Omgevingsrecht
Verzoek om schorsing van het besluit waarbij het voormalig postkantoor in Heemstede is aangewezen als…
Rechtbank Noord-Holland, 28 juli 2022
ECLI:NL:RBNHO:2022:6561 · Rechtbank Noord-Holland · 28 juli 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/bestuursrecht/omgevingsrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbnho-2022-6561
Zaakgegevens
Op 28 juli 2022 heeft de Rechtbank Noord-Holland in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 28 juli 2022
- Datum publicatie
- 27 juli 2022
- Zaaknummer
- HAA 22_2565
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Omgevingsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2022:6561
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek om schorsing van het besluit waarbij het voormalig postkantoor in Heemstede is aangewezen als gemeentelijk monument. Het bezwaar heeft een meer dan redelijke kans van slagen. Verweerder wordt niet gevolgd in zijn uitleg van artikel 5, derde lid, van de Erfgoedverordening. Toewijzing verzoek. Daarbij van belang dat door de eigenaren is toegezegd dat niet voor 1 februari 2023 tot sloop zal worden overgegaan en de bezwaarprocedure naar verwachting voor die tijd ruimschoots zal zijn afgerond. Partijen zijn verder ter voorlichting gewezen op de mogelijkheid om om opheffing van de getroffen voorlopige voorziening te vragen.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 22/2565
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 juli 2022 in de zaak tussen
Sportveldweg Project B.V., te Hillegom,
Pentast Vastgoed Ontwikkeling B.V., te Hillegom
Vennep Interholding B.V., te Hillegom,
Nidfa Holding B.V., te Nieuw-Vennep,
Weststaete Holding B.V., te Nieuw-Vennep
verzoeksters
(gemachtigde: mr. A.B. van Rijn),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemstede
(verweerder).
Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: de Historische Vereniging Heemstede-Bennebroek, Stichting Het Cuypersgenootschap en Erfgoedvereniging Bond Heemschut.
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorlopige voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeksters tegen het besluit van 18 mei 2022 (het bestreden besluit) waarbij verweerder op aanvraag van derde-partijen het voormalig postkantoor aan de Binnenweg 160 in Heemstede heeft aangewezen als gemeentelijk monument.
Verzoeksters hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt bij verweerder en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 juli 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens verzoeksters [naam 1] en [naam 2] deelgenomen, bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. drs. M.R. Staller, K. Sonneveld en J. ter Haak, allen werkzaam bij verweerder. Namens derde-partijen zijn verschenen [naam 3] en [naam 4] .
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Feiten en omstandigheden
2. Verzoeksters, de eigenaren van het perceel Binnenweg 160 en de daarop aanwezige bebouwing, willen deze locatie in Heemstede herontwikkelen door de aanwezige bebouwing te slopen en nieuwbouw te realiseren in de vorm van woningbouw.
Besluit
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder – na een gezamenlijk verzoek van derde-partijen daartoe – het volledige gebouwencomplex van het voormalig postkantoor aan de Binnenweg 160 in Heemstede aangewezen als gemeentelijk monument. Onder verwijzing naar de redengevende omschrijving stelt verweerder dat het gebouw bijzondere cultuurhistorische waarden, situationele waarden en architectuurhistorische waarden heeft. Verder heeft het postkantoor in de gemeentelijke context een hoge zeldzaamheidswaarde en heeft het ook bijzondere waarde wegens de architectonische gaafheid en herkenbaarheid. Verweerder stelt verder dat ondanks de dwingende formulering van artikel 5, derde lid, van de Erfgoedverordening Heemstede 2017 (hierna: Erfgoedverordening), ondanks de niet-aanwijzing op 13 februari 2018, nu tot aanwijzing kan worden overgegaan. Dat gewijzigde inzichten nooit zouden kunnen leiden tot een heroverweging en alsnog tot aanwijzing is onwenselijk en daarom moet artikel 5, derde lid, van de Erfgoedverordening worden gelezen als een variant op artikel 4:6, van de Algemene wet bestuursrecht. In dit geval hebben gewijzigde inzichten over de zeldzaamheidswaarde geleid tot een heroverweging van de aanwijzing tot gemeentelijk monument. Deze gewijzigde inzichten hangen samen met de veranderende omgang met erfgoed in de samenleving en nieuwe informatie over de monumentwaardigheid van het postkantoor, neergelegd in het positief advies van MOOI Noord-Holland uit augustus 2021. Verweerder stelt dat aanwijzingen beperkingen meebrengt voor de eigenaar, maar er zijn voorbeelden van herontwikkeling met behoud van de monumentale waarde, ook in Heemstede. Verder is de vraag of alle door verzoeker opgevoerde kosten reëel zijn, omdat deze zijn gebaseerd op de aanname dat zonder sloop herontwikkeling niet mogelijk is. Het algemeen belang bij behoud van het voormalig postkantoor weegt zwaarder dan het belang van verzoeker. Omdat sprake is van een rechtmatig besluit, komt schade niet voor rekening van verweerder. Van vertragingsschade is geen sprake omdat er voor de aanwijzing nog geen omgevingsvergunning was gevraagd. Het risico van leegstand en verloedering acht verweerder niet zo groot dat dit reden zou zijn voor afwijzing van de monumentenstatus.
Wettelijke kader
4. De wettelijke bepalingen relevant bij de beoordeling zijn opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak
Spoedeisend belang
5. Verzoeksters hebben de voorzieningenrechter gevraagd het bestreden besluit te schorsen. Nu de aanwijzing als gemeentelijk monument van het gehele gebouwencomplex Binnenweg 160 een wezenlijke belemmering vormt voor een inhoudelijk beoordeling van een (eventuele) aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen, kan verzoeksters naar het oordeel van de voorzieningenrechter een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening niet worden ontzegd.
Bezwaren verzoeksters
6. Verzoeksters stellen – heel kort gezegd – dat het bestreden besluit in strijd is genomen het artikel 5, derde lid, van de Erfgoedverordening, het monumentenbeleid van de gemeente Heemstede en met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, en met artikel 1, Eerste Protocol van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het door verzoeksters gemaakte bezwaar een meer dan redelijke kans van slagen. Daartoe is het volgende redengevend. Artikel 5, derde lid, van de Erfgoedverordening is dwingend geformuleerd. De bepaling is ook duidelijk en niet voor meer dan één uitleg vatbaar. De letterlijke tekst van dit artikel noch de toelichting biedt op zichzelf enig houvast om verweerder te volgen, daar waar hij onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de tekst van artikel 5, derde lid, van de Erfgoedverordening voorbij gaat. De beoordelingen uit 2010 en 2018 en de daarop volgende besluiten om het gebouwencomplex aan de Binnenweg 160 in Heemstede niet aan te wijzen als gemeentelijk monument maken daarom – gegeven de dwingende formulering van artikel 5, derde lid, van de Erfgoedverordening en gelet op de rechtszekerheid van verzoeksters – dat er thans voor een positieve beoordeling geen ruimte meer bestaat.
Ook indien voor een dergelijke beoordeling thans wel nog ruimte zou bestaan, heeft verweerder bij het bestreden besluit er vooralsnog geen blijk van gegeven te handelen in overeenstemming met de eigen uitgangspunten (alleen aanwijzing object dat stijl of periode belichaamt dat nog niet op de lijst voorkomt én instemming eigenaar/eigenaren), althans onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval deze uitgangspunten zouden moeten wijken voor de het belang van derde-partijen. Gelet op het vorenstaande valt het door de voorzieningenrechter te maken voorlopig rechtmatigheidsoordeel hier dan ook uit in het nadeel van verweerder.
Schorsing van de aanwijzing als gemeentelijk monument bij wege van een voorlopige voorziening zou in beginsel een te verstrekkende maatregel zijn indien verzoeksters met hun verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zouden hebben beoogd om zo snel mogelijk, nog voor afronding van de bezwarenprocedure, tot sloop over te kunnen gaan. De sloop nog voor op het bezwaar is beslist zou elke heroverweging immers illusoir maken. Deze situatie doet zich hier evenwel niet voor. Verzoeksters hebben ter zitting namelijk ondubbelzinnig toegezegd niet voor 1 februari 2023 tot sloop te zullen overgaan. Omdat de bezwaarprocedure naar verwachting ruimschoots voor die datum zal zijn afgerond, ziet de voorzieningenrechter daarom in dit geval aanleiding het bestreden besluit te schorsen.
De voorzieningenrechter wijst partijen daarbij ter voorlichting op de mogelijkheid neergelegd in artikel 8:87, tweede lid, van de Awb om de voorzieningenrechter te vragen de getroffen voorlopige voorziening op te heffen, bijvoorbeeld in het geval zou blijken dat verzoeksters zich niet aan de ter zitting gedane harde toezegging houdt.
Griffierecht en proceskosten
8. In de toewijzing van het verzoek ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeksters een vergoeding krijgen van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De hoogte van het te vergoeden griffierecht bedraagt € 365,-. De vergoeding van de proceskosten is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoeksters een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 759,-. Deze vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.518,-.
Verzoeksters hebben op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht verder recht op vergoeding van reis- en verblijfskosten en verletkosten die zijn gemaakt in verband met het bijwonen van de zitting. Volgens opgave op het proceskostenformulier dat door verzoeksters is overgelegd bedragen de reiskosten €9.52. Deze kosten (openbaar vervoer, tweede klasse, retour) komen voor vergoeding in aanmerking.
De voorzieningenrechter stelt de verletkosten voorts vast op € 267,- (3 uur maal € 89,- (het maximale uurtarief)). De voorzieningenrechter stelt aldus vast dat verweerder in totaal een bedrag van € 1.794,52 aan proceskosten dient te vergoeden aan verzoeksters.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 365,- aan verzoeksters moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.794.52,- aan proceskosten aan verzoeksters.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.P.C. van der Vlugt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2022.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: