Belastingrecht
WOZ; woning; standaard; stijgingspercentages
Rechtbank Noord-Holland, 14 december 2022
ECLI:NL:RBNHO:2022:11735 · Rechtbank Noord-Holland · 14 december 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbnho-2022-11735
Zaakgegevens
Op 14 december 2022 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 14 december 2022
- Datum publicatie
- 24 december 2022
- Zaaknummer
- AWB - 21 _ 4572
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2022:11735
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
WOZ; woning; standaard; stijgingspercentages
Uitspraak
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 21/4572
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 december 2022 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
en
de heffingsambtenaar van Cocensus, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft bij beschikking van 26 februari 2021 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ), de waarde van de onroerende zaak [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op € 770.000. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerende-zaakbelastingen 2021 bekendgemaakt.
Bij uitspraak op bezwaar van 19 juli 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2022 te Haarlem. Eiser is ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [inspecteur] .
Overwegingen
Feiten
1. Eiser is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning. De woning is een vrijstaande woning uit 1974 met een aanbouw uit 2005. De inhoud van de woning is 620 m³ (inclusief 158 m³ aanbouw) en de oppervlakte van het perceel is 1.550 m². De woning is voorzien van extra grond (820 m²), een carport en een berging/schuur.
Geschil en standpunten van partijen
2. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2020.
3. Eiser bepleit een waarde tussen de € 682.000 en € 715.000 en stelt daartoe het volgende. De gemiddelde waardestijging van vrijstaande woningen is volgens gegevens van het CBS 6,5%. De stijgingspercentages van de vergelijkingsobjecten zijn respectievelijk 1,9%, 5,7% en -3,25%. Daarmee is aannemelijk dat de waardestijging van de gemeente [woonplaats] onder het landelijk gemiddelde ligt en dat de waardestijging van 14,9% van de woning te hoog is. Voorts stelt eiser dat de in de matrix genoemde inhoud van de blokhut onjuist is en dat de totale kostprijs daarvan circa € 1.500 is geweest. Tenslotte stelt eiser dat de woning niet daadwerkelijk door een makelaar of taxateur is beoordeeld.
4. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep en verwijst onder meer naar de overgelegde matrix. Daarin zijn naast de gegevens van de woning, de verkoopgegevens vermeld van [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] , alle vrijstaande woningen te [woonplaats] .
Beoordeling van het geschil
5. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.
Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken wordt de waarde, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, voor woningen bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld.
6. De rechtbank stelt vast dat verweerder de waarde van de woning heeft onderbouwd aan de hand van de vergelijkingsmethode. De rechtbank acht de vergelijkingsobjecten qua type en bouwjaar voldoende vergelijkbaar met de woning. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat de vergelijkingsobjecten in de kern van [woonplaats] liggen en dat de woning in het buitengebied ligt, waar op grond van het bestemmingsplan beperkingen gelden. Het betoog van verweerder dat hij een en ander had kunnen uitzoeken als eiser dit eerder had aangevoerd gaat eraan voorbij dat de ligging een basale feitelijke kwestie is die verweerder in het kader van de waardebepaling op zitting paraat moet hebben. Eiser heeft niet weersproken dat de beperkingen ten gevolge van het bestemmingsplan enkel betrekking hebben op de bouw van opstallen en dat bouw aan de achterzijde van de woning wel is toegestaan. Een en ander leidt de rechtbank tot de conclusie dat de vergelijkingsobjecten voldoende bruikbaar zijn voor de onderbouwing van de waarde van de woning. De verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten kunnen dus worden gebruikt ter onderbouwing van de waarde van de woning. Dat er verschillen zijn tussen de woning en de vergelijkingsobjecten betekent wel dat verweerder moet onderbouwen dat hij met deze verschillen voldoende rekening heeft gehouden.
7. Dat laatste heeft verweerder gedaan. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder met de bij het verweerschrift overgelegde matrix en foto’s een afdoende toelichting heeft gegeven op de vastgestelde waarde aan de hand van de voor de woning en de vergelijkingsobjecten gehanteerde kubieke- en vierkante meterprijzen. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat voldoende rekening is gehouden met de verschillen in grootte van de opstal en van het perceel. Verweerder is bij de taxatieopbouw van de woning uitgegaan van de laagste waarde per vierkante meter kaveloppervlakte in vergelijking met de vergelijkingsobjecten. Dat komt de rechtbank logisch voor, aangezien de woning de grootste kavel heeft (wet van het afnemend grensnut). Om vergelijkbare redenen kan de rechtbank de gehanteerde waarde per kubieke meter goed volgen. Voorts is rekening gehouden met verschillen in kwaliteit en met de aanwezigheid van bijgebouwen. De rechtbank acht aannemelijk dat de beperkingen die van het bestemmingsplan uitgaan niet zodanig zijn dat verweerder van een verschil in ligging had moeten uitgaan.
8. Voorts voert eiser aan dat de in bezwaar genoemde inhoud van de blokhut onjuist is en dat het onjuist is daar een waarde aan toe te kennen van € 6.400 omdat de blokhut slechts € 1.500 heeft gekost. Verweerder heeft aan de hand van de matrix ter zitting toegelicht dat uit een controle van de objectkenmerken aan de hand van een luchtfoto is geconstateerd dat achter de woning een berging of een blokhut staat. Aan deze berging of blokhut is in de taxatieopbouw een vaste waarde gegeven, maar het gaat er uiteindelijk om of de totale waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld en dat is volgens verweerder niet zo. De rechtbank stelt voorop dat een taxatieopbouw een hulp- en controlemiddel is bij de waardevaststelling. De afzonderlijke elementen van de taxatieopbouw worden niet apart op hun juistheid beoordeeld, want uiteindelijk ligt enkel de eindwaarde ter toetsing voor (zie bijvoorbeeld gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 september 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7059 en gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 10 november 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BV2713). De rechtbank acht het verschil in vierkante meters (16 of 13,6) te gering voor de conclusie dat de waarde te hoog is vastgesteld. Verder beschikken twee van de drie vergelijkingsobjecten ook over een berging. Omdat tussen partijen niet in geschil is dat de verschillen tussen de bergingen voldoende in de taxatieopbouw tot uitdrukking komen, acht de rechtbank verweerder er in geslaagd aannemelijk te maken dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld.
9. Eiser voert nog aan dat de aan de woning toegekende waarde niet in een juiste verhouding staat tot de WOZ-waarde die voor het vorige jaar aan de woning is toegekend, nu volgens de gegevens van het CBS de gemiddelde waardestijging van vrijstaande woningen 6,5% bedraagt. Ook voert eiser aan dat de waarden van de vergelijkingsobjecten met verschillende percentages zijn gestegen. De rechtbank wijst erop dat het stijgingspercentage van de WOZ-waarde ten opzichte van eerdere jaren geen gegeven is waar bij de waardebepaling van de woning belang aan kan worden gehecht. De waarde van de woning moet namelijk ieder jaar opnieuw op basis van verkoopprijzen van andere objecten bepaald worden. Het kan daarom inderdaad gebeuren dat de waarde van de woning stijgt met een ander percentage dan de gemiddelde waardestijging, of dat de ontwikkeling van de WOZ-waarden van jaar tot jaar van de vergelijkingsobjecten onderling verschilt.
10. De rechtbank overweegt ten slotte dat verweerder ter voldoening aan de op hem rustende bewijslast in het algemeen niet verplicht is iedere woning door een taxateur te laten bekijken. Ook in dit geval was daar geen reden toe.
11. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat de waarde niet te is hoog vastgesteld.
12. De rechtbank zal het beroep derhalve ongegrond verklaren.
Proceskosten
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Koenis, rechter, in aanwezigheid van N. Choa, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,
1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.