Verbintenissenrecht

Kort geding. Gebieds- en contactverbod en verbod om mede-eigendom te beschadigen met dwangsom en machtiging…

Rechtbank Noord-Holland, 3 maart 2026

Zaakgegevens

Op 3 maart 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
3 maart 2026
Datum publicatie
7 augustus 2026
Zaaknummer
C/15/373876
Procedure
Kort geding
Advocaat
mr. E.N. de Bode
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:10164
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kort geding. Gebieds- en contactverbod en verbod om mede-eigendom te beschadigen met dwangsom en machtiging om met behulp van de sterke arm van politie en justitie de tenuitvoerlegging van het vonnis te bewerkstelligen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/373876 / KG ZA 26-23

Vonnis in kort geding van 3 maart 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats 1],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. E.N. de Bode,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats 2],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties

- de mondelinge behandeling van 17 februari 2026 waarbij de griffier aantekeningen heeft gemaakt

- het tijdens de mondelinge behandeling tegen [gedaagde] verleende verstek.

1.2.

Vervolgens is bepaald dat vandaag vonnis wordt uitgesproken.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

a. [gedaagde] te verbieden om zich gedurende één jaar, dan wel een dusdanige periode als de rechter redelijk acht, na datum wijzen van dit vonnis te bevinden in de gemeente [plaats 1] en wel meer bepaald in het gebied tussen de [adres 1], [adres 2], de [adres 3], de [adres 4], [adres 5], [adres 6] en de (denkbeeldige) lijn [adres 6] tot aan de [adres 1] ter hoogte van huisnummer [nummer] ([bedrijf]), in welk gebied de hiervoor genoemde straten zelf ook zijn begrepen,

[gedaagde] te verbieden om gedurende één jaar na wijzen van dit vonnis fysiek, telefonisch, per gewone post en per e-mail of langs andere elektronische weg contact op te nemen met [eiser],

[gedaagde] te verbieden om na datum vonnis beschadigingen aan te richten, in welke vorm dan ook, aan het pand [adres 7] te [plaats 1], met inbegrip van alle aanhorigheden van het pand, waaronder maar niet beperkt tot de tuin, terras, erfafscheiding en schuttingen,

a, b en c op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,- per keer, voor elke keer dat [gedaagde] de contact- en gebiedsverboden overtreedt en/of vernielingen aanricht,

[eiser] te machtigen om met behulp van de sterke arm van Justitie en Politie de tenuitvoerlegging van dit vonnis te bewerkstelligen, indien [gedaagde] in gebreke blijft aan het onder a, b en c van dit vonnis te voldoen, en hem met behulp van de sterke arm uit het aangewezen gebied te doen verwijderden, bij welke verwijdering [gedaagde] onverkort de dwangsommen blijft verbeuren,

[gedaagde] te veroordelen - bij wijze van voorschot - tot betalen van een vergoeding van € 4.000,00, dan wel een bedrag dat de rechtbank redelijk acht, ter zake smartengeld aan [eiser], en wel binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis,

[gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding.

2.2.

[eiser] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat haar ex-partner [gedaagde] haar op 9 augustus 2025 heeft mishandeld en bedreigd en herhaaldelijk, op die 9 augustus 2025 en vervolgens op 24 september, 22 december 2025 en 14 januari 2026, vernielingen heeft aangebracht aan en in het huis aan de [adres 7] in [plaats 1] en met een kettingzaag de tuinpoort en de voordeur heeft geopend en vernield. Hiervan heeft zij aangiftes bij de politie gedaan, maar dit heeft (nog) geen effect gehad. Daarnaast stuurt [gedaagde] haar ook bedreigende e-mails, aldus [eiser].

3 De beoordeling

3.1.

Voor toewijzing van een vordering in kort geding is vereist dat de eisende partij hierbij een spoedeisend belang heeft. [eiser] heeft over een spoedeisend belang bij betaling van een voorschot op smartengeld niets gesteld en dit volgt ook niet uit de aard van de vordering. De voorzieningenrechter zal die vordering dan ook afwijzen.

3.2.

Het gevorderde komt de voorzieningenrechter voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als in de beslissing bepaald worden toegewezen.

3.3.

Ter illustratie van het gebiedsverbod is hieronder een uitdraai van Google Maps opgenomen met een markering van het gebied.

{AFBEELDING 1}

3.4.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding [gedaagde] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van de procedure te veroordelen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

153,02

- griffierecht

€

341,00

- salaris advocaat

€

760,00

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.443,02

Tekst

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

verbiedt [gedaagde] om zich gedurende één jaar na datum van dit vonnis te bevinden in het gebied in de gemeente [plaats 1] tussen de [adres 1], [adres 2], de [adres 3], de [adres 4], [adres 5], [adres 6] en de (denkbeeldige) lijn [adres 6] tot aan de [adres 1] ter hoogte van huisnummer [nummer] ([bedrijf]), in welk gebied de hiervoor genoemde straten zelf ook zijn begrepen,

4.2.

verbiedt [gedaagde] om gedurende één jaar na datum van dit vonnis anders dan via haar advocaat - fysiek, telefonisch, per gewone post, per e-mail of langs een andere elektronische weg contact op te nemen met [eiser],

4.3.

verbiedt [gedaagde] beschadigingen aan te richten, in welke vorm dan ook, aan het pand aan de [adres 7] te [plaats 1], met inbegrip van alle aanhorigheden van het pand, waaronder maar niet beperkt tot de tuin, terras, erfafscheiding en schuttingen,

4.4.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 25.000,00 voor iedere keer dat hij niet aan (een van) de veroordelingen onder 4.1., 4.2. en 4.3. voldoet, tot een maximum van € 200.000,00 is bereikt,

4.5.

machtigt [eiser] de beslissingen onder 4.1., 4.2. en 4.3., zo nodig, ten uitvoer te laten leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie, en [gedaagde] met behulp van de sterke arm uit het in 4.1. aangewezen gebied te doen verwijderen, bij welke verwijdering [gedaagde] onverkort de dwangsommen blijft verbeuren,

4.6.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.443,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.J. Berkers en in het openbaar uitgesproken op

3 maart 2026.

1680