Europees strafrecht
Art. 15 WWETGC, ongegrond; veroordeelde oneens met opgelegde geldelijke sanctie, verzet kan nimmer gericht…
Rechtbank Noord-Nederland, 1 juli 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:3466 · Rechtbank Noord-Nederland · 1 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/strafrecht/europees-strafrecht/raadkamer/ecli-nl-rbnne-2026-3466
Zaakgegevens
Op 1 juli 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 1 juli 2026
- Datum publicatie
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- 26.000818
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- RaadkamerRaadkamerEen zitting die niet openbaar is, bijvoorbeeld over voorlopige hechtenis of een klacht over niet-vervolging.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2026:3466
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 15 WWETGC, ongegrond; veroordeelde oneens met opgelegde geldelijke sanctie, verzet kan nimmer gericht zijn tegen de beslissing, verhoging met kosten is inherent aan het niet-betalen.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Leeuwarden
Raadkamernummer : 26.000818
cjib-zaaknummer : 3505254004433463
Beschikking van de meervoudige raadkamer d.d. 1 juli 2026 op het verzet ex artikel 15 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, ingesteld door veroordeelde
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1986, wonende te [adres] .
Procesverloop
Veroordeelde heeft zich bij bezwaarschrift verzet tegen het nemen van verhaal door afgifte van een dwangbevel.
Het dwangbevel is op 22 november 2025 afgegeven voor een totaalbedrag van 453,-. Dit is inclusief de verhogingen wegens het niet betalen en de administratiekosten. Het dwangbevel is op 10 december 2025 door de deurwaarder betekend.
Het bezwaarschrift van veroordeelde is op 19 december 2025 door de rechtbank Amsterdam ontvangen. Vervolgens is het doorgezonden naar de rechtbank Noord-Nederland waar het op 8 januari 2026 is ontvangen.
Veroordeelde en het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: CJIB) namens de Minister van Justitie en Veiligheid hebben vervolgens schriftelijk hun standpunten uiteengezet.
De behandeling van het bezwaarschrift heeft plaatsgevonden ter zitting van 17 juni 2026. Veroordeelde was aanwezig bij de behandeling en mevrouw [naam] , medewerker bij het CJIB, was namens de Minister van Justitie en Veiligheid als procesvertegenwoordiger aanwezig bij de behandeling.
Motivering
De rechtbank stelt op basis van de stukken het volgende vast.
Het verzet is ingesteld op grond van artikel 15 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (hierna: WWETGC). Artikel 6:4:5, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is van overeenkomstige toepassing verklaard.
De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van het bezwaarschrift. Het verzet dient binnen twee weken na betekening van het dwangbevel te worden ingediend. Het bezwaarschrift is tijdig bij de rechtbank Amsterdam ingediend, maar het doorzenden van het bezwaarschrift naar de Rechtbank-Noord-Nederland heeft enige tijd inbeslaggenomen. De rechtbank is van oordeel dat dit niet voor rekening kan komen van veroordeelde en gaat uit van de datum waarop het bezwaarschrift bij de rechtbank Amsterdam is ingediend. Dit betekent dat het verzet tijdig is ingesteld.
Standpunt veroordeelde
Veroordeelde stelt het niet eens te zijn met de aan haar opgelegde geldelijke sanctie, omdat zij tijdig een tolvignet heeft gekocht. Daarnaast heeft veroordeelde aangevoerd dat het te betalen bedrag inclusief de verhogingen buitenproportioneel hoog is en heeft verzocht het bedrag in te trekken of te herzien.
Standpunt Minister van Veiligheid en Justitie
Door het CJIB is namens de Minister van Veiligheid en Justitie aangevoerd dat het dwangbevel op goede gronden is uitgevaardigd en dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard. Voorts is veroordeelde meerdere malen schriftelijk gewezen op de gevolgen van het niet tijdig voldoen van het verschuldigde bedrag, zodat zij de verhogingen over zichzelf heeft afgeroepen.
Oordeel rechtbank
Uit de stukken blijkt dat veroordeelde in een schriftelijke procedure van het rechtsprekend forum Bezirkshauptmannschaft Neusiedl am See in Oostenrijk op 26 januari 2024 is veroordeeld in verband met het niet correct voldoen van de tijdsafhankelijke tol tot een geldelijke sanctie van 350,- vermeerderd met de administratiekosten van 9,-. De beslissing is onherroepelijk geworden op 9 maart 2024. De Oostenrijkse autoriteiten hebben Nederland verzocht om erkenning en tenuitvoerlegging van deze beslissing.
De officier van justitie heeft op 23 september 2024 de betreffende beslissing erkend en de tenuitvoerlegging overgenomen.
De rechtbank overweegt dat als uitgangspunten voor de beoordeling van een bezwaarschrift op grond van artikel 15 van de WWETGC het volgende geldt:
de rechtbank mag bij haar beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen.
de rechtbank moet toetsen of de officier van justitie de beslissing tot erkenning had moeten weigeren voor zover dit de verplichte weigeringsgronden betreft. Voorts dient de rechtbank te toetsen of de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen afzien van het gebruikmaken van een facultatieve weigeringsgrond.
de rechtbank moet toetsen of de Minister in redelijkheid het dwangbevel heeft kunnen uitvaardigen.
Deze uitgangspunten maken dat het verzet nimmer gericht kan zijn tegen de beslissing waarbij de geldelijke sanctie werd opgelegd. Veroordeelde heeft de mogelijkheid gehad in Oostenrijk verzet in te dienen tegen de beslissing waarbij de geldelijke sanctie is opgelegd en heeft hier ook gebruik van gemaakt. Haar verzet is afgewezen. In dit stadium van de rechtsgang is het niet mogelijk om opnieuw (inhoudelijk) bezwaar te maken tegen de in Oostenrijk genomen beslissing.
De rechtbank heeft ambtshalve getoetst of de officier van justitie een weigeringsgrond had moeten toepassen, maar daarvan is niet gebleken.
De rechtbank moet voorts toetsen of de Minister in redelijkheid het dwangbevel heeft kunnen uitvaardigen. Het CJIB heeft veroordeelde op 30 september 2024 aangeschreven om de geldelijke sanctie inclusief de kosten te voldoen. Hierbij is zij gewezen op de gevolgen van het niet voldoen van het aangeschreven bedrag. Veroordeelde heeft het bedrag niet voldaan en vervolgens zijn er twee aanmaningen en een herinneringsbrief naar haar gezonden, waarin ze wederom op de gevolgen werd gewezen van het niet voldoen van het aangeschreven bedrag. Veroordeelde heeft aangegeven dat zij deze brieven heeft ontvangen, maar het aangeschreven bedrag niet heeft betaald omdat ze het niet eens is met de opgelegde geldelijke sanctie. Vast staat dat veroordeelde tot dusver niets heeft betaald.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het CJIB op zorgvuldige wijze heeft getracht het verschuldigde bedrag te innen door het zenden van voornoemde stukken naar veroordeelde, waarin zij werd gewezen op de gevolgen van het niet voldoen van het aangeschreven bedrag. De Minister heeft, toen enige betaling uitbleef, in redelijkheid de beslissing kunnen nemen tot het uitvaardigen van het dwangbevel. Dat aan veroordeelde tevens administratiekosten, aanmaningskosten, kosten van de invorderingsprocedure van de deurwaarder en het dwangbevel in rekening zijn gebracht, doet hier niet aan af. Een en ander is inherent aan het niet-betalen van een in kracht van gewijsde gegane beslissing tot oplegging van een geldelijke sanctie. Veroordeelde is hier via de aanschrijvingen van het CJIB ook meerdere malen voor gewaarschuwd.
De rechtbank overweegt voorts dat in deze procedure geen ruimte is om de opgelegde geldelijke sanctie en de verhogingen in te trekken of te herzien.
Het door veroordeelde ingediende bezwaarschrift moet dan ook ongegrond worden verklaard.
Beslissing
De rechtbank verklaart het bezwaarschrift ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. M.R. de Vries en mr. G.C. Koelman, rechters, in tegenwoordigheid van G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Wanneer u het niet eens bent met deze beslissing kunt u binnen veertien dagen na betekening van deze beslissing cassatie instellen. Het instellen van cassatie doet u bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden.
De Hoge Raad neemt de zaak alleen in behandeling wanneer het aan de Staat verschuldigde bedrag, inclusief kosten, is betaald. Dit bedrag dient als zekerheidsstelling. Zie hiervoor artikel 6:4:5, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het gaat om een bedrag van
453,-. Dit bedrag moet binnen twee weken na het instellen van cassatie zijn betaald op rekeningnummer IBAN NL40INGB0705005143 van het CJIB in Leeuwarden, onder vermelding van het cjib-zaaknummer 3505254004433463.
De door de deurwaarder aan u in rekening gebrachte bedragen voor incassokosten/invorderingskosten en kosten van het exploot moeten aan de deurwaarder worden betaald.