Verbintenissenrecht

Luchtvaart. EPGV. De passagier vraagt compensatie voor een geannuleerde vlucht. De vervoerder doet een beroep…

Rechtbank Noord-Holland, 15 juli 2026

Zaakgegevens

Op 15 juli 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
15 juli 2026
Datum publicatie
17 juli 2026
Zaaknummer
12137864 \ CV FORM 26-1644
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:8983
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Luchtvaart. EPGV. De passagier vraagt compensatie voor een geannuleerde vlucht. De vervoerder doet een beroep op buitengewone omstandigheden. Het verweer slaagt niet omdat de passagier heeft aangevoerd dat de vervoerder hem na de annulering had kunnen omboeken naar een eerder alternatief en de vervoerder dit onvoldoende heeft weersproken. Daarmee heeft de vervoerder niet alle redelijke maatregelen getroffen om de vertraging door de annulering te beperken. Het verzoek wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 12137864 \ CV FORM 26-1644

Uitspraakdatum: 15 juli 2026

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

[verzoeker]
wonende te [plaats]

verzoekende partij

verder te noemen: de passagier

gemachtigde: ProBe-ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim

tegen

EasyJet Europe Airline GmbH

gevestigd te Wenen, Oostenrijk

verwerende partij

verder te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. B. Koolhaas (BK Legal)

De zaak in het kort
De passagier vraagt compensatie voor een geannuleerde vlucht. De vervoerder doet een beroep op buitengewone omstandigheden. Het verweer slaagt niet omdat de passagier heeft aangevoerd dat de vervoerder hem na de annulering had kunnen omboeken naar een eerder alternatief en de vervoerder dit onvoldoende heeft weersproken. Daarmee heeft de vervoerder niet alle redelijke maatregelen getroffen om de vertraging door de annulering te beperken. Het verzoek wordt toegewezen.

1 Het procesverloop

1.1.

Dit verloop blijkt uit:

  • het vorderingsformulier (formulier A);

  • het verweerschrift.

2 De feiten

2.1.

De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hem op 11 oktober 2024 vervoeren van Kopenhagen, Denemarken, naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vlucht EC7940, dan wel EZY7940 (hierna: de vlucht).

2.2.

De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd.

2.3.

De passagier heeft daarom compensatie van de vervoerder verzocht.

2.4.

De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3 Het geschil

3.1.

De passagier verzoekt de vervoerder te veroordelen tot betaling van:

- € 250,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten.

3.2.

De passagier baseert zijn verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder hem vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,-.

3.3.

De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.

4.2.

Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als hij kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.

4.3.

De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder, ongeacht of de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden, onvoldoende concreet heeft gesteld en onderbouwd dat hij vervolgens alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging door de annulering te beperken.

4.4.

De vervoerder stelt immers dat het niet mogelijk was om de annulering te voorkomen, maar dat hij de vertraging beperkt heeft door de passagier om te boeken naar de eerst beschikbare alternatieve vlucht naar de eindbestemming. De passagier heeft dit echter al bij voorbaat betwist. Hij heeft aangevoerd dat er meerdere andere alternatieven beschikbaar waren, waarmee hij met minder vertraging op de eindbestemming zou zijn aangekomen. Nu is hij ruim 19 uur later aangekomen. Ter onderbouwing heeft hij een lijst met andere vluchten in het geding gebracht.

4.5.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder hiermee onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat hij de passagier heeft omgeboekt naar het eerst beschikbare alternatief. De enkele stelling dat de aangeboden alternatieve vlucht de eerst mogelijke betrof, is daartoe, gelet op de gemotiveerde betwisting door de passagier, onvoldoende. Het had op zijn weg gelegen om in ieder geval toe te lichten waarom het niet mogelijk was om de passagier om te boeken naar een van de door de passagier genoemde alternatieven, bijvoorbeeld omdat er daarop geen plek voor de passagier was of vanwege andere (praktische) redenen. Omdat hij dit heeft nagelaten, kan niet worden geoordeeld dat hij alle redelijke maatregelen voor de passagier heeft getroffen om de vertraging door de annulering te beperken.

4.6.

Dit betekent dat in het midden kan blijven of de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden en de vervoerder de passagier moet compenseren. Het verzoek zal worden toegewezen. Het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente is als anderszins onweersproken eveneens toewijsbaar.

4.7.

De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten verzocht. De vervoerder heeft dit verzoek (gemotiveerd) betwist. Omdat het onderhavige verzoek geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. De kantonrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en dat hiervoor door de passagier kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II, omdat de tarieven neergelegd in voornoemd Besluit worden geacht redelijk te zijn. Omdat het verzochte bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de verzochte buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.

4.8.

De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder omdat hij ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt.

4.9.

Op verzoek van de passagier zal een certificaat aan deze beschikking worden gehecht.

5 De beslissing
De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 290,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 250,00 vanaf 11 oktober 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op € 93,00 aan griffierecht en € 87,00 aan salaris gemachtigde en veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 43,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open

Artikel 7 van de Verordening. Artikel 5 lid 3 van de Verordening. Zoals bedoeld in artikel 20 lid 2 van de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2421 van 16 december 2015.