Goederenrecht
Burenrecht. Erfdienstbaarheid van weg. De vraag is of versleuteling van de huidige toegangspoort en het…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 oktober 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:9976 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 14 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/civiel-recht/goederenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbzwb-2026-9976
Zaakgegevens
Op 14 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over goederenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Datum publicatie
- 14 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/02/445734 / HA ZA 26-133 (E)
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Goederenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. T. Slinger, mr. Y.J.H. van Griensven
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:9976
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Burenrecht. Erfdienstbaarheid van weg. De vraag is of versleuteling van de huidige toegangspoort en het plaatsen van een nieuwe poort een belemmering in de uitoefening van de erfdienstbaarheid oplevert. De vordering wordt deels toegewezen. Gedaagde moet drie nieuwe tags verstrekken aan eiser en de nieuw te plaatsen poort moet aan een aantal vereisten voldoen. De rechtbank gaat voorbij aan het verrekeningsverweer van gedaagde.
Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/445734 / HA ZA 26-133
Vonnis van 14 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. T. Slinger,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. Y.J.H. van Griensven.
1 De zaak in het kort
[eiser] en [gedaagde] zijn overburen van elkaar. Zij wonen aan een weg die in eigendom is van [gedaagde] . [eiser] mag vanwege een gevestigde erfdienstbaarheid gebruik maken van die weg. De weg komt uit op de openbare weg en is aan die kant afgesloten met een elektrische poort. [gedaagde] heeft wijzigingen doorgevoerd in de versleuteling van die poort. [eiser] vindt dat hij daardoor wordt belemmerd in de uitoefening van de erfdienstbaarheid. Daarnaast wil [gedaagde] langs de weg een nieuwe poort plaatsen, als afscheiding tussen zijn erf en het erf van [eiser] . Volgens [eiser] mag [gedaagde] die poort daar niet plaatsen. Mag dit uiteindelijk toch, dan vindt [eiser] dat de poort aan een aantal vereisten moet voldoen.
De rechtbank geeft [eiser] deels gelijk. [gedaagde] moet hem meer tags verstrekken waarmee de huidige toegangspoort kan worden geopend. Daarnaast mag [gedaagde] zijn erf afsluiten met een nieuwe poort, maar die moet wel aan een aantal van de door [eiser] gevorderde vereisten voldoen. Hierna legt de rechtbank dit oordeel uit.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 27 mei 2026 en de daarin genoemde stukken;
- de akte van [eiser] met productie 4;
- de akte van [gedaagde] met producties 23, 24 en 25;
- de mondelinge behandeling van 19 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de spreekaantekeningen van mr. Slinger;
- de spreekaantekeningen van mr. Van Griensven.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3 De feiten
[eiser] woont met zijn partner en dochter aan de [adres 1] . [eiser] heeft daarnaast een uitwonende zoon. [gedaagde] woont met zijn partner aan de [adres 2] . Daarmee zijn partijen (over)buren van elkaar.
Op het perceel van [gedaagde] loopt een weg van en naar de [straat] . Deze weg biedt [eiser] (de enige) toegang tot zijn perceel (hierna: de weg).
In een akte van 30 oktober 2012 is ten aanzien van de weg een erfdienstbaarheid gevestigd ten laste van het erf van (destijds de rechtsvoorgangers van) [gedaagde] en ten behoeve van (onder andere) het erf van [eiser] .
De bepalingen in de akte van 30 oktober 2012 luiden, voor zover hier relevant:
“ Artikel 1
Omschrijving erfdienstbaarheid
De erfdienstbaarheid van weg om – uitsluitend voor particulier gebruik – ten laste van het dienend erf en behoeve van het heersend erf te komen van en te gaan naar de openbare weg, genaamd [straat] te [plaats] , over een strook grond ter breedte van drie meter en veertig centimeter, hierna te noemen ‘ de weg ’, zoals schetsmatig is aangegeven op de aan deze akte gehechte tekening, welke tekening niet is bestemd om in het Kadaster te worden ingeschreven.
Artikel 2
Bepalingen
Met betrekking tot de erfdienstbaarheid gelden de volgende bepalingen.
(…)
b. Het is zowel de eigenaren van het heersende erf als alle andere personen die van de weg gebruik maken verboden om vervoermiddelen van welke aard ook of andere zaken op de weg te plaatsen anders dan voor het directe gebruik van de weg als zodanig vereist zal zijn, zodat dit gebruik ongehinderd en onverminderd zal kunnen plaatshebben. Indien in strijd met deze bepaling mocht zijn gehandeld, zullen beide partijen of hun gemachtigden bevoegd zijn datgene wat zich op de weg bevindt, zonder enige aanmaning te verwijderen en elders te plaatsen.
(…)
Artikel 4
Niet-nakoming
Bij overtreding of toerekenbare tekortkoming in de nakoming, hierna te noemen: niet-nakoming , ten aanzien van het bepaalde in artikel 2, wordt door de overtreder respectievelijk de nalatige ten behoeve van zijn tegenpartij een terstond en zonder rechterlijke tussenkomst opvorderbare boete verbeurd van eenduizend euro (€ 1.000,00) ineens voor iedere overtreding of niet-nakoming en eenhonderd euro (€ 100,00) voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de overtreding of niet-nakoming voortduurt. Deze boete zal verschuldigd zijn door het enkele feit van de overtreding of niet-nakoming of door het enkel verloop van de bepaalde termijn, zonder dat enige ingebrekestelling zal zijn vereist, onverminderd het recht van de bedoelde tegenpartij op vergoeding van de eventueel meer geleden schade en onverminderd het recht van de bedoelde tegenpartij om tegelijk nakoming van de boete en van de betreffende verbintenis te verlangen. (…)”
Aan de akte van 30 oktober 2012 is de volgende afbeelding gehecht, waarop onder andere de percelen van [eiser] en [gedaagde] en de weg zijn aangegeven:
[afbeelding geanonimiseerd]
De weg wordt op de plek waar deze op de openbare weg uitkomt, afgesloten met een poort. Al voordat [gedaagde] zijn perceel kocht, was op deze plek een poort aanwezig. [gedaagde] heeft de poort op een zeker moment vervangen.
Zowel de vorige als de huidige toegangspoort was/is elektrisch en versleuteld. De vorige poort kon worden geopend met een pincode en een afstandsbediening en had daarnaast een intercomfunctie waarmee bezoekers konden aanbellen en vanuit een van de woningen binnengelaten konden worden. De nieuwe poort had deze versleuteling in eerste instantie ook. Daarnaast had de nieuwe poort een uitrijlus en de mogelijkheid om de poort op afstand te openen met een telefoon. De poort wordt na gebruik automatisch gesloten.
Ongeveer drie jaar geleden heeft [gedaagde] wijzigingen aangebracht in de versleuteling van de poort. De intercomfunctie, pincode en mogelijkheid om de poort op afstand met een telefoon te openen zijn toen vervallen. De poort moet sindsdien worden geopend met een persoonlijke tag of afstandsbediening. [eiser] heeft van [gedaagde] voor iedere bewoner een tag ontvangen, plus één reserve, en voor iedere auto een afstandsbediening ontvangen, ook plus één reserve. Daarnaast wordt de uitrijlus om 23.00 uur automatisch uitgeschakeld.
[gedaagde] kan zelf de poort nog wel op afstand openen.
Het stuk van het perceel van [eiser] dat zonder erfafscheiding grenst aan de weg, is dertien meter breed. [eiser] heeft hierop een carport, garage, een doorgang naar zijn tuin en woning, zijn kliko’s en een parkeerplaats gesitueerd. Voor het overige deel van het perceel dat grenst aan de weg, is door zowel [eiser] als [gedaagde] een erfafscheiding geplaatst.
Ter verduidelijking wordt de volgende afbeelding toegevoegd:
[afbeelding geanonimiseerd]
[gedaagde] heeft op 24 februari 2025 aangekondigd dat hij zijn erf wil afsluiten van het perceel van [eiser] . Hij wil daartoe een veertien meter brede poort plaatsen. Deze loopt daarmee over de gehele breedte van het gedeelte van het perceel van [eiser] dat toegang biedt tot de weg.
Op 23 maart 2026 heeft [gedaagde] een SOS-toegangssysteem op de toegangspoort laten installeren zodat de poort in een noodsituatie niet door hulpdiensten geforceerd hoeft te worden.
Bij de conclusie van antwoord heeft [gedaagde] een verklaring gevoegd van de eigenaar van [bedrijf] van 15 april 2026, waarin hij zich uitlaat over de vorderingen van [eiser] . Deze verklaring luidt, voor zover hier relevant:
“De camera en audio op het belplateau zijn van beperkte kwaliteit en geven zeer slecht inzicht wie zich daar bevindt. Kwaadwillende [sic] kunnen zich makkelijk voordoen als iemand anders (bv pakket bezorger). Na opening, op afstand, is er vanuit de camera van het belplateau geen zicht waar de personen of voertuigen zich bevinden op het terrein. Het op afstand openen van de poort is alleen veilig als er direct en continu zicht is op de poort en belplateau en de bewegingen na opening gevolgd kunnen worden.
(…)
De mat aan de binnenzijde van de poort 24/7 actief is zodat eenieder op elk moment kan uitrijden.
Dat is niet verstandig omdat de detectielus gemanipuleerd kan worden (bv met een metalen buis) zodat onbevoegden zich toegang tot het terrein kunnen verschaffen en dan ook weer uitrijden. (…)
Een toezegging dat [gedaagde] de systemen op geen enkel moment zal deactiveren
Systemen moeten aangepast worden om te blijven voldoen aan de vereiste veiligheid standaarden (dit is meestal ook de eis van de verzekeringsmaatschappij). Bij misbruik moet een systeem gedeactiveerd kunnen worden. Dit ter bescherming van de bewoners en eigendommen op het terrein.”
4 Het geschil
De vordering van [eiser] komt er kort gezegd op neer dat:
-
[gedaagde] ertoe wordt veroordeeld de versleuteling van de huidige poort zodanig aan te passen dat deze weer op afstand kan worden geopend en dat hij meer tags en afstandsbedieningen krijgt;
-
[gedaagde] wordt verboden een nieuwe poort ter afsluiting van zijn erf te plaatsen, dan wel ertoe wordt veroordeeld de nieuwe poort naar wens van [eiser] uit te voeren;
-
[gedaagde] een dwangsom verbeurt als hij zich niet aan de veroordeling(en) of het verbod houdt, en
-
[gedaagde] wordt veroordeeld in de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
De rechtbank zal achtereenvolgens beoordelen:
-
of de versleuteling van de huidige poort [eiser] belemmert in de uitoefening van de gevestigde erfdienstbaarheid en zo ja, op welke manier [gedaagde] die belemmering dan weg moet nemen, en
-
of [gedaagde] zijn erf mag afsluiten in de vorm van een nieuw te plaatsen poort en zo ja, of deze poort aan de door [eiser] gevorderde vereisten moet voldoen.
Wanneer de rechtbank de vorderingen van [eiser] – al dan niet gedeeltelijk – toewijst, zal zij daarna beoordelen of [gedaagde] een dwangsom is verschuldigd wanneer hij niet aan de veroordeling zou voldoen en zo ja, wat de hoogte daarvan zou moeten zijn.
Tot slot zal de rechtbank de door [eiser] gevorderde proceskosten en buitengerechtelijke kosten (met bijbehorend verrekeningsverweer van [gedaagde] ) beoordelen.
Versleuteling van de huidige poort
Volgens [eiser] wordt hij met de huidige versleuteling van de poort belemmerd in de uitoefening van de gevestigde erfdienstbaarheid. Dat de poort niet op afstand kan worden geopend leidt er namelijk toe dat [eiser] en zijn gezinsleden naar de poort toe moeten lopen om bezoekers naar binnen of naar buiten te begeleiden. Dit geldt ook voor auto’s van bezoekers die vertrekken na 23.00 uur ’s avonds, omdat de uitrijlus dan uitgeschakeld is. Dit zorgt ook voor onveiligheid, omdat hulpdiensten ook niet op afstand binnengelaten kunnen worden. Daarnaast moet er altijd iemand thuis zijn om bijvoorbeeld een schoonmaker of tuinman binnen te laten. [eiser] is afhankelijk van [gedaagde] voor het verstrekken en in werking houden van de tags en afstandsbedieningen en [eiser] kan daarom geen gebruik maken van de erfdienstbaarheid zonder zijn medewerking.
Volgens [gedaagde] biedt de huidige versleuteling [eiser] voldoende mogelijkheden om de poort te openen en wordt hij daarom niet belemmerd in de uitoefening van de gevestigde erfdienstbaarheid. Het op afstand kunnen openen van de poort leidt tot onaanvaardbare veiligheidsrisico’s, evenals een uitrijlus die 24 uur per dag werkzaam is. [gedaagde] was genoodzaakt de versleuteling aan te passen omdat [eiser] derden lukraak binnenliet en deze derden gingen zwerven over het perceel van [gedaagde] . [eiser] kan bovendien zelf een belplateau installeren, op zijn eigen grond naast de poort.
In artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de eigenaar van een erf bevoegd is om zijn erf af te sluiten. Wanneer het erf wordt afgesloten en er is een erfdienstbaarheid van weg, dan moet de eigenaar ervoor zorgen dat de eigenaar van het heersend erf onbelemmerde toegang behoudt tot het dienend erf om de erfdienstbaarheid uit te oefenen. Dat betekent dat de eigenaar van het dienend erf de eigenaar van het heersend erf de mogelijkheid biedt zich op elk moment en zonder telkens afhankelijk te zijn van de directe medewerking van de eigenaar van het dienend erf, de toegang tot het erf te verschaffen ter uitoefening van de erfdienstbaarheid. Als het dienend erf met een hek is afgesloten, moet de eigenaar van het dienend erf aan de eigenaar van het heersend erf permanent een sleutel ter beschikking stellen waarmee, tot het zojuist genoemde doel, het hek kan worden geopend.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank een afweging moet maken. De afsluiting van het erf van [gedaagde] is illusoir als de poort geen veilige versleuteling biedt. Daar staat tegenover dat [eiser] onbelemmerd gebruik moet kunnen maken van de gevestigde erfdienstbaarheid, volgens de maatstaf genoemd in 5.4. In deze afweging speelt de versleuteling zoals die in het verleden is geweest geen rol. De rechtbank toetst enkel of de huidige versleuteling aan de maatstaf genoemd in 5.4 voldoet. De rechtbank zal hierna per onderdeel van de vordering van [eiser] een afweging maken.
Openen van de poort op afstand
[eiser] vordert dat [gedaagde] het weer mogelijk maakt voor [eiser] om de poort vanuit zijn huis te openen.
De rechtbank stelt voorop dat [gedaagde] geen aanpassingen mag doorvoeren in de versleuteling van de poort enkel als reactie of sanctie op vermeende gedragingen of overtredingen van [eiser] , zijn gezinsleden en/of bezoekers. In de artikelen 2 en 4 van de akte van 30 oktober 2012 zijn de gevolgen voor overtredingen van de bepalingen in die akte al uitputtend geregeld, namelijk in de vorm van een ‘wegsleepregeling’ en een boete. Dat neemt niet weg dat [gedaagde] de mogelijkheden tot het openen van de poort om veiligheidsredenen kan inperken.
[gedaagde] heeft toegelicht dat de mogelijkheid van het openen van de poort op afstand alleen veilig is wanneer er daarbij voldoende zicht is op de poort en de personen die door de poort naar binnen gaan. Het beeld dat een intercom geeft is daartoe niet toereikend. [gedaagde] zelf heeft vanuit zijn woning zicht op de poort en heeft camerabewaking. [eiser] heeft dat – onweersproken – niet. Daarom kan [gedaagde] de poort wel op een veilige manier op afstand openen, en [eiser] niet. De toelichting van [gedaagde] wordt onderbouwd door de verklaring van [bedrijf] . [eiser] stelt hier enkel tegenover dat het voor hem ongemak oplevert als hij bezoekers fysiek naar binnen en buiten moet begeleiden en dat bezoekers niet bij hem kunnen aanbellen. Naar het oordeel van de rechtbank weegt dit ongemak van [eiser] niet op tegen het veiligheidsargument van [gedaagde] . Bovendien kan [eiser] op zijn eigen grond, naast de poort van [gedaagde] , een bel plaatsen. Dat betekent dat [eiser] onvoldoende onderbouwd gesteld heeft dat de versleuteling hem op dit punt belemmert in de uitoefening van de erfdienstbaarheid. De rechtbank zal de vordering op dit punt daarom afwijzen.
De uitrijlus en het SOS-toegangssysteem
[eiser] vordert dat de uitrijlus bij de poort weer 24 uur per dag werkzaam is en dat er een SOS-toegangssysteem op de poort wordt geplaatst zodat hulpdiensten niet door de poort worden belemmerd.
[gedaagde] heeft toegelicht dat de uitrijlus door kwaadwillenden gemanipuleerd kan worden en deze daarom onvoldoende veiligheid biedt als deze in de nacht (tussen 23.00 en 7.00 uur) ingeschakeld is. Ook deze toelichting wordt gestaafd door de verklaring van [bedrijf] . Inmiddels is een SOS-toegangssysteem geïnstalleerd, waardoor hulpdiensten in geval van nood de poort kunnen openen. Op de mondelinge behandeling heeft [eiser] erkend dat het SOS-systeem naar tevredenheid geïnstalleerd is. Hij heeft ook verklaard dat het probleem dat hij had met de uitrijlus met name zag op het in- en uitrijden van hulpdiensten en dat dit met het plaatsen van het SOS-systeem is komen te vervallen.
De vordering zal op dat punt daarom bij gebrek aan belang worden afgewezen.
Twee nieuwe afstandsbedieningen en drie nieuwe tags
[eiser] vordert twee nieuwe afstandsbedieningen (voor auto’s) en drie nieuwe tags (voor voetgangers en/of fietsers) om de poort mee te kunnen openen.
Volgens [gedaagde] is het aantal verstrekte tags en afstandsbedieningen toereikend, omdat deze zijn gebaseerd op het aantal bewoners op het perceel van [eiser] , respectievelijk het aantal auto’s, plus één reserve die eventueel aan een bezoeker (bijvoorbeeld een tuinman) kan worden uitgeleend. De gevestigde erfdienstbaarheid geldt echter niet alleen voor [eiser] en zijn inwonende gezinsleden (de bewoners). De erfdienstbaarheid van weg omvat ook het recht van derden om de weg te gebruiken. Dat volgt uit geldende jurisprudentie, en het blijkt ook uit artikel 2 van de akte van 30 oktober 2012, waarin niet alleen wordt gesproken van de eigenaren van de heersende erven, maar ook van “alle andere personen die van de weg gebruik maken.” Het gaat hierbij niet om iedere willekeurige derde; in dat geval zou de versleuteling immers illusoir zijn. Te denken valt in dit geval aan vaste bezoekers, aan wie [eiser] ook de sleutel van zijn voordeur zou toevertrouwen. Op de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht dat zijn uitwonende zoon de enige vaste bezoeker is. De reservetag- en afstandsbediening legt hij in de brievenbus wanneer er incidenteel een tuinman, schoonmaker of glazenwasser komt. Op dit moment stelt [eiser] slechts twee tags te hebben omdat er twee stuk/verloren zijn. Waarom [eiser] drie extra afstandsbedieningen voor auto’s vordert, heeft hij niet toegelicht.
Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat [eiser] wordt belemmerd in de uitoefening van de erfdienstbaarheid wanneer hij minder dan vijf tags (voor de drie bewoners, de uitwonende zoon en één reserve) heeft en minder dan drie afstandsbedieningen (voor de twee auto’s en één reserve). De rechtbank zal de vordering daarom op dit punt toewijzen in die zin dat [gedaagde] ertoe zal worden veroordeeld een zodanig aantal tags en afstandsbedieningen aan [eiser] te verstrekken dat aan de hiervoor genoemde aantallen wordt voldaan. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat [eiser] op dit moment nog maar twee (bruikbare) tags in bezit heeft. [gedaagde] heeft dit betwist maar die betwisting niet nader onderbouwd. Hij kan het bedrijf dat in zijn opdracht is ingeschakeld raadplegen over het gebruik van de tags en deze indien nodig laten blokkeren. De rechtbank zal [gedaagde] twee maanden de tijd geven om aan de veroordeling te voldoen, in plaats van de door [eiser] gevorderde vijftien werkdagen. [gedaagde] is voor het verstrekken van nieuwe tags namelijk afhankelijk van een extern bedrijf.
Toezegging over deactivatie
[eiser] vordert dat [gedaagde] ertoe wordt veroordeeld dat hij toezegt de versleutelingssystemen nooit te zullen deactiveren.
Als toelichting op deze vordering heeft [eiser] enkel gesteld dat [gedaagde] op enig moment de poort gedeactiveerd zou hebben en daar ook mee zou hebben gedreigd. [gedaagde] heeft dat echter betwist en [eiser] heeft dit niet nader onderbouwd. Bovendien is denkbaar dat het op een zeker moment noodzakelijk kan zijn om de versleuteling (tijdelijk) uit te schakelen, bijvoorbeeld wegens reparatie of onderhoud; zo luidt ook de verklaring van [bedrijf] . De rechtbank zal de vordering op dit punt daarom afwijzen.
Conclusie
De conclusie van de rechtbank is dat de vordering van [eiser] ten aanzien van de huidige poort deels zal worden toegewezen: [eiser] heeft recht op een groter aantal tags. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.
De nieuw te plaatsen poort
Ten aanzien van de door [gedaagde] gewenste poort ter afsluiting van zijn erf, vordert [eiser] primair dat [gedaagde] verboden wordt om de poort te plaatsen. Subsidiair vordert [eiser] dat de poort zodanig wordt uitgevoerd dat deze qua grootte en versleuteling naar zijn wens is. Volgens [eiser] maakt [gedaagde] misbruik van zijn recht door zijn erf af te sluiten. Daarnaast zal de nieuw te plaatsen poort de uitoefening van de gevestigde erfdienstbaarheid belemmeren. Volgens [gedaagde] is zijn belang bij afsluiting van zijn erf met name gelegen in de privacy van hem en zijn partner, gezien de verstoorde relatie tussen de buren. Omdat de poort breder wordt dan de huidige opening naar het perceel van [eiser] , is van een belemmering in de uitoefening van de erfdienstbaarheid geen sprake.
Primaire vordering: verbod om de poort te plaatsen
De rechtbank stelt voorop dat het recht van een eigenaar om zijn erf af te sluiten een essentieel en vanzelfsprekend recht is. Aan het aannemen van misbruik van dit recht in de zin van artikel 3:13 BW, worden hoge eisen gesteld. Van misbruik van recht is pas sprake als [gedaagde] de poort wil plaatsen met geen ander doel dan [eiser] te schaden, of als zodanige onevenredigheid bestaat tussen het belang van [gedaagde] bij de poort en het belang van [eiser] dat daardoor wordt geschaad, dat [gedaagde] de poort in redelijkheid niet kan plaatsen.Het is aan [eiser] om de nodige feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat hiervan sprake is. Dat heeft hij naar het oordeel van de rechtbank niet gedaan. [eiser] heeft enkel gesteld dat hij van [gedaagde] geen bevredigend antwoord heeft gekregen op de vraag wat zijn belang is bij de afsluiting van zijn erf. [gedaagde] heeft echter toegelicht dat zijn belang bij de afsluiting van zijn erf is gelegen in zijn privacy. Op dit moment hebben [eiser] en [gedaagde] zicht op elkaars erf. Daarnaast staat vast dat de burenrelatie tussen [eiser] en [gedaagde] ernstig verstoord is. Vanwege die omstandigheden ziet de rechtbank het belang van [gedaagde] om zijn erf af te sluiten. Het belang van [eiser] zoals hij dat naar voren heeft gebracht, is erin gelegen dat hij op onbelemmerde wijze gebruik moet kunnen blijven maken van de gevestigde erfdienstbaarheid. De te plaatsen poort kan echter worden geopend over de gehele breedte van de huidige opening waarmee [eiser] op dit moment toegang heeft tot de weg. Daarmee vormt het plaatsen van een poort an sich geen belemmering van de uitoefening van de erfdienstbaarheid. [eiser] wordt dus niet geschaad in enig belang.
Dit betekent dat [eiser] onvoldoende onderbouwd gesteld heeft dat [gedaagde] met de plaatsing van de poort misbruik maakt van zijn recht op afsluiting van zijn erf. [eiser] heeft ook onvoldoende onderbouwd gesteld dat de plaatsing van een nieuwe poort an sich voor een belemmering zal zorgen in de uitoefening van de erfdienstbaarheid. De vordering zal op dit punt daarom worden afgewezen. [gedaagde] mag een poort plaatsen om zijn erf af te sluiten.
Subsidiaire vordering: uitvoering van de poort
Omdat de primaire vordering van [eiser] wordt afgewezen, zal de rechtbank de subsidiaire vordering van [eiser] beoordelen, die inhoudt dat de te plaatsen poort aan een aantal vereisten moet voldoen. Deze vereisten zien deels op de grootte van de poort en deels op de versleuteling van de poort. De rechtbank zal deze achtereenvolgens behandelen.
Breedte van de poort
[gedaagde] is van plan om een veertien meter brede poort te plaatsen zodat deze over de gehele breedte van de opening van het perceel van [eiser] naar de weg kan worden geopend. [eiser] vordert dat de breedte in overleg moet worden bepaald en dat de poort ten minste vijftien meter breed zou moeten zijn.
[eiser] is van plan om een deel van zijn erfafsluiting (een heg) weg te halen om meer ruimte te creëren voor het in- en uitrijden van de kliko’s die hij daar heeft geplaatst. Wanneer op die plek een poort wordt geplaatst, is het verwijderen van de heg niet meer mogelijk en wordt [eiser] beperkt in zijn eigendomsrecht. Volgens [gedaagde] is van een beperking van het eigendomsrecht geen sprake.
Bij het beantwoorden van de vraag of er sprake is van inbreuk waartegen een eigenaar dient te worden beschermd, vindt een belangenafweging plaats.
Vast staat dat aan beide zijden van de erfgrens door de eigenaren daarvan een heg is geplaatst. Wanneer de heggen met elkaar zijn vergroeid, is zelfs sprake van een mandelige heg (artikel 5:62 BW). In beide gevallen zal [eiser] toestemming van [gedaagde] nodig hebben om de erfafscheiding te verwijderen om de opening voor de kliko’s groter te maken. Uit op de stellingen van [gedaagde] leidt de rechtbank af dat [gedaagde] deze toestemming niet gaat verlenen. Wanneer een poort van vijftien meter breed wordt geplaatst, zal die in de huidige situatie deels worden geplaatst over een bestaande afsluiting van het erf. De breedte van de poort heeft daarmee geen toegevoegde waarde, terwijl dit wel extra kosten met zich meebrengt voor [gedaagde] .
Bij de vestiging van de erfdienstbaarheid in 2012 was de opening naar de weg bovendien al dertien meter breed. De rechtbank gaat ervan uit dat dit de toegangsbreedte is die partijen bij het vestigen van de erfdienstbaarheid voor ogen stond, aangezien er geen aanwijzingen zijn dat dit anders was. Sindsdien is de situatie ook niet veranderd en heeft [eiser] nooit te kennen gegeven de opening te willen uitbreiden. Dat doet hij pas nu [gedaagde] een poort wil plaatsen. Kliko’s zijn relatief kleine objecten en [eiser] heeft een relatief groot perceel. Daarmee zijn er ook andere mogelijkheden om meer manoeuvreerruimte te creëren voor de kliko’s. Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een poort van veertien meter breed geen ongeoorloofde inbreuk vormt op het eigendomsrecht van [eiser] . Dit betekent dat de vordering op dit punt zal worden afgewezen.
Hoogte van de poort
[eiser] vordert [gedaagde] ertoe te veroordelen dat de poort niet hoger mag zijn dan twee meter. [gedaagde] heeft hier geen verweer tegen gevoerd. De vordering wordt op dit punt daarom toegewezen.
Versleuteling van de poort
Volgens [eiser] moet de versleuteling van een nieuw te plaatsen poort aan een aantal vereisten voldoen, omdat deze hem anders belemmert in de uitoefening van de gevestigde erfdienstbaarheid. De poort moet op afstand te openen zijn en [eiser] wil niet afhankelijk zijn van tags. De poort moet voorzien zijn van een drukknop aan zowel de binnenkant als de buitenkant, zodat deze handmatig kan worden geopend. Daarnaast moet de afstandsbediening geïntegreerd worden met de afstandsbediening voor de huidige poort en moet er een noodstroomvoorziening worden aangebracht. Tot slot moet de poort zo lang open kunnen blijven staan als [eiser] wenst.
In 5.4 heeft de rechtbank reeds uiteengezet aan welke maatstaf moet worden getoetst om antwoord te geven op de vraag of de versleuteling van de poort een belemmering van de uitoefening van de gevestigde erfdienstbaarheid oplevert. Kort gezegd moet een afweging worden gemaakt tussen de veiligheid die de versleuteling moet bieden en de mogelijkheid van [eiser] om van de weg gebruik te maken op een manier die aansluit bij de feitelijke situatie. Een belangrijk verschil met de huidige poort naar de [straat] is dat de nieuw te plaatsen poort enkel tot doel heeft het erf van [gedaagde] af te sluiten van het erf van [eiser] . Aan het begin van de weg bevindt zich immers de huidige poort waarmee ongewenste bezoekers kunnen worden geweerd. De veiligheid en manier van versleuteling spelen daarmee een beduidend kleinere rol.
De rechtbank zal wederom per onderdeel van de vordering een afweging maken.
Afstandsbediening en noodstroomvoorziening
[eiser] vordert dat de poort wordt voorzien van de mogelijkheid om deze met een afstandsbediening te openen, op gelijke wijze als de afstandsbediening die voor de huidige toegangspoort in gebruik is. Daarnaast vordert [eiser] dat de poort wordt voorzien van een een noodstroomvoorziening. [gedaagde] heeft tegen beide vorderingen geen verweer gevoerd. De vordering zal op dit punt daarom worden toegewezen.
Drukknoppen
[eiser] vordert dat de poort aan beide zijden wordt voorzien van een drukknop zodat deze handmatig kan worden geopend.
Het verweer hiertegen van [gedaagde] , dat een handmatige drukknop onveilig zou zijn omdat deze door niet-gerechtigden kan worden gebruikt, naar het oordeel van de rechtbank niet op. Deze mogelijke niet-gerechtigden worden immers al geweerd door de huidige poort aan het begin van de weg. De vordering zal op dit punt daarom worden toegewezen.
Tags
[eiser] vordert dat hij voor de ontgrendeling van de poort niet afhankelijk zal zijn van tags.
Het is niet uitgesloten dat de poort een functie zal hebben waarmee de poort met tags kan worden geopend. De aanwezigheid van de drukknoppen en afstandsbedieningen brengen echter met zich mee dat [eiser] , zoals hij wenst, niet afhankelijk is van tags. De vordering zal op dit punt daarom bij gebrek aan belang worden afgewezen.
Openen van de poort op afstand
[eiser] vordert dat hij de poort vanuit zijn huis moet kunnen openen.
De rechtbank is van oordeel dat de drukknop, geïntegreerde afstandsbedieningen en eventuele tags [eiser] voldoende mogelijkheid bieden om de poort te openen. Van [gedaagde] kan daarom niet worden gevergd dat hij een intercomfunctie of huismodule bekostigt. De vordering zal op dit punt daarom worden afgewezen.
Duur van opening
De nieuw te plaatsen poort zal – net als de huidige poort aan het begin van de weg – automatisch sluiten na gebruik door middel van een sensor. [eiser] vordert dat de poort open moet kunnen blijven staan “voor de duur die hij wenst.”
[eiser] heeft, ook desgevraagd, niet nader onderbouwd waarom de poort langer open zou moeten blijven dan noodzakelijk is om door de poort te gaan. Daar staat tegenover dat, zoals reeds uiteengezet in 5.18, het recht tot afsluiting van het erf een vanzelfsprekend en essentieel recht is. Wanneer de poort naar wens van [eiser] open zou kunnen blijven staan, wordt de afsluiting en daarmee het recht van [gedaagde] illusoir. De vordering zal op dit punt daarom worden afgewezen.
Conclusie
De conclusie van de rechtbank is dat de subsidiaire vordering ten aanzien van de nieuw te plaatsen poort deels zal worden toegewezen, namelijk op het punt van de hoogte van de poort, de afstandsbedieningen, de noodstroomvoorziening en de drukknoppen. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.
Dwangsom
[eiser] vordert dat er een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte daarvan gekoppeld wordt aan het niet voldoen aan de veroordeling door [gedaagde] , met een maximum van € 50.000,00. Omdat de rechtbank slechts een deel van de vordering toewijst staat de hoogte van de gevorderde dwangsom naar haar oordeel niet in verhouding tot hetgeen waartoe [gedaagde] wordt veroordeeld. De rechtbank zal de hoogte van de dwangsom daarom beperken tot een bedrag van € 250,00 per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] niet aan de veroordeling voldoet, met een maximum van € 10.000,00.
Buitengerechtelijke kosten en verrekening
De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-Integraal 2013, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. [eiser] heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en heeft vergoeding daarvan gevorderd. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, zodat de rechtbank de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal toewijzen. De gevorderde vergoeding van € 925,00 is in overeenstemming met het tarief in het Besluit en is daarom redelijk. Volgens [gedaagde] zijn deze kosten niet correct aangezegd, maar dat is in dit geval niet vereist. De vordering is daarom in principe toewijsbaar.
Volgens [gedaagde] kunnen de gevorderde buitengerechtelijke kosten verrekend worden met boetes die op grond van artikel 4 van de akte van 30 oktober 2012 opvorderbaar zijn geworden omdat [eiser] overtredingen heeft begaan. Ter onderbouwing daarvan heeft [gedaagde] verwezen naar beeldmateriaal dat hij bij de dagvaarding en aanvullende akte heeft overgelegd. Op dat beeldmateriaal zijn volgens hem overtredingen van [eiser] vastgelegd.
Voor verrekening is wederkerigheid tussen partijen, gelijksoortigheid van prestaties, bevoegdheid tot betaling van de schuld, en opeisbaarheid van de tegenvordering vereist (artikel 6:127 BW). De rechtbank kan de vordering ondanks het verrekeningsverweer toewijzen indien de tegenvordering waarop de verweerder zich ter verrekening beroept niet eenvoudig vast te stellen is (artikel 6:136 BW).
[gedaagde] heeft op de mondelinge behandeling desgevraagd toegelicht dat hij zich specifiek beroept op de volgende overtredingen:
-
Op 29 januari 2022, 13 juni 2022, 6 december 2022 en 8 februari 2024 stonden er voertuigen van (bezoekers van) [eiser] gedeeltelijk op de weg geparkeerd. Dit is vastgelegd op foto’s 2, 4, 5, 16 en 19 in productie 7 bij de dagvaarding.
-
Op 18 maart 2026 heeft een lesauto bijna een kwartier lang gewacht aan de buitenzijde van de poort. Dit is vastgelegd op foto’s 44, 45 en 46 in productie 24 bij de akte van [gedaagde] .
[eiser] heeft zich op de mondelinge behandeling gemotiveerd verweerd tegen de gestelde overtredingen. Volgens [eiser] moet artikel 2 sub b van de akte van 30 oktober 2012 aldus worden uitgelegd dat alleen sprake is van een overtreding wanneer voertuigen of andere zaken zich op de weg bevinden én dit de doorgang belemmert. Daarvan is geen sprake geweest. Bij de voertuigen zichtbaar op de foto’s 2, 4, 5 en 19 spreekt dat voor zich. De wagen die op foto 16 te zien is, heeft lamellen gelost en is daarna doorgereden. [gedaagde] kon er op dat moment met zijn fiets langs. Voor wat betreft de lesauto bevond deze zich volgens [eiser] op de openbare weg, want het perceel van [gedaagde] loopt na de poort nog één meter door.
De rechtbank kan in de huidige stand van het debat tussen partijen niet eenvoudig vaststellen dat [eiser] een of meer overtredingen heeft begaan. Een oordeel hierover vergt een diepgaander debat, onder andere over de erfgrens, en vergt uitleg van de betreffende bepaling in de akte.. Daarmee is de rechtbank van oordeel dat de tegenvordering van [gedaagde] niet op eenvoudige wijze worden vastgesteld. Dat betekent dat aan het verrekeningsverweer van [gedaagde] wordt voorbijgegaan en dat de vordering ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten zal worden toegewezen.
Proceskosten
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6 De beslissing
De rechtbank
veroordeelt [gedaagde] om binnen twee maanden na de betekening van dit vonnis aan [eiser] drie nieuwe tags te verstrekken voor het openen van de huidige toegangspoort;
veroordeelt [gedaagde] ertoe, indien hij een nieuwe poort plaatst ter afsluiting van zijn erf, dat deze voldoet aan de volgende vereisten:
-
de poort is maximaal twee meter hoog;
-
de poort bevat per deel aan zowel de binnen- als buitenzijde een drukknop waarmee deze handmatig kan worden geopend;
-
de poort is voorzien van een noodstroomvoorziening;
-
de poort is voorzien van de mogelijkheid om deze met een afstandsbediening te openen, op gelijke wijze als de afstandsbediening die voor de huidige toegangspoort in gebruik is;
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordelingen in 6.1 en 6.2 voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 925,00 aan buitengerechtelijke kosten;
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Onzenoort en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026. |
||