Bestuursstrafrecht

Wahv. Parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders. Matiging boete tot nihil. Aan betrokkene zijn…

Rechtbank Noord-Nederland, 21 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 21 augustus 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Assen
Datum uitspraak
21 augustus 2026
Datum publicatie
21 oktober 2026
Zaaknummer
11825278 BU VERZ 25-1782
Procedure
Mondelinge uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:4547
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Wahv. Parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders. Matiging boete tot nihil. Aan betrokkene zijn twee andere boetes zijn opgelegd op dezelfde pleeglocatie waartegen hij niet in beroep is gegaan.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Assen

Bestuursrecht

beschikkingsnummer: 272023640

zaaknummer: 11825278 BU VERZ 25-1782

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van
21 augustus 2026

in de zaak van

[betrokkene] (de betrokkene),

die woont in [woonplaats] ,

gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach, Verkeersboete.nl.

Inleiding

1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders zonder (de juiste) vergunning (bord E9)’, verricht op 25 januari 2025, om 11:16 uur, [adres] , met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 129,00 (inclusief administratiekosten).

1.1.

Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft gemachtigde beroep ingesteld bij de kantonrechter.

1.2.

De kantonrechter heeft het beroep op 21 augustus 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: mr. O. van der Meer namens gemachtigde en de vertegenwoordigster van de officier van justitie, mr. F. Hashimi.

1.3.

Na afloop van de behandeling heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de kantonrechter

Beslissing

2. De kantonrechter beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Zij oordeelt dat het beroep gegrond is en zal de boete matigen tot nul. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.

Standpunten

3. In het pro-forma beroepschrift stelt gemachtigde dat betrokkene de gedraging, de bevoegdheid van de verbalisant en de wettigheid van de gebruikte bewijsmiddelen betwist. In de aanvullende gronden voert gemachtigde aan dat aan betrokkene in een zeer kort tijdbestek meerdere boetes zijn opgelegd. Daarom bestaat aanleiding de boetes te matigen, gelet op het evenredigheidsbeginsel. Gemachtigde verwijst hiertoe naar een verklaring van betrokkene. Hierin stelt betrokkene dat hij op 25 januari 2025, 12 februari 2025 en 14 februari 2025 boetes heeft gekregen. Hij gebruikt zijn auto niet dagelijks en van de eerste boete heeft hij nooit een bon gezien. Toen hij er op 15 februari 2025 achter kwam dat zijn parkeervergunning niet automatisch werd verlengd heeft hij direct een nieuwe parkeervergunning aangevraagd. Aangezien hij de eerste boete niet onder zijn ruitenwisser heeft gezien en pas na 15 februari 2025 heeft ontvangen, heeft hij niet kunnen weten dat zijn vergunning verlopen was. Betrokkene noemt dat € 387,00 voor fout parkeren te gek voor woorden is en geeft aan dat hij al meer dan een jaar standaard op dezelfde parkeerplek parkeert. Over het evenredigheidsbeginsel verwijst gemachtigde naar stukken en jurisprudentie. Hij stelt zich op het standpunt dat ook bij een mulderboete getoetst moet worden aan het in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldende evenredigheidsbeginsel. De totale som van boetes staat niet in verhouding tot het doel en de aard van het besluit. Betrokkene geeft ook aan hierdoor in financiële problemen te komen. Voor een eenvoudige mishandeling of vernieling wordt doorgaans ook een lagere boete opgelegd. Op de zitting verzoekt mr. Van der Meer de boete te vernietigen of te matigen tot nihil. Hierbij verwijst hij naar een arrest van het hof.

4. De vertegenwoordigster geeft aan dat betrokkene tegen de andere twee boetes geen beroep heeft ingesteld. Zij stelt zich op het standpunt dat het op elk moment dat betrokkene beslist ergens te parkeren zijn verantwoordelijkheid is om op te letten of parkeren daar toegestaan is. Het ontvangen van een boete komt dan ook voor zijn eigen rekening en risico. De vertegenwoordigster geeft aan dat de CVOM het beoordelingskader volgt, op basis waarvan zij zich op het standpunt stelt dat elke boete een nieuw keuzemoment betreft. Zij verzoekt de kantonrechter dan ook het beroep ongegrond te verklaren.

Overwegingen

De verkeersovertreding

5. Gemachtigde betwist de verkeersovertreding niet. Daarmee is de verkeersovertreding komen vast te staan. Vervolgens is de vraag of er feiten en omstandigheden zijn die aanleiding geven tot een matiging van de boete.

5.1.

In de door gemachtigde aangevoerde omstandigheden ziet de kantonrechter aanleiding om de boete te matigen tot nihil. Daarbij is relevant dat aan betrokkene twee andere boetes zijn opgelegd op dezelfde pleeglocatie waartegen hij niet in beroep is gegaan. Daarnaast volgt uit het zaakoverzicht dat deze boete pas is verzonden op
25 februari 2025.

De proceskostenvergoeding

6. Omdat de inleidende beschikking wordt gematigd, zal de kantonrechter de officier van justitie veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Aangezien geen sprake is van een aan de verbalisant te wijten onrechtmatigheid, komen de kosten gemaakt in administratief beroep niet voor vergoeding in aanmerking.

6.1.

De kantonrechter zal twee punten met een waarde van € 934,00 toekennen voor het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het bijwonen van de zitting. Gelet op de aard van de zaak past de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Omdat de beslissing van de officier van justitie na 31 december 2023 is bekendgemaakt, past de kantonrechter de extra wegingsfactor uit artikel 13a, tweede lid, onder a, Wahv toe op de kantonfase.

6.2.

De berekening is als volgt: 2 (procespunten) x € 934,00 (tarief) x 0,5 (wegingsfactor, licht) x 0,25 (extra wegingsfactor herwaardering proceskostenvergoeding) = € 233,50. Hij zal de officier van justitie veroordelen in de kosten van € 233,50.

6.3.

Artikel 13a, vijfde lid, van de Wahv regelt dat uitbetalingen op grond van een uitspraak op beroep op grond van deze wet uitsluitend plaatsvinden op een bankrekening die op naam staat van degene aan wie de boete is opgelegd. Gelet op de jurisprudentie is de kantonrechter niet bevoegd om over deze feitelijke uitvoering van zijn/haar beslissing een oordeel te geven.

Conclusie

De kantonrechter:

  • verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;

  • vernietigt die beslissing;

  • wijzigt de inleidende beschikking en matigt de boete tot nul;

  • bepaalt dat betrokkene het bedrag van de zekerheidstelling terugkrijgt;

  • veroordeelt de officier van justitie in de proceskosten van betrokkene van € 233,50;

  • verklaart zich onbevoegd om te oordelen over de wijze van uitbetalen.

Waarvan proces-verbaal,

mr. R. Krikke, griffier mr. V.A.G. van Dijk, kantonrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het

gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:

a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of

b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.

Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.

De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.

Hof Arnhem-Leeuwarden, 22 augustus 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:7239. Artikel 4, onderdeel a, van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm. Hof Arnhem-Leeuwarden, 17 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4051.