Bestuursstrafrecht

De kantonrechter ziet in de verklaring van betrokkene geen aanleiding om de termijnoverschrijding…

Rechtbank Noord-Nederland, 26 juni 2026

Zaakgegevens

Op 26 juni 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
26 juni 2026
Datum publicatie
24 juli 2026
Zaaknummer
11913121 BU VERZ 25-2098
Procedure
Mondelinge uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:3097
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De kantonrechter ziet in de verklaring van betrokkene geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten omdat zij zelf verantwoordelijk was voor het ontvangen van haar post, ook al woonde zij tijdelijk elders. Hij zal het beroepschrift daarom niet inhoudelijk behandelen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden

Bestuursrecht

beschikkingsnummer: 271828967

zaaknummer: 11913121 BU VERZ 25-2098

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 26 juni 2026

in de zaak van

[betrokkene] (de betrokkene),

die woont in [woonplaats] .

Inleiding

1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘bij een blauwe streep parkeren zonder duidelijk zichtbare parkeerschijf achter de voorruit’, verricht op 16 januari 2025, om 11:11 uur, op de Goudenregenstraat in Leeuwarden, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 129,00 (inclusief administratiekosten).

1.1.

Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.

1.2.

De kantonrechter heeft het beroep op 26 juni 2026 op de zitting behandeld. Daarbij was de vertegenwoordigster van de officier van justitie mr. F. Hashimi aanwezig. Betrokkene was niet aanwezig.

1.3.

Na afloop van de behandeling heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de kantonrechter

Overwegingen

2. De kantonrechter stelt vast dat het beroepschrift te laat is ingediend. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is zes weken. De termijn gaat in op de dag na de dag waarop de officier van justitie zijn beslissing heeft verstuurd.

2.1.

Het beroepschrift is op 5 juni 2025 bij het parket CVOM binnengekomen. Het beroepschrift had uiterlijk op 4 juni 2025 ontvangen moeten zijn.

2.2.

Betrokkene voert aan dat zij enige tijd niet thuis heeft gewoond vanwege relatieproblemen. Zij begrijpt dat het haar eigen verantwoordelijkheid is om ervoor te zorgen dat aan haar gerichte post bij haar terecht komt, maar de beslissing van het parket CVOM heeft zij te laat ontvangen.

2.3.

De kantonrechter ziet in de verklaring van betrokkene geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten omdat zij zelf verantwoordelijk was voor het ontvangen van haar post, ook al woonde zij tijdelijk elders. Hij zal het beroepschrift daarom niet inhoudelijk behandelen.

Conclusie

De kantonrechter verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Waarvan proces-verbaal,

mr. A.G.Z. Lagerweij, griffier mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het

gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:

a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of

b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.

Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.

De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.

Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht.