Goederenrecht
Verdeling (restant) nalatenschap. Vordering tot bijdragen in de lasten voor de gemeenschappelijke…
Rechtbank Noord-Holland, 7 oktober 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:13664 · Rechtbank Noord-Holland · 7 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/civiel-recht/goederenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbnho-2026-13664
Zaakgegevens
Op 7 oktober 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over goederenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2026
- Datum publicatie
- 7 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/15/373355
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Goederenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. R. Gardeslen, mr. B. Parmentier
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2026:13664
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verdeling (restant) nalatenschap. Vordering tot bijdragen in de lasten voor de gemeenschappelijke recreatiewoning is deels verjaard. Geen gelegnheid om de vordering nader te onderbouwen. Gelet op het verweer in de conclusie van antwoord wist de gedaagde partij dat de eisende partij de bedragen betwist. De gedaagde partij had er rekening daarom mee moeten houden dat een nadere onderbouwing van de gestelde bedragen nodig was voor de beoordeling van de vordering.
Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/373355 / HA ZA 26-7
Vonnis van 7 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats 1],
eisende partij in conventie,
gedaagde partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. R. Gardeslen,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats 2],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. B. Parmentier.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 20 mei 2026 en de daarin genoemde stukken
- de akte overlegging producties, tevens houdende eiswijziging met producties van [eiser]
- de nadere producties van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 31 augustus 2026, waarbij mr. Parmentier een pleitnota heeft overgelegd en de griffier voor het overige aantekeningen heeft gemaakt.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
2 De feiten
Partijen zijn de enig erfgenamen van hun moeder, die op 9 januari 2006 is overleden. Zij erven ieder een gelijk deel van de nalatenschap en zijn samen bevoegd om over de nalatenschap te beschikken.
De nalatenschap is in de loop der jaren gedeeltelijk verdeeld. Op dit moment bestaat de onverdeeldheid nog uit een recreatiewoning in [plaats 3] (verder: de recreatiewoning), een schilderij van Charles Leickert (verder: het schilderij) en een Perzische vaas met lampenkap (verder: de vaaslamp).
3 Het geschil
in conventie
[eiser] vordert - samengevat - en na wijziging van zijn eis dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de wijze van verdeling bepaalt als volgt:
1. de recreatiewoning wordt verkocht via makelaar [bedrijf 1], waarbij [gedaagde] de adviezen en aanwijzingen van de makelaar onvoorwaardelijk moet volgen en waarbij de makelaar in zijn adviezen het rapport van [bedrijf 2] buiten beschouwing laat,
2. [eiser] wordt gemachtigd om het schilderij te gelde te maken door deze aan de best biedende derde te verkopen, waarbij de netto verkoopopbrengst bij helfte tussen partijen wordt verdeeld,
3. de vaaslamp wordt aan [eiser] toegedeeld tegen een waarde van € 400,00 en [gedaagde] wordt veroordeeld om de vaaslamp binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan hem af te geven op straffe van een dwangsom,
met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
[gedaagde] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht verklaart dat [eiser] vanuit zijn erfdeel dient bij te dragen aan de binnen de gemeenschap door [gedaagde] sinds 2010 gedragen kosten en dat zijn deel (de helft) van die kosten bij de verdeling ten laste van zijn erfdeel dienen te komen, althans dat zijn erfdeel met dit bedrag zal worden verlaagd en het erfdeel van [gedaagde] hiermee zal worden verhoogd en deze kosten in totaal vast te stellen op een bedrag van € 64.836,27, dus voor [eiser] bij te dragen deel zijnde € 32.418,14 of een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, welk bedrag dient te worden verhoogd met de belastingteruggave van € 5.180,00 die aan [gedaagde] toekomt,
2. gelast dat met het voorgaande in aanmerking genomen de gemeenschap zal worden ontbonden door verdeling van de in de conclusie van eis in reconventie genoemde heffingen, premies en kosten, door te verdelen alle inkomsten zoals deze overblijven na aftrek van alle verkooplasten, waaronder de notariskosten onder meer voor de akte van verdeling en/of leveringsakte, alsmede bepaalt, voor zover partijen niet binnen redelijke tijd van in ieder geval zes maanden na verkoop van alle zaken tot overeenstemming zouden zijn gekomen, één van partijen voor rekening van de boedel een boedelnotaris zal (mogen) inschakelen die de verdeling zal vaststellen en uitvoeren,
3. [eiser] veroordeelt in de buitengerechtelijke kosten ad € 1.450,00 te voldoen binnen veertien dagen na heden en, voor het geval voldoening niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag van algehele voldoening,
met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten en wettelijke rente.
[eiser] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
De vorderingen in conventie en in reconventie hangen zo met elkaar samen dat de rechtbank deze gezamenlijk zal beoordelen.
De recreatiewoning moet worden verkocht
Tussen partijen is niet in geschil dat de recreatiewoning moet worden verkocht. Ter zitting is gebleken dat partijen inmiddels gezamenlijk opdracht hebben gegeven aan makelaar [bedrijf 1] om de recreatiewoning te verkopen. Beide partijen moeten daarbij de aanwijzingen van de makelaar volgen. De rechtbank zal niet bepalen dat de makelaar bij zijn adviezen het rapport van [bedrijf 2] buiten beschouwing moet laten, zoals [eiser] vordert. Nog daargelaten dat de makelaar geen partij is in deze procedure, bestaat er geen juridische grondslag voor deze vordering. Voor zover [eiser] meent dat het bouwkundig rapport niet juist is, kan hij dat aan de makelaar laten weten zodat deze daar bij zijn advisering rekening mee kan houden. De netto verkoopopbrengst zal tussen partijen bij helfte worden gedeeld.
[eiser] moet een deel van de lasten van de recreatiewoning aan [gedaagde] betalen
De vorderingen van [gedaagde] in reconventie vloeien voort uit haar stelling dat zij sinds 2010 de lasten van de recreatiewoning heeft voldaan en daarom een vordering heeft op de nalatenschap. [gedaagde] onderbouwt haar vordering met drie overzichten met bedragen voor belastingen, ‘assetkosten’, nutsvoorzieningen en erfpacht over de jaren 2010 – 2026.
[eiser] betwist de vordering en voert daarvoor aan dat partijen in 2009 hebben afgesproken dat [gedaagde] de recreatiewoning als enige zou mogen gebruiken op voorwaarde dat zij de lasten zou betalen. Subsidiair beroept [eiser] zich op verjaring van dat deel van de vordering dat meer dan vijf jaar geleden zou zijn ontstaan en weerspreekt hij de hoogte van de vordering.
Op grond van artikel 3:172 BW zijn partijen verplicht naar evenredigheid van hun aandeel bij te dragen in de uitgaven die voortvloeien uit handelingen die bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht. Dit betekent dat partijen de lasten van de recreatiewoning in beginsel gezamenlijke moeten dragen. Dat partijen hierover een andersluidende afspraak hebben gemaakt, zoals [eiser] aanvoert en [gedaagde] betwist, is niet komen vast te staan. De rechtbank zal dit toelichten.
Het feit dat [gedaagde] sinds 2009 het alleen gebruik van de recreatiewoning heeft gehad en nooit eerder aanspraak heeft gemaakt op betaling door [eiser] van zijn aandeel in de lasten is onvoldoende om daaruit af te leiden dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] de lasten voor haar rekening zou nemen. Daarbij speelt mee dat [gedaagde] ter zitting heeft verklaard dat zij andere dingen aan haar hoofd had en daarom niet ertoe is gekomen om [eiser] eerder aan te spreken op betaling. Omdat de afspraak tussen partijen volgens [eiser] mondeling is gemaakt en naast partijen alleen de inmiddels overleden echtgenoot van [gedaagde] daarbij aanwezig was, heeft [eiser] ter zitting verklaard dat hij niet in staat is de afspraak te bewijzen en daarom afziet van bewijslevering. Het moet er daarom voor worden gehouden dat partijen deze afspraak niet hebben gemaakt.
Het beroep van [eiser] op verjaring slaagt wel. Op de verjaring van een regresvordering tussen hoofdelijk medeschuldenaren (art. 6:10 lid 2 BW) is de verjaringstermijn van vijf jaar van art. 3:310 lid 1 BW van toepassing. Deze termijn gaat lopen zodra één van de hoofdelijk schuldenaren de vordering van de schuldeiser voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat. [gedaagde] heeft pas bij haar conclusie van eis in reconventie van 11 maart 2026 aanspraak gemaakt op betaling van de helft van de door haar betaalde lasten. Dit betekent dat de vordering van [gedaagde] is verjaard voor zover deze betrekking heeft op lasten die zij meer dan vijf jaar voor die datum, dus vóór 11 maart 2021 heeft betaald.
[gedaagde] stelt dat dan sprake is van een natuurlijke verbintenis en dat zij deze in verrekening kan brengen. Dit betoog slaagt alleen al niet, omdat [gedaagde] zelf de vordering instelt.
[eiser] voert nog aan dat [gedaagde] de door haar gevorderde bedragen onvoldoende heeft onderbouwd en ook niet heeft onderbouwd dat zij deze bedragen heeft voldaan. Dit verweer slaagt niet voor zover de vordering ziet op jaarlijkse vaste lasten die verbonden zijn aan de eigendom en het gebruik van de recreatiewoning (vastrechten voor water, elektra en gas, rioolheffing, erfpacht, forensenbelasting, onroerend zaakbelasting, groenafvoer en vuilafvoer). [eiser] heeft deze bedragen onvoldoende gemotiveerd betwist. Daarbij speelt mee dat het (jaarlijks) vastgestelde bedragen zijn en dat hij als mede-eigenaar van de recreatiewoning geacht wordt toegang te hebben tot informatie over deze bedragen. Het had daarom op zijn weg gelegen om zijn verweer tegen de hoogte van de bedragen met stukken te onderbouwen. Uit de omstandigheid dat niet is aangevoerd of gebleken dat [eiser] zelf tot betaling van deze bedragen is aangesproken leidt de rechtbank af dat [gedaagde] de bedragen heeft voldaan. De overige uitgaven die [gedaagde] in de door haar zelf opgestelde overzichten heeft opgenomen heeft zij onvoldoende onderbouwd. Met de conclusie van antwoord in reconventie van 29 april 2026 van [eiser] was bekend dat hij zich beroept op verjaring, dat hij de bedragen in de overzichten betwist en ook betwist dat [gedaagde] deze bedragen heeft voldaan. [gedaagde] had er daarom rekening mee moeten houden dat de rechtbank de bewijsstukken van de gestelde uitgaven nodig zou kunnen hebben voor de beoordeling. Het had daarom op haar weg gelegen om tijdig, dat wil zeggen vóór de mondelinge behandeling, een nadere onderbouwing van deze uitgaven te geven. Zij heeft dat niet gedaan en het aanbod van haar om dit alsnog te doen is te laat. Dit deel van haar vordering wordt daarom als onvoldoende onderbouwd afgewezen.
De rechtbank zal de vordering voor wat betreft de jaarlijkse vaste lasten toewijzen, voor de in de overzichten opgenomen jaren 2022 tot en met 2026. Bij gebrek aan gegevens over de betaling voor het jaar 2021 kan niet worden vastgesteld dat de regresvordering is ontstaan na 11 maart 2021 en niet daarvoor, in welk geval deze zou zijn verjaard. Het vorderingsrecht voor betalingen in 2021 heeft [gedaagde] daarmee onvoldoende onderbouwd.
Het voorgaande betekent dat de volgende bedragen in de berekening worden meegenomen.
|
Belastingen |
||||||
|
Jaar |
Waterschap |
Watersysteem- Heffing |
Forensen- Belasting |
OZB |
Rioolheffing |
Totaal |
|
2022 |
€ 45,00 |
€ 39,07 |
€ 341,70 |
€ 101,08 |
€ 181,00 |
€ 707,85 |
|
2023 |
€ 45,00 |
€ 38,39 |
€ 368,00 |
€ 100,62 |
€ 185,00 |
€ 737,01 |
|
2024 |
€ 45,00 |
€ 40,80 |
€ 351,00 |
€ 104,64 |
€ 201,00 |
€ 742,44 |
|
2025 |
€ 45,00 |
€ 45,07 |
-- |
€ 109,36 |
€ 219,00 |
€ 418,43 |
|
Totaal |
€ 2.605,73 |
|
Assetkosten |
|||
|
Jaar |
groenafvoer |
Vuilafvoer |
Totaal |
|
2022 |
€ 40,00 |
€ 85,00 |
€ 125,00 |
|
2023 |
€ 45,00 |
€ 85,00 |
€ 130,00 |
|
2024 |
€ 45,00 |
€ 85,00 |
€ 130,00 |
|
2025 |
-- |
€ 85,00 |
€ 85,00 |
|
Totaal |
€ 470,00 |
|
Vastrecht |
|
|
Jaar |
Water |
|
2022 |
€ 40,00 |
|
2023 |
€ 40,00 |
|
2024 |
€ 42,00 |
|
2025 |
€ 42,00 |
|
Totaal |
€ 164,00 |
|
Erfpacht |
|
|
Jaar |
Canon |
|
2022 |
€ 1.760,00 |
|
2023 |
€ 2.030,00 |
|
2024 |
€ 2.070,00 |
|
2025 |
€ 2.085,00 |
|
2026 |
€ 2.170,00 |
|
Totaal |
€ 10.115,00 |
Van het totaal van deze uitgaven (€ 13.354,73), zal [eiser] de helft (€ 6.677,37) aan [gedaagde] moeten voldoen. [gedaagde] heeft voor dit bedrag een regresvordering op [eiser] en geen vergoedingsrecht op de gemeenschap. Het ligt in de rede dat [eiser] dit bedrag voldoet uit zijn aandeel in de opbrengst van de verkoop van de recreatiewoning. Een juridische grondslag voor de door [gedaagde] op dit punt gevorderde verklaring voor recht bestaat echter niet, zodat haar vordering wat dat betreft zal worden afgewezen.
De belastingvordering is al aan [gedaagde] toegedeeld
Uit het “Overzicht restant nalatenschap mama” bij de brief van de advocaat van [eiser] aan de advocaat van [gedaagde] van 24 juni 2025 blijkt dat de vordering op de belastingdienst aan [gedaagde] is toegedeeld. Gelet hierop heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd waarom zij voor deze belastingteruggave een vordering heeft op [eiser]. Ook deze vordering van [gedaagde] zal worden afgewezen.
[eiser] wordt gemachtigd om het schilderij te gelde te maken
De vordering van [eiser] om hem te machtigen het schilderij te gelde te maken zal worden toegewezen. Het betoog van [gedaagde] dat een machtiging niet nodig is omdat de meest geëigende partij het schilderij bij Christie’s (of een vergelijkbaar veilinghuis) ter veiling kan aanbieden overtuigt niet. Ter zitting is namelijk gebleken dat partijen het niet eens kunnen worden over het veilinghuis waar het schilderij ter veiling moet worden aangeboden. [eiser] wil dat bij Venduehuis Den Haag doen, terwijl [gedaagde] het schilderij wil laten veilen door Christie’s.
De rechtbank zal bij het verlenen van de machtiging bepalen dat [eiser] het schilderij ter veiling zal moeten aanbieden aan Venduehuis Den Haag of, als dit veilinghuis de veiling weigert, een ander door hem te bepalen veilinghuis. Daarbij weegt de rechtbank mee dat veilinghuis Sotheby’s het schilderij niet op zijn veilingen heeft willen aanbieden omdat zij niet de juiste klanten heeft voor het schilderij. Sothby’s heeft aangeraden voor de verkoop van het schilderij contact op te nemen met een lokaal Nederlands veilinghuis. Dit betekent dat ook veilinghuis Christie’s niet het meest geschikte veilinghuis lijkt te zijn voor de verkoop van het schilderij. De netto verkoopopbrengst zal tussen partijen bij helfte moeten worden gedeeld.
De vaaslamp wordt toegedeeld aan [gedaagde]
De vaaslamp zal overeenkomstig haar verzoek aan [gedaagde] worden toegedeeld tegen een waarde van € 400,00. Weliswaar maakt ook [eiser] aanspraak op de vaaslamp, maar in de omstandigheid dat [gedaagde] de vaaslamp al geruime tijd onder zich heeft, stelt dat haar zoon een bijzondere waarde hecht aan de lamp en [eiser] in eerste instantie heeft ingestemd met toedeling van de vaas aan [gedaagde] ziet de rechtbank aanleiding voor toedeling aan [gedaagde]. [gedaagde] heeft ter zitting ingestemd met een toedeling tegen de door [eiser] gestelde waarde van € 400,00. Dit betekent dat [gedaagde] een bedrag van € 200,00 aan [eiser] moet voldoen. Ook hier ligt het in de rede dat [gedaagde] dit bedrag voldoet uit haar aandeel in de opbrengst van de verkoop van de recreatiewoning.
Buitengerechtelijke kosten en proceskosten
De vordering van [gedaagde] tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden heeft laten verrichten om tot inning van enige vordering op [eiser] te komen. De correspondentie tussen de advocaten die zij in het geding heeft gebracht is van na het uitbrengen van de dagvaarding.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen zo worden gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5 De beslissing
De rechtbank
in conventie
stelt de wijze van verdeling van de beperkte gemeenschap tussen partijen uit hoofde van de nalatenschap van hun moeder vast als hiervoor onder rechtsoverwegingen 4.2, 4.12, 4.13 en 4.14 bepaald,
machtigt [eiser] om het schilderij van Charles Leickert ter veiling aan te bieden aan Venduehuis Den Haag of, als dit veilinghuis de veiling weigert, een ander door hem te bepalen veilinghuis,
in reconventie
stelt het bedrag dat [eiser] moet bijdragen aan de lasten van de recreatiewoning tot heden op € 6.677,37,
en verder in conventie en in reconventie
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen zo dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026. |
||
735