Bestuursprocesrecht

Verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening connex aan een beroep tegen het niet tijdig beslissen…

Rechtbank Noord-Nederland, 18 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 18 augustus 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
18 augustus 2026
Datum publicatie
19 augustus 2026
Zaaknummer
LEE 26/2487
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:3516
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening connex aan een beroep tegen het niet tijdig beslissen. Slechts in bijzondere gevallen wordt dan voldaan aan het vereiste van spoedeisendheid, juist omdat het rechtsmiddel van beroep tegen het niet tijdelijk beslissen openstaat.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 26/2487


uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 augustus 2026 in de zaak tussen


[naam 1] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: [naam 2] ),

en

Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

1.2.

Verzoeker heeft beroepen ingesteld tegen het niet tijdig nemen van beslissingen. Deze beroepen zijn geregistreerd als LEE 26/2190 en 26/2576.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.1.

De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.

2.2.

De beroepen gaan over het nemen van een vaststellingsbesluit van de wegenlegger en over het nemen van een besluit op een administratief beroep. Het verzoek om een voorlopige voorziening is connex aan de laatstgenoemde procedure. Inhoudelijk gaat die procedure over het verzoek van verzoeker om de [weg] gedeeltelijk aan het openbaar verkeer te onttrekken.

2.3.

Verzoeker merkt op dat verweerder heeft medegedeeld niet eerder dan in november 2026 een besluit op het administratief beroep te nemen. Het spoedeisend belang is gelegen in de omstandigheid dat er door derden vernielingen worden gepleegd op het perceel van verzoeker, in ieder geval in de vorm van het afbreken van takken, dat de gemeente de eigendomsrechten van verzoeker negeert, dat de procedure al duurt vanaf januari 2022 en dat op onverantwoorde wijze met brommers wordt gereden over het pad.

2.4.

De voorzieningenrechter overweegt dat tegen (gestelde) te trage besluitvorming het rechtsmiddel openstaat van een beroep tegen het niet tijdig beslissen. Het is mogelijk om connex aan een dergelijk beroep te vragen een voorlopige voorziening te treffen, maar uit het systeem van de wet leidt de voorzieningenrechter af dat dan slechts in bijzondere gevallen aan het vereiste van spoedeisendheid wordt voldaan, juist omdat het rechtsmiddel van beroep tegen het niet tijdelijk beslissen openstaat.

2.5.

Uit de redenen die verzoeker aanvoert (2.3.) leidt de voorzieningenrechter niet af dat in deze zaak sprake is van een dergelijk bijzonder geval. De voorzieningenrechter concludeert daarom dat is niet voldaan aan het vereiste van spoedeisend belang.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikelen 6:2 en 8:55b van de Algemene wet bestuursrecht.