Omgevingsrecht

Niet-ontvankelijk wegens ontbreken connexiteit.

Rechtbank Noord-Nederland, 30 juli 2026

Zaakgegevens

Op 30 juli 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
30 juli 2026
Datum publicatie
3 augustus 2026
Zaaknummer
26/2405
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:3170
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Niet-ontvankelijk wegens ontbreken connexiteit.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 26/2405


uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juli 2026 in de zaak tussen


Bewonersgroep Het Wold, uit Blauwestad, verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldambt.

Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: provincie Groningen en projectgroep Blauwestad (uitvoerders van het project).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers met betrekking tot handhavingsverzoek dat op 20 juli 2026 bij het college is ingediend. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.1.

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek in deze uitspraak niet-ontvankelijk. Omdat daarover redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Er moet dus sprake zijn van connexiteit tussen het verzoek om voorlopige voorziening en een lopende bezwaar- of beroepsprocedure.

2.1.

Verzoekers hebben op 20 juli 2026 een handhavingsverzoek bij het college ingediend waarbij zij het college hebben verzocht om uiterlijk op 21 juli 2026 om 17:00 uur een besluit te nemen. Dit verzoek heeft betrekking op geplande graafwerkzaamheden ten behoeve van de aanleg van een bevaarbare watergang en de sloop van de bestaande infrastructuur binnen de bestemming ‘Woongebied het Wold’. In dit verzoek hebben verzoekers onder andere gesteld dat sprake was van een overtreding wegens een ontbrekende ontgrondingsvergunning. Later is het handhavingsverzoek door verzoekers herzien in die zin dat handhaving wordt gevraagd wegens overtreding van het Omgevingsplan en het ontbreken van de op grond van het Omgevingsplan vereiste aanlegvergunning.

2.2.

Verzoekers hebben op 22 juli 2026 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Het college had op dat moment– en heeft ook op dit moment voor zover de voorzieningenrechter bekend – niet beslist op het (herziene) handhavingsverzoek. Er is geen sprake van een besluit waartegen verzoekers bezwaar hebben gemaakt en er is ook geen sprake van een inhoudelijk besluit waartegen verzoekers beroep hebben ingediend.

2.3.

Verzoekers hebben ook geen beroep niet tijdig beslissen in de zin van artikel 6:12 van de Awb ingediend. Het verzoek om voorlopige voorziening kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook niet als zodanig worden opgevat.

2.4.

Dit betekent dat er geen connexiteit tussen het verzoek om voorlopige voorziening en een lopende bezwaar- of beroepsprocedure bestaat. Dit betekent dat het verzoek niet-ontvankelijk is.

2.5.

De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat op dit moment ook niet duidelijk is namens wie het verzoek om voorlopige voorziening is ingediend. Blijkens de ondertekening is het verzoek ingediend door de gemachtigden van de bewonersgroep. Met betrekking tot de machtiging waar de namen en adressen van de bewoners in staan namens wie het verzoek is ingediend, is een verzoek om geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Awb ingediend. De voorzieningenrechter heeft geen kennis genomen van de machtiging. Omdat de namen en adressen van verzoekers op dit moment niet bekend zijn voldoet het verzoek op dit moment niet aan de vereisten in artikel 6:5 van de Awb. Verzoekers moeten in zo’n geval op grond van artikel 6.6 van de Awb de gelegenheid krijgen om dit gebrek te herstellen. Nu het verzoek echter wegens het ontbreken van connexiteit niet-ontvankelijk is, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een eventueel herstel van dit gebrek af te wachten.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Knuttel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.T. de Boer, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel 6.5 en artikel 6.6 van de Awb zijn ingevolge artikel 8:81, vierde lid, van de Awb van toepassing op een verzoek om voorlopige voorziening.