Bestuursprocesrecht

Verzoek om voorlopige voorziening niet ontvankelijk omdat er geen spoedeisend belang is.

Rechtbank Noord-Nederland, 16 november 2023

Zaakgegevens

Op 16 november 2023 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
16 november 2023
Datum publicatie
14 augustus 2024
Zaaknummer
LEE 23/4233
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2023:5611
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om voorlopige voorziening niet ontvankelijk omdat er geen spoedeisend belang is.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 23/4233


uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 november 2023 in de zaak tussen


[naam] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.1.

Bij brief van 24 oktober 2023, door de rechtbank ontvangen op 30 oktober 2023, heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het door verweerder niet tijdig nemen van een besluit op een verzoek van verzoeker op grond van de Wet open overheid (Woo). In het beroepschrift stelt verzoeker dat ten onrechte geen dwangsom is vastgesteld.

2.2.

Tegelijkertijd heeft verzoeker een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend, connex aan bovengenoemd beroep tegen het niet tijdig beslissen. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat een dwangsom wordt verbonden aan de beslistermijn.

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. De voorzieningenrechter overweegt dat op geen enkele wijze uit bovengenoemd verzoekschrift en bovengenoemd beroepschrift valt af te leiden dat er sprake is van spoedeisend belang.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2023.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.