Bestuursstrafrecht

Termijnoverschrijding in kantonfase en administratief beroep. In de nare omstandigheden die betrokkene…

Rechtbank Noord-Nederland, 18 februari 2026

Zaakgegevens

Op 18 februari 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
18 februari 2026
Datum publicatie
3 augustus 2026
Zaaknummer
11812992 BU VERZ 25-1626
Procedure
Mondelinge uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:3185
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Termijnoverschrijding in kantonfase en administratief beroep. In de nare omstandigheden die betrokkene omschrijft ziet de kantonrechter aanleiding om de termijnoverschrijding in de kantonfase verschoonbaar te achten. Hij ziet geen aanleiding om de termijnoverschrijding in administratief beroep verschoonbaar te achten. Het uitgangspunt is dat de terpostbezorging op de dag van afstempeling heeft plaatsgevonden. Betrokkene heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de brief toch tijdig op de post is gedaan. Ongegrond beroep.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden

Bestuursrecht

beschikkingsnummer: 270218461

zaaknummer: 11812992 BU VERZ 25-1626

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van
18 februari 2026

in de zaak van

[betrokkene] (de betrokkene),

die woont in [woonplaats] .

Inleiding

1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘een voertuig parkeren waar dat niet mag (bord E1, parkeerverbod(szone))’, verricht op 31 oktober 2024, om 15:19 uur, in de [adres], met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 129,00 (inclusief administratiekosten).

1.1.

Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.

1.2.

De kantonrechter heeft het beroep op 18 februari 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: betrokkene, een vriend/collega van haar, [naam] , en de vertegenwoordigster van de officier van justitie, mr. M. van der Spek.

1.3.

Na afloop van de behandeling heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de kantonrechter

Beslissing

2. De kantonrechter oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hij zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.

Overwegingen

De termijnoverschrijding in de kantonfase

3. De kantonrechter stelt vast dat het beroepschrift te laat is ingediend. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is zes weken. De termijn gaat in op de dag na de dag waarop de officier van justitie zijn beslissing heeft verstuurd.

3.1.

Het beroepschrift is op 13 maart 2025 bij de CVOM binnengekomen. Het beroepschrift had uiterlijk op 4 maart 2025 ontvangen moeten zijn.

3.2.

Betrokkene voert aan dat zij is gevallen en een zware kneuzing aan haar ribben heeft. Doordat zij zo veel pijn heeft, is zij vergeten vóór de datum te reageren. Betrokkene dacht dat zij dat vóór 18 maart moest doen. In een aanvulling voegt betrokkene toe dat zij haar excuses wil aanbieden voor het late indienen van haar beroep. Zij had gelezen dat dit vóór 18 maart moest, maar dat bleek de datum van uiterste betaling te zijn. Doordat een vriend overleed, een vriendin naar een verpleeghuis moest en zijzelf raar kwam te vallen heeft betrokkene de datum niet goed opgeslagen.

3.3.

In de nare omstandigheden die betrokkene omschrijft ziet de kantonrechter aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Hij zal het beroep daarom inhoudelijk behandelen.

De termijnoverschrijding in administratief beroep

4. De kantonrechter stelt vast dat het beroepschrift in administratief beroep te laat is ingediend. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is zes weken. Het beroepschrift had uiterlijk op 31 december 2024 ontvangen moeten zijn. Het beroepschrift is pas op 8 januari 2025 bij de CVOM binnengekomen.

4.1.

Betrokkene verklaart dat haar beroepschrift per post te laat binnen is gekomen door kerstdrukte. Op de zitting stelt betrokkene dat zij het beroepschrift wel op tijd op de post heeft gedaan. Zij geeft aan iedere keer problemen met de post te hebben.

4.2.

De vertegenwoordigster heeft ter zitting aangegeven dat de envelop, waarin het beroepschrift van betrokkene is verzonden, op 7 januari 2025 is afgestempeld. Zij gaat er daarom vanuit dat de brief op 7 januari 2025 op de post is gedaan.

4.3.

De kantonrechter ziet geen aanleiding om de termijnoverschrijding in administratief beroep verschoonbaar te achten. Uit de jurisprudentie volgt dat de poststempel vaak het enige vaststaande gegeven is waaruit het tijdstip van postbezorging kan blijken. Daarom wordt als uitgangspunt aangenomen dat de terpostbezorging op de dag van afstempeling heeft plaatsgevonden. Het is dan aan de persoon die de brief stuurt om te bewijzen dat die brief toch tijdig op de post is gedaan. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft betrokkene dit onvoldoende aannemelijk gemaakt. Hij is daarom van oordeel dat de officier van justitie het administratief beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij zal het beroep dan ook ongegrond verklaren.

Conclusie

De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.

Waarvan proces-verbaal,

mr. R. Krikke, griffier mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het

gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:

a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of

b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.

Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.

De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.

Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht.