Bestuursrecht overig

Mondelinge uitspraak. Niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaarschrift wegens een niet-verschoonbare…

Rechtbank Noord-Nederland, 14 juli 2026

Zaakgegevens

Op 14 juli 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
14 juli 2026
Datum publicatie
7 augustus 2026
Zaaknummer
LEE 25/2232
Procedure
Mondelinge uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:3298
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Mondelinge uitspraak. Niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaarschrift wegens een niet-verschoonbare termijnoverschrijding. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 25/2232


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen


[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, het college

(gemachtigden: R. Bakker en mr. M. Grislo).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiser tegen het besluit van het college van 18 februari 2025.

1.1.

Met het bestreden besluit van 11 juni 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.

1.2.

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep van eiser op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van het college. Eiser was niet aanwezig.

1.4.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of het college het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

2.1.

De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

3. Eiser heeft op 10 april 2025 bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van 18 februari 2025. Dat is negen dagen na afloop van de bezwaartermijn, die eindigde op 1 april 2025. Het college heeft het bezwaar daarom niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het college is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar.

4. Het college krijgt gelijk. Eiser heeft aangevoerd dat het besluit van 18 februari 2025 voor hem onduidelijk was en dat zijn vragen daarover, die hij op 23 februari 2025 per e-mail heeft gesteld, pas op 6 maart 2025 door het college zijn beantwoord. Dat is onvoldoende om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser na de beantwoording van zijn vragen nog ongeveer drie weken de tijd had om (voorlopig) bezwaar te maken. Hij had de gronden van zijn bezwaar eventueel op een later moment kunnen aanvullen. In het besluit van 18 februari 2025 is eiser bovendien op die mogelijkheid gewezen. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat hij gedurende de bezwaartermijn, of in de resterende periode na 6 maart 2025, redelijkerwijs niet in staat was om tijdig (voorlopig) bezwaar te maken. De rechtbank is van oordeel dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

5.1.

Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026 door mr. W.R. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.

griffier

rechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 6:7
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.

Artikel 6:8, eerste lid
De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Artikel 6:9
1. Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
2. Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Artikel 6:11
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.