Verbintenissenrecht

Luchtvaart. EPGV. De passagier vraagt compensatie van de vervoerder voor een vertraagde vlucht. De vervoerder…

Rechtbank Noord-Holland, 8 april 2026

Zaakgegevens

Op 8 april 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
8 april 2026
Datum publicatie
9 april 2026
Zaaknummer
11973269 \ CV FORM 25-7763
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:3787
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Luchtvaart. EPGV. De passagier vraagt compensatie van de vervoerder voor een vertraagde vlucht. De vervoerder stelt dat de vertraging het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden, namelijk latere opgelegde vertrektijden door de luchtverkeersleiding. Het verweer slaagt en het verzoek wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 11973269 \ CV FORM 25-7763

Uitspraakdatum: 8 april 2026

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

[verzoeker]
wonende te [plaats]

verzoekende partij

verder te noemen: de passagier

gemachtigde: ProBe-ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

Société Air France

gevestigd te Parijs, Frankrijk

verwerende partij

verder te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD N.V.)

De zaak in het kort
De passagier vraagt compensatie van de vervoerder voor een vertraagde vlucht. De vervoerder stelt dat de vertraging het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden, namelijk latere opgelegde vertrektijden door de luchtverkeersleiding. Het verweer slaagt en het verzoek wordt afgewezen.

1 Het procesverloop

1.1.

Dit verloop blijkt uit:

  • het vorderingsformulier (formulier A);

  • het antwoordformulier (formulier C) en het verweerschrift.

2 De feiten

2.1.

De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hem op 26 januari 2024 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via Parijs, Frankrijk, naar Miami, Verenigde Staten, met vluchtcombinatie AF1641 en AF92.

2.2.

De vervoerder heeft vlucht AF1641 van Amsterdam naar Parijs (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagier heeft de aansluitende vlucht gemist. De passagier is omgeboekt naar een alternatieve vlucht waarmee hij met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming is aangekomen.

2.3.

De passagier heeft de vervoerder daarom verzocht om hem te compenseren.

2.4.

De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3 Het geschil

3.1.

De passagier verzoekt de vervoerder te veroordelen tot betaling van:

- € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 90,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten.

3.2.

De passagier baseert zijn verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder hem vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,-.

3.3.

De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.

4.2.

Vast staat dat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming is aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als hij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een omstandigheid buitengewoon als deze niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij daar ook geen invloed op kon uitoefenen.

4.3.

De vervoerder stelt dat de vlucht in kwestie onderdeel was van de rotatievlucht
Parijs – Amsterdam – Parijs (vluchtnummers AF1640 en AF1641). Vlucht AF1640 van Parijs naar Amsterdam mocht niet tijdig vertrekken van de luchtverkeersleiding, waardoor deze vlucht met een vertraging van 2 uur en 20 minuten is uitgevoerd. Deze vertraging werkte door op de vlucht in kwestie. Vervolgens legde de luchtverkeersleiding in Amsterdam ook een latere vertrektijd op aan de vlucht in kwestie. Uiteindelijk is de vlucht in kwestie met een vertraging van 2 uur en 4 minuten uitgevoerd. Ter onderbouwing heeft hij onder meer berichten van de luchtverkeersleiding overgelegd.

4.4.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van (de doorwerking van) opgelegde beperkingen door de luchtverkeersleiding op zowel de voorgaande vlucht als op de vlucht in kwestie. Als de luchtverkeersleiding een toestel een latere vertrektijd oplegt, heeft dit niet de mogelijkheid om toch eerder te vertrekken. De instructies van de luchtverkeersleiding moeten namelijk altijd worden opgevolgd. Dit is niet inherent aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij heeft daar ook geen invloed op. Daarmee was de vertraging van de vlucht het gevolg van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Vast staat dat de passagier hierdoor de aansluitende vlucht heeft gemist. De langdurig vertraagde aankomst van de passagier op de eindbestemming was dus het gevolg van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden.

4.5.

Resteert de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen en te beperken. De vervoerder stelt in dit verband dat hij geen invloed had op de beslissingen van de luchtverkeersleiding maar dat hij de vlucht in deze omstandigheden zo snel mogelijk heeft uitgevoerd. Na het missen van de aansluitende vlucht heeft hij de passagier omgeboekt naar de eerst beschikbare alternatieve vlucht naar de eindbestemming.

4.6.

Het verweer slaagt. Niet valt in te zien wat er onder deze omstandigheden meer of anders van de vervoerder kon worden verwacht. De vervoerder heeft voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat hij de passagier daarbij heeft omgeboekt naar de eerst beschikbare alternatieve vlucht. Voor zover de passagier dit in het vorderingsformulier heeft betwist, had het op zijn weg gelegen om concreet aan te voeren welke eerdere alternatieven er voor hem beschikbaar waren. Omdat hij dit heeft nagelaten, slaagt dit betoog niet. Daarmee heeft de vervoerder alle redelijke maatregelen getroffen. Het verzoek zal worden afgewezen.

4.7.

De proceskosten komen voor rekening van de passagier omdat hij ongelijk krijgt. Ook de nakosten komen voor rekening van de passagier, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening plaatsvindt, met de kosten van betekening van deze beschikking.

5 De beslissing
De kantonrechter:

5.1.

wijst het verzochte af;

5.2.

veroordeelt de passagier tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de vervoerder tot en met vandaag worden begroot op € 144,00 aan salaris gemachtigde,
en veroordeelt de passagier tot betaling van € 72,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt,
te vermeerderen, indien betekening plaatsvindt, met de kosten van betekening van deze beschikking;

5.3.

verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. S. Kleij, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open

Artikel 7 van de Verordening. Artikel 5 lid 3 van de Verordening. Zie onder meer HvJEU 22 december 2008, C-549/07, ECLI:EU:C:2008:771.