Bestuursrecht overig
Wrakingskamer. Verzoek afgewezen, nu de beslissing van de belastingrechter tot afwijzing van het verzoek om…
Rechtbank Noord-Holland, 24 november 2020
ECLI:NL:RBNHO:2020:11800 · Rechtbank Noord-Holland · 24 november 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/wraking/ecli-nl-rbnho-2020-11800
Zaakgegevens
Op 24 november 2020 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 24 november 2020
- Datum publicatie
- 29 april 2021
- Zaaknummer
- C/15/308424 / HA RK 20/186
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- WrakingWrakingEen partij vraagt om een rechter van de zaak te halen, omdat zij twijfelt aan diens onpartijdigheid.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2020:11800
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wrakingskamer. Verzoek afgewezen, nu de beslissing van de belastingrechter tot afwijzing van het verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling van de hoofdzaken een procesbeslissing is.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]beslissing
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
[jw.sys.1.zaaknr] / [jw.sys.1.rolnummer_rekestnr][datum_beslissing]
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/15/308424 / HA RK 20/186
Beslissing van 24 november 2020
Op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
Het verzoek is gericht tegen:
mr. G.H. de Soeten, hierna te noemen: de rechter.
1 Procesverloop
Verzoeker heeft op 6 oktober 2020 schriftelijk de wraking verzocht van de rechter in
de bij deze rechtbank, team Belastingrecht, locatie Haarlem, aanhangige zaken met als
zaaknummers HAA 20/485, HAA 20/486, HAA 20/3327 en HAA 20/3328, hierna te
noemen: de hoofdzaken.
De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft schriftelijk op het verzoek
gereageerd.
Het verzoek is vervolgens behandeld ter zitting van de wrakingskamer van
17 november 2020. Verzoeker, de rechter en de wederpartij in de hoofdzaken zijn in de
gelegenheid gesteld te worden gehoord. Verzoeker is behoorlijk opgeroepen, maar zonder
bericht van afmelding niet verschenen. Tevens is de wederpartij in de hoofdzaken, de
inspecteur van de Belastingdienst, zonder bericht van afmelding niet verschenen. De rechter
is wel verschenen.
2 Het standpunt van verzoeker/ster
Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek - samengevat -
het volgende aangevoerd. De vader van verzoeker heeft de hoofdzaken aanhangig gemaakt
en is overleden op 19 september 2020. Door het overlijden van zijn vader is verzoeker direct
belanghebbende geworden in de hoofdzaken. Gelet op de complexiteit van de dossiers en de
benodigde voorbereidingstijd heeft verzoeker op 24 september 2020 verzocht om uitstel van
de mondelinge behandeling van de hoofdzaken op 8 oktober 2020. De rechter heeft op 30
september 2020 het verzoek om uitstel afgewezen. Verzoeker is hierdoor geschaad in zijn
verweermogeljkheden. Tevens stelt verzoeker dat de rechter extra terughoudend diende te
zijn bij de beoordeling van het uitstelverzoek gelet op het geschil in de hoofdzaken. Daarbij
heeft hij aangevoerd dat sprake is van onnodige, disproportionele discriminatie van
verzoeker ten opzichte van de leden van de familie Van Oranje-Nassau en nageslacht, zodat
de rechter in feite tegenbelanghebbende is. Door afwijzing van het uitstelverzoek heeft de
rechter de schijn van vooringenomenheid gewekt, aldus steeds verzoeker.
3 De beoordeling
Op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht kan een rechter
worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke
onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde
van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke
omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens
een partij een vooringenomenheid koestert (de subjectieve toets). Daarnaast kan de vrees
voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of
omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de
hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te
vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten
zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid (de
objectieve toets). Het subjectieve oordeel van verzoeker is voor de beoordeling van beide
toetsen wel belangrijk maar niet doorslaggevend.
De beslissing van de rechter tot afwijzing van het verzoek om uitstel van de
mondelinge behandeling van de hoofdzaken is een procesbeslissing. Het gesloten stelsel van
rechtsmiddelen brengt mee dat dergelijke (tussen)beslissingen geen grond voor wraking
kunnen opleveren. De vraag of een procesbeslissing, waaronder de motivering ervan,
inhoudelijk al of nietjuist moet worden geacht, leent zich dus niet voor een oordeel door de
wrakingskamer en kan slechts in hoger beroep van de (hoofd)zaak worden getoetst. Dit is
uitsluitend anders indien de motivering van de beslissing in het licht van alle
omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan
worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
Deze situatie doet zich niet voor. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken
op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat sprake is van een beslissing die de bij
verzoekers bestaande vrees van vooringenomenheid naar objectieve maatstaven kan
rechtvaardigen. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.
4 Beslissing
De rechtbank
4. 1 wijst het verzoek tot wraking van de rechter af;
beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich
bevond ten tijde van het indienen van het verzoek;
beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de wederpartij in de
hoofdzaken een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.M. de Bruin, voorzitter,
mr. E.B. de Vries-van den Heuvel en mr. H. de Jong, leden van de wrakingskamer, in
tegenwoordigheid van mr. M. van Doesburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op
24 november 2020.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.