Omgevingsrecht
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen omgevingsvergunning om hun voormalige woning te gebruiken voor…
Rechtbank Noord-Nederland, 23 januari 2025
ECLI:NL:RBNNE:2025:206 · Rechtbank Noord-Nederland · 23 januari 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/bestuursrecht/omgevingsrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbnne-2025-206
Zaakgegevens
Op 23 januari 2025 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 23 januari 2025
- Datum publicatie
- 23 januari 2025
- Zaaknummer
- LEE 24/5106
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Omgevingsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2025:206
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen omgevingsvergunning om hun voormalige woning te gebruiken voor jongerenhuisvesting. Zij vragen de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, omdat verzoekers naar haar voorlopig oordeel geen belanghebbende zijn bij de verleende omgevingsvergunning. Zij wonen niet meer in het huis en zijn geen eigenaar. Een schorsing of weigering van de omgevingsvergunning heeft ook niet als rechtstreeks gevolg dat zij het huis terug kunnen kopen. Dit belang is te ver verwijderd van het bestreden besluit.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/5106
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 januari 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] uit [plaats] , verzoeker
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(verzoeker treedt op als gemachtigde van verzoekster)
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, het college
(gemachtigde: C. Bouwmeester).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Elker Pleegzorg uit Groningen (Stichting Elker).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de verleende omgevingsvergunning voor het afwijken van het omgevingsplan. Het gaat om het gebruiken van de woning aan de [adres] in Groningen voor beschermd wonen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Met het bestreden besluit van 5 november 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van het omgevingsplan. Verzoekers, de voormalige bewoners van de woning, hebben hiertegen bezwaar gemaakt en een voorlopige voorziening gevraagd.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure
kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. Ook moet het bezwaar- of beroepschrift kans van slagen hebben. Als dat niet het geval is, is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen.
3. Het huis waar verzoeker met zijn ex-partner en kinderen (waaronder verzoekster) heeft gewoond is verkocht aan Stichting Elker. Deze verkoop heeft tegen de zin van verzoekers plaatsgevonden. Stichting Elker heeft van het college een omgevingsvergunning gekregen om het huis te gebruiken voor de huisvesting van jongeren in een ‘beschermd wonen’-setting. Dit gebruik is in strijd met de regels van het omgevingsplan. Daarom heeft het college een omgevingsvergunning voor een zogenoemde buitenplanse omgevingsplanactiviteit verleend.
4. Verzoeker wil voorkomen dat het huis wordt verbouwd. De omgevingsvergunning maakt het mogelijk dat de woning gebruikt mag worden voor ‘beschermd wonen’. De omgevingsvergunning maakt een eventuele verbouwing niet mogelijk. Die kan ook plaatsvinden zonder de verleende omgevingsvergunning. In zoverre ziet de rechtbank geen spoedeisend belang bij het verzoek. Een schorsing van de omgevingsvergunning kan een verbouwing niet tegenhouden.
5. In een aanvullend schrijven heeft verzoeker laten weten dat de verkoop aan Stichting Elker onder voorbehoud is gedaan. Volgens verzoeker werd de woning pas overgedragen aan Stichting Elker nadat de omgevingsvergunning is verleend. Hij wil met de bezwaarprocedure het college bewegen om de omgevingsvergunning te herzien, zodat de woning aan hem terug wordt verkocht. Daarom meent hij dat er sprake is van een spoedeisend belang bij zijn bezwaar tegen de omgevingsvergunning.
6. Verzoekers hebben hun stelling dat het huis pas wordt overgedragen na het verlenen van de omgevingsvergunning, niet onderbouwd met bewijzen. De voorzieningenrechter heeft niet om een nadere onderbouwing gevraagd, omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat dit verzoekers niet helpt in hun zaak. De voorzieningenrechter is namelijk van oordeel dat verzoekers geen belanghebbenden zijn bij de verleende omgevingsvergunning. Dat betekent naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat het bezwaar geen kans van slagen heeft. Zij overweegt hierover als volgt.
7. Alleen belanghebbenden kunnen bezwaar en beroep instellen tegen een besluit. Dit staat in artikel 7:1 en artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Om van belanghebbendheid te kunnen spreken, moet sprake zijn van een objectief, persoonlijk, eigen, rechtstreeks én actueel belang bij het besluit waarmee de betrokkene zich onderscheidt van anderen. Uitgangspunt daarbij is dat de betrokkene rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van het besluit.
8. Uit het dossier blijkt dat verzoeker geen eigenaar meer is van de woning en dat er ook geen (civiele) procedure loopt bij de rechtbank om de verkoop ongedaan te maken. Ook wonen verzoekers er niet meer. Dat betekent dat de gevolgen van de wijziging van het gebruik van de woning geen invloed heeft op hun woon- en leefomgeving. Dat zij een emotionele band hebben met de woning, omdat de opa van verzoeker het heeft gebouwd en verzoeker er heel lang heeft gewoond, is niet voldoende om als belanghebbende te worden aangemerkt. Er is geen sprake van een objectief bepaalbaar en actueel belang bij het besluit.
9. Het belang van verzoekers is gelegen in het krijgen van de mogelijkheid om de woning terug te kopen. Zelfs als het zo is dat de overdracht van het huis door een eventueel herroepen van de omgevingsvergunning wordt tegengehouden of teruggedraaid, betekent dat nog niet dat het huis aan verzoekers verkocht zal worden. Dit belang is te ver verwijderd van de verleende omgevingsvergunning. Er is geen sprake van een rechtstreeks betrokken belang. Verzoekers zijn daarom geen belanghebbenden bij het bestreden besluit.
Conclusie en gevolgen
10. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.P. Voorham, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2025.
|
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: