagen voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar, met daarbij (kort gezegd) de volgende bijzondere voorwaarden:

  • meldplicht bij de reclassering;

  • ambulante behandeling;

  • het vinden en behouden van zinvolle dagbesteding;

  • meewerken aan middelencontrole.

7.1.

Vordering van de officier van justitie

Parketnummer 16/085940-23

De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering gedeeltelijk toewijst en 4 weken gevangenisstraf ten uitvoer legt, omgezet in een taakstraf voor de duur van 120 uren. Een tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf is niet wenselijk, omdat het van belang is dat de verdachte zijn woning kan behouden.

Parketnummer 16/163871-24

De officier van justitie eist dat de rechtbank de proeftijd verlengt met de duur van 1 jaar, conform het reclasseringsadvies. Een tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf is niet wenselijk, omdat het de behandeling zal doorkruisen en de behandeling en het reclasseringscontact juist belangrijk zijn voor de verdachte om zijn leven op het rechte pad te krijgen en te houden.

7.2.

Standpunt van de verdediging

Parketnummer 16/085940-23

De advocaat verzoekt primair de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen en subsidiair, indien de rechtbank komt tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.

Parketnummer 16/163871-24

De advocaat verzoekt de proeftijd te verlengen, zoals geadviseerd door de reclassering in het reclasseringsadvies.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

Parketnummer 16/085940-23

De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden toegewezen omdat, zoals blijkt uit dit vonnis, de verdachte zich voor het einde van de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. De rechtbank zal daarom de voorwaardelijke straf ten uitvoer leggen. De rechtbank ziet echter in de persoonlijke omstandigheden zoals naar voren gekomen in het reclasseringsadvies, aanleiding om 30 dagen gevangenisstraf ten uitvoer te leggen, en deze om te zetten in een taakstraf van 120 uren, te vervangen door

30 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert. De rechtbank vindt het niet wenselijk om de behandeling van de verdachte te doorkruisen door de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf te gelasten, waardoor mede het risico ontstaat dat de verdachte zijn woning kwijtraakt.

Parketnummer 16/163871-24

Uit het reclasseringsadvies volgt dat in december 2025 het traject van de verdachte bij de reclassering is opgeschaald naar een intensievere vorm van behandeling en dat hij een nieuwe behandelaar heeft. [instelling 2] schat in dat de duur van de huidige proeftijd niet voldoende is om te kunnen werken aan gedragsverandering en risicovermindering. De huidige bijzondere voorwaarden zijn momenteel wel toereikend. De reclassering adviseert daarom de proeftijd met één jaar te verlengen. Gelet op de hierboven aangehaalde redenen om geen tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf te gelasten en het reclasseringsadvies, zal de rechtbank de proeftijd verlengen met één jaar.

8 Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen en maatregelen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

- artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 180, 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 3 heeft gepleegd en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;

- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straffen

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 4 weken;

- bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- als voorwaarde geldt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 60 uren;

- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 30 dagen hechtenis;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1]

- wijst de vordering van [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 300,00 aan immateriële schade;

- veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2025 tot de dag van volledige betaling;

- wijst de vordering van [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde af;

- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 300,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 3 dagen gijzeling;

- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2]

- verklaart [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 16/085940-23

- wijst de vordering gedeeltelijk toe voor de duur van 30 dagen;

- bepaalt dat de veroordeelde in plaats van de vrijheidsstraf te ondergaan een taakstraf van 120 uren dient te verrichten;

- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, de taakstraf wordt vervangen door 30 dagen hechtenis;

vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 16/163871-24

- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging en verlengt de proeftijd met één jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.T. Könning, voorzitter, mr. O. Böhmer en mr. S.D. Groen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Benschop als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1
hij op of omstreeks 27 januari 2025 te Utrecht [slachtoffer 1] heeft mishandeld door
- die [slachtoffer 1] een knietje te geven tegen het hoofd;
- die [slachtoffer 1] een of meerdere malen, tegen het hoofd en/of tegen het lichaam te schoppen;
- die [slachtoffer 1] een of meerdere malen, tegen het hoofd en/of tegen het lichaam te slaan;

feit 2
hij op of omstreeks 27 januari 2025 te Utrecht, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meer ambtenaren,
- [A] , hoofdagent bij de Eenheid Midden-Nederland, en/of
- [B] , aspirant bij de Eenheid Midden-Nederland, en/of
- [C] , agent bij de Eenheid Midden-Nederland,
werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte door
- een gevechtshouding aan te nemen en/of
- dreigend aan een of meer van voornoemde ambtenaren de woorden toe te voegen dat hij, verdachte, zich zou verzetten tegen zijn aanhouding en/of
- dreigend op een of meer van voornoemde ambtenaren af te lopen en/of
- te slaan in de richting van een of meer van voornoemde ambtenaren;

feit 3
hij op of omstreeks 29 augustus 2024 te Utrecht [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] tegen het lichaam te duwen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025028493, pagina’s 1 tot en met 89. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Pagina 17. Pagina 18. Pagina 21. Pagina’s 29-30. Pagina’s 35-37.