Omgevingsrecht
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker…
Rechtbank Noord-Holland, 8 juni 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:6620 · Rechtbank Noord-Holland · 8 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/bestuursrecht/omgevingsrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbnho-2026-6620
Zaakgegevens
Op 8 juni 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 8 juni 2026
- Datum publicatie
- 4 juni 2026
- Zaaknummer
- HAA 26/2493
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Omgevingsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2026:6620
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker hangende het beroep tegen de aan hem opgelegde last onder dwangsom van 5 februari 2025 van in totaal € 172.000,- in verband met het niet in stand houden van een rijksmonument. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Het spoedeisend belang ontbreekt en het in beroep bestreden besluit is niet evident onrechtmatig.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/2493
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juni 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit Amsterdam, verzoeker
(gemachtigde: mr.drs. H.J.M. van Schie),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wormerland, het college
(gemachtigde: mr. J.E. Hamann).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker hangende het beroep tegen de aan hem opgelegde last onder dwangsom van 5 februari 2025 van in totaal € 172.000,- in verband met het niet in stand houden van het rijksmonument aan de [adres] in [plaats] .
Het college heeft met het besluit van 5 februari 2025 de last onder dwangsom van in totaal € 172.000,- opgelegd. Met het bestreden besluit van 8 juli 2025 op het bezwaar van verzoeker is het college bij dit besluit gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter op 1 mei 2026 verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening, in verband met de invordering van de dwangsom en de daarna getroffen executiemaatregelen door het college.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat zij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoeker voert hierover aan dat het college, in verband met het invorderingsbesluit, executiemaatregelen heeft getroffen en derdenbeslag heeft laten leggen op zijn inkomsten die hij ontvangt van [bedrijf] B.V. Ook dreigt beslag en executie op zijn aandelen wat groot financieel nadeel zal brengen, terwijl het bestreden besluit nog niet onherroepelijk is. Verzoeker stelt dat hem voldoende tijd moet worden gegund om kapitaal op een verantwoorde wijze vrij te maken.
4. Uit wat verzoeker heeft aangevoerd blijkt niet dat sprake is van een dreigende onomkeerbare situatie, dan wel acute financiële nood. Verzoeker heeft niet onderbouwd dat de door hem genoemde executiemaatregelen hem daadwerkelijk in een acute financiële noodsituatie brengen. Dat hij meer tijd zou willen om eventueel kapitaal vrij te maken, is onvoldoende om een spoedeisend belang aan te nemen.
5. De conclusie is dat er geen enkel spoedeisend belang is. Ook is het in beroep bestreden besluit niet evident onrechtmatig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Boon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: