Verbintenissenrecht

Luchtvaart; EPGV; de vervoerder heeft onvoldoende concreet gesteld dat hij alle redelijke maatregelen heeft…

Rechtbank Noord-Holland, 5 november 2025

Zaakgegevens

Op 5 november 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
5 november 2025
Datum publicatie
6 november 2025
Zaaknummer
11703083
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2025:12895
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Luchtvaart; EPGV; de vervoerder heeft onvoldoende concreet gesteld dat hij alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging op de eindbestemming te voorkomen of te beperken

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 11703083 \ CV FORM 25-3095

Uitspraakdatum: 5 november 2025

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

1 [verzoeker 1], wonende te [plaats 1]

2. [verzoeker 2]

3. [verzoeker 3]

beiden wonende te [plaats 2]

4. [verzoeker 4]

5. [verzoeker 5]

beiden wonende te [plaats 3]

6. [verzoeker 6]

7. [verzoeker 7]

8. [verzoeker 8]

allen wonende te [plaats 4]

9. [verzoeker 9]wonende te [plaats 1]

verzoekende partij

verder te noemen: de passagiers

gemachtigde: [gemachtigde] (ProBe-ASP B.V., handelend onder de naam Aviclaim)

tegen


de vennootschap naar buitenlands recht

EasyJet Europe Airline GmbH

gevestigd te Wenen (Oostenrijk)

verwerende partij

verder te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. B. Koolhaas (BK Legal)

1 Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • het vorderingsformulier (formulier A);

  • het verweerschrift.

2 De feiten

2.1.

De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hen op 29 juli 2023 moest vervoeren van Costa Smeralda Airport (Italië) naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vlucht EC7818 (hierna: de vlucht).

2.2.

De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd.

2.3.

De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder verzocht.

2.4.

De vervoerder heeft niet uitbetaald.

2.5.

Passagiers sub 1 en sub 9 hebben het vermeende vorderingsrecht van hun minderjarige kinderen [minderjarige 3], [minderjarige 4] en [minderjarige 5] aan zichzelf gecedeerd.

2.6.

Passagiers sub 2 en sub 3 hebben het vermeende vorderingsrecht van hun minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan zichzelf gecedeerd.

3 Het geschil

3.1.

De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:

- € 3.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 475,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten.

3.2.

De passagiers baseren hun verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,00 per passagier.

3.3.

De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt ingegaan bij de beoordeling.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.

4.2.

Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als hij kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden, die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.

4.3.

De kantonrechter oordeelt dat wat er ook zij van eventuele buitengewone omstandigheden, de vervoerder onvoldoende concreet heeft gesteld dat hij alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging op de eindbestemming te voorkomen of te beperken.
Passagiers sub 1 en sub 9 & sub 2 en sub 3

4.4.

De vervoerder stelt dat er binnen 24 uur geen alternatieve vlucht beschikbaar was, maar de passagiers heeft omgeboekt op een (indirect) alternatief naar Amsterdam. Het Hof heeft geoordeeld dat dat het in beginsel geen redelijke maatregel is als passagiers met een door de vervoerder zelf uitgevoerde alternatieve vlucht de dag na de oorspronkelijk vastgestelde dag aankomen. Het is in een dergelijk geval aan de vervoerder om te stellen en te onderbouwen dat er geen sneller alternatief met plaats beschikbaar was. Dit heeft hij echter nagelaten.

Passagiers sub 4 en sub 5 & sub 6 t/m 8

4.5.

De passagiers hebben zich op het standpunt gesteld dat zij zelf (een) vervangende vlucht(en) moesten boeken. De vervoerder heeft hier tegenin gebracht dat alle passagiers die daar om hebben verzocht een refund voor de door hen gemaakte ticketkosten hebben gekregen. Daarnaast stelt hij dat hij direct een alternatieve vlucht of vervoer heeft aangeboden maar dit is, zonder nadere concretisering, niet af te leiden uit de rest van zijn betoog. Daarom heeft de vervoerder niet voldaan aan zijn plicht om bijstand te bieden. De passagiers hadden immers niet de keuze tussen een alternatieve vlucht of terugbetaling van de ticketkosten.

4.6.

Gelet op het voorgaande kan de vervoerder niet worden ontslagen van zijn verplichting om de gedupeerde passagiers te compenseren. De door de passagiers verzochte compensatie zal daarom worden toegewezen. De over de hoofdsom verzochte wettelijke rente is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar.

4.7.

De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten verzocht. De vervoerder heeft dit verzoek (gemotiveerd) betwist. Het verzoek heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of deze kosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat de passagiers buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II, omdat de tarieven neergelegd in voornoemd Besluit worden geacht redelijk te zijn. Het verzochte bedrag is niet hoger dan het volgens het Besluit berekende tarief. De verzochte buitengerechtelijke incassokosten zullen daarom worden toegewezen.

4.8.

De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder omdat deze ongelijk krijgt. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken.

4.9.

Op verzoek van de passagiers zal een certificaat aan deze beschikking worden gehecht.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 3.975,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.500,00 vanaf 29 juli 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op € 257,00 aan griffierecht en € 271,00 aan salaris gemachtigde;

5.3.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 135,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.


Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open

Artikel 7 van de Verordening. Artikel 5 lid 3 van de Verordening. HvJEU 11 juni 2020, C-74/19, ECLI:EU:C:2020:460. Zoals bedoeld in artikel 8 van de Verordening. Zoals bedoeld in artikel 20 lid 2 van de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen.