Bestuursprocesrecht
Niet-ontvankelijk. Geen kopie toegestuurd van het gehele besluit waar verzoeker het niet mee eens is, evenmin…
Rechtbank Noord-Nederland, 12 oktober 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:4452 · Rechtbank Noord-Nederland · 12 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbnne-2026-4452
Zaakgegevens
Op 12 oktober 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 12 oktober 2026
- Datum publicatie
- 14 oktober 2026
- Zaaknummer
- LEE 26/3265
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2026:4452
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Niet-ontvankelijk. Geen kopie toegestuurd van het gehele besluit waar verzoeker het niet mee eens is, evenmin een stuk waaruit van dit besluit blijkt. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Met kennelijk wordt in dit verband bedoeld dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/3265
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 oktober 2026 in de zaak tussen
[naam uit plaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van Assen, verweerder sub 1
Veilig Thuis Drenthe, verweerder sub 2
Leger des Heils Groningen/Drenthe, verweerder sub 3
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker dat is ingediend op 28 september 2026. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Met kennelijk wordt in dit verband bedoeld dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft overleggen. Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
Verzoeker heeft een verzoekschrift ingediend. Een kopie van een besluit waar hij het niet mee eens is ontbreekt. Evenmin heeft hij een stuk overgelegd waaruit blijkt van het bestaan van en dergelijk besluit.
De griffier heeft op 29 september 2026 om 16:44 een e-mailbericht gestuurd aan het adres [mailadres] . Met dat e-mailbericht is een brief meegestuurd. Die brief is gedateerd 29 september 2026. Daarin is verzoeker verzocht om uiterlijk vrijdag 2 oktober 2026 om 13:00 alsnog een kopie toe te sturen van het gehele besluit waar hij het niet mee eens is, of een stuk waaruit van dit besluit blijkt.
Verzoeker heeft niet gereageerd binnen de gestelde termijn.
Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Van een verontschuldiging voor dit verzuim is niet gebleken.
Conclusie en gevolgen
3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: