Verbintenissenrecht

Luchtvaart. EPGV. De passagiers vragen compensatie van de vervoerder voor een vertraagde vlucht. De…

Rechtbank Noord-Holland, 1 april 2026

Zaakgegevens

Op 1 april 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
1 april 2026
Datum publicatie
2 april 2026
Zaaknummer
11971083 \ CV FORM 25-7742
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:3527
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Luchtvaart. EPGV. De passagiers vragen compensatie van de vervoerder voor een vertraagde vlucht. De vervoerder stelt dat de vertraging het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden, namelijk latere opgelegde vertrektijden door de luchtverkeersleiding. Het verweer slaagt en het verzoek wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 11971083 \ CV FORM 25-7742

Uitspraakdatum: 1 april 2026

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

1 [verzoeker 1]

2. [verzoeker 2]

3. [verzoeker 3]

allen wonende te [plaats]
verzoekende partijen

verder te noemen: de passagiers

gemachtigde: ProBe-ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

Société Air France

gevestigd te Parijs, Frankrijk

verwerende partij

verder te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD N.V.)

De zaak in het kort

De passagiers vragen compensatie van de vervoerder voor een vertraagde vlucht. De vervoerder stelt dat de vertraging het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden, namelijk latere opgelegde vertrektijden door de luchtverkeersleiding. Het verweer slaagt en het verzoek wordt afgewezen.

1 Het procesverloop

1.1.

Dit verloop blijkt uit:

  • het vorderingsformulier (formulier A);

  • het antwoordformulier (formulier C) en het verweerschrift.

2 De feiten

2.1.

De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 29 februari 2024 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via Parijs, Frankrijk, naar San Jose, Cosa Rica, met vluchtcombinatie AF1341 en AF428.

2.2.

De vervoerder heeft vlucht AF1341 van Amsterdam naar Parijs (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben de aansluitende vlucht gemist. De passagiers zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht waarmee zij met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen.

2.3.

De passagiers hebben de vervoerder daarom om compensatie verzocht.

2.4.

De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3 Het geschil

3.1.

De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:

- € 1.800,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 270,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten.

3.2.

De passagiers baseren hun verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,- per persoon.

3.3.

De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.

4.2.

Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als hij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een omstandigheid buitengewoon als deze niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij daar ook geen invloed op kon uitoefenen.

4.3.

De vervoerder stelt dat de vlucht in kwestie onderdeel was van de rotatievlucht
Parijs – Amsterdam – Parijs (vluchtnummers AF1340 en AF1341). Volgens hem werd vlucht AF1340 van Parijs naar Amsterdam vertraagd omdat het toestel niet tijdig mocht vertrekken van de luchtverkeersleiding. Uiteindelijk is vlucht AF1340 daarom met 51 minuten vertraging uitgevoerd. Deze vertraging werkte door op de vlucht in kwestie. Vervolgens kreeg ook de vlucht in kwestie pas later toestemming op te vertrekken. Daardoor is de vlucht in kwestie uiteindelijk met 57 minuten vertraagd.

4.4.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van (de doorwerking van) opgelegde beperkingen door de luchtverkeersleiding op zowel de voorgaande vlucht als op de vlucht in kwestie. Als de luchtverkeersleiding een toestel een latere vertrektijd oplegt, heeft dit niet de mogelijkheid om toch eerder te vertrekken. De instructies van de luchtverkeersleiding moeten namelijk altijd worden opgevolgd. Dit is niet inherent aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij heeft daar ook geen invloed op. Daarmee was de vertraging van de vlucht het gevolg van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Vast staat dat de passagiers hierdoor de aansluitende vlucht hebben gemist. De langdurig vertraagde aankomst van de passagiers op de eindbestemming was dus het gevolg van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden.

4.5.

Resteert de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen en te beperken. De vervoerder stelt in dit verband dat hij geen invloed had op de beslissingen van de luchtverkeersleiding maar dat hij de vlucht in deze omstandigheden zo snel mogelijk heeft uitgevoerd. Na het missen van de aansluitende vlucht heeft hij de passagiers omgeboekt naar de eerst beschikbare alternatieve vlucht naar de eindbestemming.

4.6.

Het verweer slaagt. Niet valt in te zien wat er onder deze omstandigheden meer of anders van de vervoerder kon worden verwacht. De vervoerder heeft voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat hij de passagiers daarbij heeft omgeboekt naar de eerst beschikbare alternatieve vlucht. Voor zover de passagiers dit in het vorderingsformulier hebben betwist, had het op hun weg gelegen om concreet aan te voeren welke eerdere alternatieven er voor hen beschikbaar waren. Omdat zij dit hebben nagelaten, slaagt dit betoog niet. Daarmee heeft de vervoerder alle redelijke maatregelen getroffen. Het verzoek zal worden afgewezen.

4.7.

De proceskosten komen voor rekening van de passagiers omdat zij ongelijk krijgen. Ook de nakosten komen voor rekening van de passagiers, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening plaatsvindt, met de kosten van betekening van deze beschikking.

5 De beslissing
De kantonrechter:

5.1.

wijst het verzochte af;

5.2.

veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de vervoerder tot en met vandaag worden begroot op € 217,00 aan salaris gemachtigde,
en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 108,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt,
te vermeerderen, indien betekening plaatsvindt, met de kosten van betekening van deze beschikking;

5.3.

verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. S. Kleij, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open

Artikel 7 van de Verordening. Artikel 5 lid 3 van de Verordening. Zie onder meer HvJEU 22 december 2008, C-549/07, ECLI:EU:C:2008:771.