Civiel recht overig

Geschil tussen vader en jong-meerderjarige zoon over een bijdrage in het levensonderhoud. De vader verzoekt…

Rechtbank Noord-Holland, 7 januari 2022

Zaakgegevens

Op 7 januari 2022 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Alkmaar
Datum uitspraak
7 januari 2022
Datum publicatie
10 januari 2022
Zaaknummer
C/15/318490 / FA RK 21-3454
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2022:77
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Geschil tussen vader en jong-meerderjarige zoon over een bijdrage in het levensonderhoud. De vader verzoekt nihilstelling en de zoon verhoging van de bijdrage. Het verzoek van de vader wordt toegewezen. Behoefte bepaald op de geïndexeerde behoefte van het ouderschapsplan, nu de zoon niet meer studeert. De zoon werkt en heeft structureel inkomsten die ruim boven zijn behoefte liggen. De rechtbank houdt geen rekening met de lockdown, omdat de zoon niet is aangewezen op werk in de horeca.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Alkmaar

GD

alimentatie

zaak-/rekestnr.: C/15/318490 / FA RK 21-3454

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 7 januari 2022

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. A.G. Ton, kantoorhoudende te Almere,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de jong-meerderjarige,

advocaat mr. A. Leibbrand, kantoorhoudende te Heerhugowaard.

1 Procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen op 1 juli 2021;

- een gewijzigd verzoekschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen op 16 juli 2021;

- het verweerschrift, met bijlagen, van de jong-meerderjarige, ingekomen op 8 september 2021;

- een aanvullend zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de jong-meerderjarige, ingekomen op 3 december 2021, ontvangen op 6 december 2021.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 15 december 2021 in aanwezigheid van de man, bijgestaan door mr. A.G. Ton, en mr. A. Leibbrand, namens de jong-meerderjarige.

2 Feiten en omstandigheden

2.1.

De man is op [huwelijksdatum] met de moeder van de jong-meerderjarige gehuwd. Uit dit huwelijk is de jong-meerderjarige geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats]

2.2.

Het huwelijk is op 24 september 2015 ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 5 augustus 2015. Deze beschikking is nadien verbeterd bij herstelbeschikking van 16 september 2015.

2.3.

Bij de hiervoor genoemde herstelbeschikking is bepaald dat de man aan de vrouw

een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 253,01 per kind per maand moet voldoen met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

2.4.

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de kinderbijdrage met ingang van 1 januari 2021 € 286,02 per kind per maand.

3 Verzoek

3.1.

De man heeft verzocht de hiervoor genoemde beschikking te wijzigen in die zin, dat de kinderbijdrage ten behoeve van de jong-meerderjarige wordt bepaald op nihil, althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen, met ingang van 1 april 2021, dan wel per datum indiening verzoekschrift, dan wel met ingang van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dag.

3.2.

De man heeft hiertoe gesteld dat de hierboven genoemde beschikking -zoals de rechtbank begrijpt- door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven, nu de jong-meerderjarige per 1 juli 2021 40 uur per week gaat werken en derhalve in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. Verder heeft de man naar voren gebracht dat hij destijds contact met de jong-meerderjarige heeft opgenomen omdat hij zijn studie niet serieus oppakte en meer uren ging werken. De jong-meerderjarige heeft in dat gesprek aangegeven dat hij afzag van een bijdrage. Om die reden is de man gestopt met het betalen van een bijdrage met ingang van 1 april 2021. Ondanks de afspraak heeft de jongmeerderjarige het LBIO ingeschakeld om de vermeende achterstand te incasseren.

4 Verweer

4.1.

De jong-meerderjarige heeft hiertegen verweer gevoerd en zich op het standpunt gesteld dat de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, dan wel dat het verzoek moet worden afgewezen.

4.2.

De jong-meerderjarige heeft daartoe aangevoerd dat het juist is dat partijen onenigheid hebben gekregen over onder meer zijn werk. De jong-meerderjarige heeft aangegeven dat hij samen met zijn zus een gesprek met de man wilde voeren over hoe zij zich voelden en hoe zij tot een oplossing konden komen. Dit gesprek ging al snel mis en hij is samen met zijn zus uit de woning van de man gezet. Sindsdien hebben zij geen contact meer met de man. De jong-meerderjarige ontkent en betwist dat hij heeft gezegd in te stemmen met een nihilstelling. Verder heeft de jong-meerderjarige naar voren gebracht dat hij recentelijk in dienst is getreden bij een restaurant met een nul-uren contract. Zoals bekend heeft de coronaperiode een negatieve stempel gedrukt op de horeca. De horeca is op dit moment dan ook een onzekere factor in zijn leven. Hij weet ook niet of dit werk bestendig is. Het is onzeker of hij volledig in zijn behoefte kan voorzien, nu geen sprake is van structureel inkomen.

4.3.

Bij zelfstandig verzoek heeft de jong-meerderjarige verzocht te bepalen dat de man aan hem een bijdrage dient te leveren in zijn levensonderhoud van in totaal € 320,-- per maand, zulks primair met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift 1 juli 2021, en subsidiair met ingang van datum indiening van het verweerschrift.

5 Beoordeling

5.1.

De man heeft gesteld dat de jong-meerderjarige tijdens een gesprek heeft afgezien van een bijdrage ten laste van de man. De jong-meerderjarige heeft aangegeven dat hij dit nooit heeft gezegd en ook niet heeft bedoeld te zeggen. Nu niet is vast komen te staan dat partijen afspraken over een wijziging van de bijdrage hebben gemaakt, zal de rechtbank beoordelen of sprake is van een wijziging van omstandigheden die een herbeoordeling van de bijdrage ten behoeve van de jong-meerderjarige rechtvaardigt.

wijziging van omstandigheden

5.2.

Ingevolge artikel 1:401, eerste lid, van het BW kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door een wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

5.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. De wijziging is gelegen in de omstandigheid dat de jong-meerderjarige inmiddels (ouder dan) achttien is geworden en geen opleiding meer volgt. De rechtbank zal derhalve in het navolgende beoordelen of de hiervoor genoemde omstandigheden rechtens relevante wijzigingen van omstandigheden zijn die noodzaken tot een wijziging van de bijdrage ten behoeve van de jong-meerderjarige.

ingangsdatum

5.4.

De man heeft verzocht de bijdrage ten behoeve van de jong-meerderjarige op nihil te stellen met ingang van 1 april 2021, dan wel per indiening verzoekschrift, dan wel met ingang van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dag.

5.5.

De jong-meerderjarige heeft hiertegen verweer gevoerd en zich op het standpunt gesteld dat uitgangspunt is dat een eventuele wijziging van de bijdrage pas kan worden toegekend met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift.

5.6.

De rechtbank zal voor de ingangsdatum van een eventuele wijziging van de bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud aansluiten bij de datum van indiening van het verzoekschrift zoals gewijzigd, in dit geval 16 juli 2021. Vanaf dat moment heeft de jong-meerderjarige immers daadwerkelijk rekening kunnen houden met een eventuele wijziging van de bijdrage. De rechtbank ziet in de stellingen van partijen geen aanleiding om voor de ingangsdatum bij een andere datum aan te sluiten.

behoefte jong-meerderjarige

5.7.

De jong-meerderjarige heeft zijn behoefte gesteld op € 636,-- per maand, conform de WSF-norm.

5.8.

De man heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat hij bij de behoefte van de jong-meerderjarige uitgaat van de behoefte zoals in het ouderschapsplan is opgenomen van thans geïndexeerd € 596,-- per maand. Vervolgens heeft de man ingestemd met de door de jong-meerderjarige gestelde behoefte van € 636,-- per maand. De man is echter van mening dat de door de jong-meerderjarige ontvangen zorgtoeslag van € 107,-- per maand hierop nog in mindering dient te worden gebracht -nu hij niet meer studeert- zodat zijn behoefte € 529,-- per maand bedraagt. De jong-meerderjarige heeft dit betwist.

5.9.

De rechtbank zal bij de jong-meerderjarige uitgaan van een behoefte, zoals is opgenomen in het ouderschapsplan, van thans € 596,-- per maand, nu de jong-meerderjarige niet (meer) studeert.

behoeftigheid

5.10.

Tussen partijen is in geschil of de jong-meerderjarige dusdanige inkomsten heeft (gehad) waardoor hij geen behoefte heeft aan een bijdrage.

5.11.

De rechtbank overweegt dat het voor het bepalen van een bijdrage niet van belang is of de jong-meerderjarige wel of geen opleiding of cursussen zal gaan volgen. Hij heeft als jong-meerderjarige immers op grond van de artikelen 1:392 lid 2 en 1:395a BW het verlengde recht op een bijdrage tot zijn eenentwintigste jaar, ongeacht of hij studeert en ongeacht de vraag of hij behoeftig is. Wel wordt de hoogte van zijn behoefte beïnvloed door de verdiensten die de jong-meerderjarige heeft. Aan de orde is dus in hoeverre bij de bepaling van de behoefte van de jong-meerderjarige rekening moet worden gehouden met zijn inkomsten. De rechtbank overweegt dat eigen, substantiële, inkomsten van de jongmeerderjarige, die het karakter van wat extra zakgeld te boven gaan, bij de bepaling van de behoefte in aanmerking dienen te worden genomen.

5.12.

De jong-meerderjarige heeft gesteld dat hij inkomsten heeft uit werkzaamheden, maar dat deze inkomsten niet structureel zijn. Ook heeft de jong-meerderjarige naar voren gebracht dat hij een baan mag hebben zonder dat de daaruit verworven inkomsten van in ieder geval € 200,-- per maand in mindering worden gebracht op zijn behoefte.

5.13.

Blijkens de overgelegde loonstroken over periode 4 tot en met 6 bij [naam hotel] , en vanaf juli tot en met oktober 2021 bij [naam café 1] heeft de jongmeerderjarige aan inkomsten gemiddeld een bedrag van € 894,-- per maand ontvangen. Vanaf november 2021 is de jong-meerderjarige werkzaam bij [naam café 2] . De jongmeerderjarige heeft hiervan geen salarisstrook overgelegd. Nu de jong-meerderjarige nog recent substantiële inkomsten heeft gehad, gaat de rechtbank ervan uit dat de jongmeerderjarige in zijn eigen behoefte kan voorzien. Hierbij is reeds rekening gehouden met een vrijstelling van € 200,-- per maand.

Op dit moment is er sprake van een lockdown. De rechtbank gaat ervan uit dat dit van tijdelijke aard is, zodat hier nu op voorhand geen rekening mee wordt gehouden. Bovendien is de jong-meerderjarige voor werkzaamheden niet op de horeca aangewezen. Dat sprake is van andere bijkomstige omstandigheden aan de zijde van de jong-meerderjarige die invloed hebben op zijn behoeftigheid is (onvoldoende) gesteld noch gebleken.

5.14.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen.

6. Beslissing

De rechtbank:

6.1.

bepaalt, met wijziging in zoverre van de hierboven genoemde beschikking van deze rechtbank van 16 september 2015, de door de man aan de jongmeerderjarige te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud op nihil, met ingang van 16 juli 2021;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.P. van der Haak, rechter, in tegenwoordigheid van G.S. Doornbosch, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2022.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.