Bestuursstrafrecht
Wahv. R336 – ‘geen voorrang geven aan bestuurders die van rechts komen op een kruispunt’. Het administratief…
Rechtbank Noord-Nederland, 19 juni 2025
ECLI:NL:RBNNE:2025:2551 · Rechtbank Noord-Nederland · 19 juni 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/bestuursrecht/bestuursstrafrecht/mondelinge-uitspraak/ecli-nl-rbnne-2025-2551
Zaakgegevens
Op 19 juni 2025 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 19 juni 2025
- Datum publicatie
- 27 juni 2025
- Zaaknummer
- 11430091 BU VERZ 24-2823
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursstrafrecht
- Procedure
- Mondelinge uitspraakMondelinge uitspraakDe rechter doet direct aan het eind van de zitting uitspraak; die wordt vastgelegd in een proces-verbaal.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2025:2551
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wahv. R336 – ‘geen voorrang geven aan bestuurders die van rechts komen op een kruispunt’. Het administratief beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn. In zijn beroepschrift heeft betrokkene aangegeven dat hij zijn persoonlijke omstandigheden graag wilde toelichten. Hierop is niet gereageerd. De officier van justitie heeft geen contact met betrokkene opgenomen. Er heeft geen hoorzitting plaatsgevonden. De officier van justitie heeft daarom niet voldaan aan het zorgvuldigheidsvereiste, dus kan de beslissing op administratief beroep niet in stand blijven. De kantonrechter overweegt dat betrokkene niet fatsoenlijk is behandeld door de officier van justitie en dat er een dusdanig gebrek aan de besluitvorming door de officier van justitie kleeft, dat hij ook de inleidende beschikking vernietigt.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 262862703
zaaknummer: 11430091 BU VERZ 24-2823
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van
19 juni 2025
in de zaak van
[betrokkene] (de betrokkene),
die woont in [woonplaats].
Inleiding
1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De overtreding waarvoor de boete is opgelegd is: R336 – ‘geen voorrang geven aan bestuurders die van rechts komen op een kruispunt’, verricht op 9 december 2023, om 22:19 uur, op de Hoogeweg bij de kruising met de Kromme Riet in Groningen, met een personenauto met kenteken [kenteken]. De opgelegde boete bedraagt € 289,00 (inclusief administratiekosten).
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft het beroep op 19 juni 2025 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: betrokkene en als vertegenwoordigster van de officier van justitie mr. Z. Fluitsma.
Na sluiting van het onderzoek op de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de kantonrechter
Beslissing
2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep gegrond is en zal de boete vernietigen. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.
Standpunten
3. Betrokkene stelt dat hij zich door het tijdsverloop niet kan herinneren wat de omstandigheden waren waardoor hij destijds te laat in administratief beroep is gegaan. Hij heeft veel stress en gezondheidsproblemen. Betrokkene vindt het onbeschoft dat hij niet is gehoord.
4. De vertegenwoordigster stelt zich op het standpunt dat het administratief beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.
Overwegingen
5. De beroepstermijn bedraagt zes weken, waarbij de termijn begint op de dag na die waarop het besluit (in dit geval de boete) op de voorgeschreven wijze (hier door verzending per post) is bekendgemaakt. De termijn is gaan lopen op 19 december 2023. Op de poststempel bij het beroepschrift is te lezen dat betrokkene het pas op 3 februari 2024 ter post heeft aangeboden, terwijl de beroepstermijn liep tot 29 januari 2024. Betrokkene is dus te laat in beroep gegaan.
In zijn beroepschrift heeft betrokkene aangegeven dat hij zijn persoonlijke omstandigheden graag wilde toelichten. Hierop is niet gereageerd. De officier van justitie heeft geen contact met betrokkene opgenomen. Er heeft geen hoorzitting plaatsgevonden. De officier van justitie heeft daarom niet voldaan aan het zorgvuldigheidsvereiste, dus kan de beslissing op administratief beroep niet in stand blijven.
6. De kantonrechter overweegt dat betrokkene niet fatsoenlijk is behandeld door de officier van justitie en dat er een dusdanig gebrek aan de besluitvorming door de officier van justitie kleeft, dat hij ook de inleidende beschikking vernietigt. Het beroep is gegrond.
Conclusie
De kantonrechter:
-
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;
-
vernietigt die beslissing;
-
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
-
vernietigt die beschikking;
-
bepaalt dat de zekerheidstelling aan betrokkene moet worden terugbetaald.
Waarvan proces-verbaal,
D.W. Veenstra, griffier mr. H.J. Bastin, kantonrechter
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.
Afschrift verzonden aan partijen op: