Bestuursstrafrecht

Wahv. Voertuig heeft geen buitenspiegels, bij een beperkt zich door lading of een achter het voertuig…

Rechtbank Noord-Nederland, 23 juli 2026

Zaakgegevens

Op 23 juli 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
23 juli 2026
Datum publicatie
12 augustus 2026
Zaaknummer
12053012 BU VERZ 26-68
Procedure
Mondelinge uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:3432
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Wahv. Voertuig heeft geen buitenspiegels, bij een beperkt zich door lading of een achter het voertuig gekoppelde aanhangwagen. Uit de verklaring van de verbalisant blijkt dat deze zelf heeft plaatsgenomen op de bestuurdersstoel en heeft geconstateerd dat het zicht niet goed was. Daarnaast heeft de vertegenwoordigster terecht op de zitting aangevoerd dat het voor verbalisanten te ver voert om markeringen op het wegdek uit te zetten om de gedraging vast te kunnen stellen. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt voldoende dat het gezichtsveld niet voldeed aan de gestelde eisen in artikel 5.18.5 van de Regeling Voertuigen, en dat de verbalisant de overtreding op de juiste wijze heeft vastgesteld. De kantonrechter verweegt dat betrokkene, door er zelf bewust voor te kiezen om de spiegels vanwege de begroeiing op deze wijze af te stellen, het risico heeft genomen om beboet te worden. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

beschikkingsnummer: 271901946

zaaknummer: 12053012 BU VERZ 26-68

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 23 juli 2026

in de zaak van

[betrokkene] (de betrokkene),

die woont in [woonplaats] ,

gemachtigde: [gemachtigde] .

Inleiding

1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘voertuig heeft geen buitenspiegels, bij een beperkt zich door lading of een achter het voertuig gekoppelde aanhangwagen’, verricht op 8 februari 2025, om 14:16 uur, op de Roderwolderdijk in Groningen, met een land- of bosbouwtrekker, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 319,00 (inclusief administratiekosten).

1.1.

Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.

1.2.

De kantonrechter heeft het beroep op 23 juli 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: betrokkene, zijn gemachtigde en als vertegenwoordigster van de officier van justitie mr. R.A. van der Velde.

1.3.

Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de kantonrechter

Beslissing

2. De kantonrechter beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Zij oordeelt dat het beroep ongegrond is. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom zij dat doet.

Standpunten

3. Betrokkene stelt dat de buitenspiegels goed waren afgesteld en voldoende zicht boden. De afstelling van de spiegels is echter een persoonlijke keuze, waarbij het zicht naar achteren ruim voldoende was. Betrokkene koos er bewust voor de spiegels niet breder te zetten, omdat hij over een smalle weg met bomen reed. Dit zou de afstelling van de spiegels makkelijk tenietdoen. Door de convex spiegels heeft men wel voldoende zicht, ook achter de lading. De verbalisant dient dit te controleren op een officiële afstelplaats, met lijnen en zichtpunten, zodat een rechtuit positie van het voertuig gegarandeerd is. Op de zitting heeft gemachtigde van betrokkene foto’s overhandigd, waarop volgens hem te zien is dat er zoveel begroeiing langs de weg is dat betrokkene er bewust voor had gekozen om de spiegels niet extra ver naar buiten te schuiven. Verder voert betrokkene aan dat de verbalisant dominant, kleinerend en intimiderend was.

4. Door de vertegenwoordigster is aangevoerd dat zij het standpunt van de officier van justitie wil handhaven. Zij heeft de kantonrechter verzocht het beroep ongegrond te verklaren.

Overwegingen

5. De kantonrechter ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant uit het aanvullend proces-verbaal. De verbalisant verklaart onder meer het volgende in het aanvullend proces-verbaal: “In tegenstelling hetgeen betrokken schrijft in zijn bezwaarschrift over de rechtuit stand, kan ik verklaren dat het voertuig helemaal rechtuit op de weg stond. In de fotobijlage op foto 1 tot en met 4 is duidelijk te zien dan de combinatie in de rechtuit positie staat. Op foto 1 en 2 is duidelijk te zien dat de spiegels binnen de breedte van de lading op de aanhangwagen staan. Meten is dus in dit geval niet noodzakelijk. Bij foto 3 en 4 ben ik zelf in het vereiste zichtveld gaan staan en heb een foto naar voren genomen. Ik had op dat moment een spiegel moeten zien. Die zag ik niet. Ook daaruit kan geconcludeerd worden dat de bestuurder door middel van zijn spiegels niet het vereiste weggedeelte kon overzien. Op foto 6 en 5 van de fotobijlage is duidelijk te zien dat het zichtveld in beide spiegels onvoldoende is. De bestuurder kan niet langs de lading kijken tot aan de horizon zoals omschreven in bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6, overzien. Op de foto kun men duidelijk zien dat de dode hoek al groter wordt.” Hieruit blijkt dat de verbalisant in kwestie zelf heeft plaatsgenomen op de bestuurdersstoel en heeft geconstateerd dat het zicht niet goed was. Daarnaast heeft de vertegenwoordigster terecht op de zitting aangevoerd dat het voor verbalisanten te ver voert om markeringen op het wegdek uit te zetten om de gedraging vast te kunnen stellen. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt voldoende dat het gezichtsveld niet voldeed aan de gestelde eisen in artikel 5.18.5 van de Regeling Voertuigen, en dat de verbalisant de overtreding op de juiste wijze heeft vastgesteld. De kantonrechter verweegt dat betrokkene, door er zelf bewust voor te kiezen om de spiegels vanwege de begroeiing op deze wijze af te stellen, het risico heeft genomen om beboet te worden.

5.1.

De kantonrechter overweegt over de bejegening van de verbalisant dat de manier waarop betrokkene door de verbalisant is behandeld niet onder deze procedure valt. In deze procedure wordt alleen beoordeeld of de gedraging heeft plaatsgevonden en of hiervoor terecht een boete is opgelegd. Daarnaast overweegt de kantonrechter dat het de verbalisant te allen tijde vrijstaat om een onderzoek te verrichten aan een voertuig. De verbalisant heeft vervolgens de discretionaire bevoegdheid om in concrete gevallen naar aanleiding van een gebleken gedraging een boete op te leggen of daarvan af te zien. De kantonrechter overweegt dat het betrokkene vrijstaat om een klacht in te dienen bij de betreffende politie-eenheid.

5.2.

Alles overwegende kan op basis van de beschikbare gegevens voldoende worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. In het door gemachtigde namens betrokkene gevoerde verweer zijn geen omstandigheden gelegen die aanleiding geven tot een wijziging van de boete. De boete is terecht opgelegd. De proceskosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat het beroep ongegrond wordt verklaard.

Conclusie

De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.

Waarvan proces-verbaal,

R. de Hoop, griffier mr. V.A.G. van Dijk, kantonrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het

gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:

a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of

b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.

Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.

De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.

Artikel 9 van de Wahv.