Omgevingsrecht
Vovo (kennelijk) ongegrond. Het college heeft met het e-mailbericht en met de brief van 14 juli 2026…
Rechtbank Noord-Holland, 11 augustus 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:10729 · Rechtbank Noord-Holland · 11 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/bestuursrecht/omgevingsrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbnho-2026-10729
Zaakgegevens
Op 11 augustus 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 11 augustus 2026
- Datum publicatie
- 18 augustus 2026
- Zaaknummer
- HAA 26/3509
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Omgevingsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2026:10729
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vovo (kennelijk) ongegrond. Het college heeft met het e-mailbericht en met de brief van 14 juli 2026 schriftelijk verklaard dat het de voorlopige planning is dat vanaf 23 december 2026 gestart wordt met de werkzaamheden en dat de gemeente bereid is om te wachten met de start van de werkzaamheden totdat op het bezwaar van verzoekster is beslist. Onder die omstandigheden heeft verzoekster geen spoedeisend belang bij het treffen van enige voorziening in afwachting van die beslissing, zodat er geen grond is voor de voorzieningenrechter om in afwachting van dat besluit een voorziening te treffen.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/3509
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit Haarlem, verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem
(gemachtigde: mr. A. Kamphuis).
Inleiding, procesverloop en beoordeling
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster hangende haar bezwaar tegen de omgevingsvergunning voor het realiseren van een buitensportaccommodatie in combinatie met het opknappen van het roosje Vosplantsoen en het doortrekken van een ecologische verbinding op het perceel Wil Merkiespark in Haarlem.
2. Het college heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 12 mei 2026, gepubliceerd op 15 mei 2026, verleend aan de gemeente Haarlem. Verzoekster heeft hiertegen op 1 juni 2026, aangevuld op 3 juli 2026, bezwaar gemaakt en bij verzoekschrift van 12 juli 2026, aangevuld op 16, 17, 18, 26 en 28 juli 2026, de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Op verzoek van de voorzieningenrechter heeft het college bij e-mailbericht van 14 juli 2026 en bij brief van 14 juli 2026, ontvangen op 28 juli 2026, inlichtingen verstrekt. Verzoekster heeft bij brief van 4 augustus 2026, aangevuld op 5 en 8 augustus 2026, op deze inlichtingen gereageerd.
3. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.
5. Het college heeft met het e-mailbericht en met de brief van 14 juli 2026 schriftelijk verklaard dat het de voorlopige planning is dat vanaf 23 december 2026 gestart wordt met de werkzaamheden en dat de gemeente bereid is om te wachten met de start van de werkzaamheden totdat op het bezwaar van verzoekster is beslist. Onder die omstandigheden heeft verzoekster geen spoedeisend belang bij het treffen van enige voorziening in afwachting van die beslissing, zodat er geen grond is voor de voorzieningenrechter om in afwachting van dat besluit een voorziening te treffen.
Conclusie en gevolgen
6. Het verzoek is daarom (kennelijk) ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. P.H. Lauryssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: