Verbintenissenrecht
Luchtvaart. EPGV. De passagiers vragen compensatie van de vervoerder voor een vertraagde vlucht. Zij hebben…
Rechtbank Noord-Holland, 1 juli 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:8458 · Rechtbank Noord-Holland · 1 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/civiel-recht/verbintenissenrecht/beschikking/ecli-nl-rbnho-2026-8458
Zaakgegevens
Op 1 juli 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 1 juli 2026
- Datum publicatie
- 9 juli 2026
- Zaaknummer
- 12074115 \ CV FORM 26-590
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2026:8458
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Luchtvaart. EPGV. De passagiers vragen compensatie van de vervoerder voor een vertraagde vlucht. Zij hebben de aansluitende vlucht gemist en zijn daardoor langdurig vertraagd aangekomen. De vervoerder doet een beroep op buitengewone omstandigheden. Het verweer slaagt niet omdat uit zijn betoog blijkt dat de passagiers ondanks de vertraging nog voldoende tijd hadden om de overstap te halen. Daarmee heeft hij het verband tussen de eventuele buitengewone omstandigheden en het missen van de overstap onvoldoende onderbouwd. Het verzoek om compensatie wordt toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 12074115 \ CV FORM 26-590
Uitspraakdatum: 1 juli 2026
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
1 [verzoeker 1]
2. [verzoeker 2]
beiden wonende te [plaats]
verzoekende partijen
verder te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp (EUclaim B.V.)
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Italia Trasporto Aereo S.p.A.,
gevestigd te Rome, Italië
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. L. Rietveld (Heussen)
De zaak in het kort
De passagiers vragen compensatie van de vervoerder voor een vertraagde vlucht. Zij hebben de aansluitende vlucht gemist en zijn daardoor langdurig vertraagd aangekomen. De vervoerder doet een beroep op buitengewone omstandigheden. Het verweer slaagt niet omdat uit zijn betoog blijkt dat de passagiers ondanks de vertraging nog voldoende tijd hadden om de overstap te halen. Daarmee heeft hij het verband tussen de eventuele buitengewone omstandigheden en het missen van de overstap onvoldoende onderbouwd. Het verzoek om compensatie wordt toegewezen.
1 Het procesverloop
Dit verloop blijkt uit:
-
het vorderingsformulier (formulier A);
-
het antwoordformulier (formulier C).
2 De feiten
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 7 oktober 2024 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via Milaan, Italië, naar Brindisi, Italië, met vluchtcombinatie AZ121 en AZ1641.
De vervoerder heeft vlucht AZ121 van Amsterdam naar Milaan (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben de aansluitende vlucht gemist. De passagiers zijn omgeboekt op een alternatieve vlucht waarmee zij met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder verzocht.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3 Het geschil
De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:
- € 800,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 145,20 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging moet compenseren met een bedrag van € 400,- per persoon.
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden.
4 De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als hij kan aantonen dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder, ongeacht welk gedeelte van de vertraging van de vlucht het gevolg was eventuele buitengewone omstandigheden, onvoldoende concreet heeft gesteld en onderbouwd dat de passagiers hierdoor de aansluitende vlucht hebben gemist.
Vast staat immers dat er oorspronkelijk een overstaptijd van 55 minuten was ingepland en dat de vlucht in kwestie uiteindelijk met 29 minuten vertraging is aangekomen. Volgens de vervoerder betrof de minimumoverstaptijd (‘MCT’) op de luchthaven van Milaan 20 minuten. Hij had dus oorspronkelijk een buffer van 35 minuten bovenop de minimumoverstaptijd ingepland. Dit betekent dat de passagiers ondanks de vertraging van de vlucht in beginsel alsnog voldoende overstaptijd hadden om de aansluitende vlucht te halen. Het missen van de aansluitende vlucht kan dan ook niet (alleen) het gevolg zijn geweest van de eventuele buitengewone omstandigheden. Het had op de weg van de vervoerder gelegen om toe te lichten waarom de passagiers de overstap desondanks hebben gemist. Omdat hij dit heeft nagelaten slaagt het verweer niet. Het verzoek zal worden toegewezen.
De gevorderde wettelijke rente over de compensatie is eveneens toewijsbaar, met ingang van de datum waarop de passagiers schade hebben geleden. Dat is de datum waarop zij op de eindbestemming hadden moeten aankomen. Het betreft hier een verzoek tot vergoeding van forfaitair berekende schade, zodat deze schade direct opeisbaar is. Het verzuim treedt dus zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. De rente over de compensatie wordt daarom toegewezen zoals verzocht.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten verzocht. De vervoerder heeft dit verzoek (gemotiveerd) betwist. Omdat het onderhavige verzoek geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en dat hiervoor door de passagiers kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II, omdat de tarieven neergelegd in voornoemd Besluit worden geacht redelijk te zijn. Omdat het verzochte bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de verzochte buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.
De verzochte rente over de buitengerechtelijke kosten is eveneens toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van het indienen van het vorderingsformulier. De passagiers hebben daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Het is niet gesteld of gebleken dat zij dit ook al vanaf een eerdere datum hadden.
De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder omdat hij ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De verzochte rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking.
Op verzoek van de passagiers zal een certificaat aan deze beschikking worden gehecht.
5 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 945,20, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 800,00 vanaf 7 oktober 2024 en over € 145,20 vanaf 28 januari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op € 233,00 aan griffierecht en € 144,00 aan salaris gemachtigde,
en veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 72,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt,
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking tot aan de dag van de algehele voldoening;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Kleij, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open