Europees strafrecht
Art. 39 WWETGC, ongegrond; rechtbank treedt niet in gevoerde procedure in het buitenland, het eventueel…
Rechtbank Noord-Nederland, 1 juli 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:3467 · Rechtbank Noord-Nederland · 1 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/strafrecht/europees-strafrecht/raadkamer/ecli-nl-rbnne-2026-3467
Zaakgegevens
Op 1 juli 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 1 juli 2026
- Datum publicatie
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- 26.000432
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- RaadkamerRaadkamerEen zitting die niet openbaar is, bijvoorbeeld over voorlopige hechtenis of een klacht over niet-vervolging.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2026:3467
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 39 WWETGC, ongegrond; rechtbank treedt niet in gevoerde procedure in het buitenland, het eventueel toepassen van gijzeling staat erkenning niet in de weg.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Leeuwarden
raadkamernummer : 26.000432
cjib-zaaknummer : 1072542300000523
beslissing van de meervoudige raadkamer van 1 juli 2026 op het beroep op grond van artikel 39 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, ingesteld namens veroordeelde
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] .
Procesverloop
Op 7 januari 2026 heeft mr. E. van de Rakt, advocaat te Breda, namens veroordeelde beroep ingesteld tegen de op 8 januari 2025 door de officier van justitie genomen beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van een op 28 november 2016 door de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout, te België, opgelegde beslissing tot confiscatie (bijzondere verbeurdverklaring) van een bedrag van 46.560,-.
De raadsvrouw en de officier van justitie hebben schriftelijk hun standpunten uiteengezet.
De mondeling behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 17 juni 2026. Hierbij waren aanwezig veroordeelde, zijn waarnemend raadsman mr. J.J.J. van Rijsbergen en de officier van justitie, mr.
I. Kuiter.
Motivering
De rechtbank stelt op basis van de stukken het volgende vast.
Het beroep is ingesteld op grond van artikel 39 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (hierna: WWETGC).
De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van het beroep en het beroep is tijdig en juist ingesteld.
Standpunt veroordeelde
De erkenning van het confiscatiebevel had door de officier van justitie geweigerd moeten worden, omdat veroordeelde niet persoonlijk is verschenen op de terechtzitting en geen van de uitzonderingsgronden van artikel 19 lid 1 sub g Verordening 2018/1805 van toepassing zijn. Tevens leidt erkenning van de opgelegde beslissing tot confiscatie tot een manifeste schending van verschillende grondrechten, omdat in Nederland in het kader van de tenuitvoerlegging van de beslissing gijzeling kan worden toegepast. Dit is niet mogelijk in België en daarom behelst de erkenning een strafverzwaring. Dit is in strijd met artikel 19 lid 1 onder h van de Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees parlement en de Raad van 14 november 2018 (hierna: Verordening 2018/1805).
Standpunt officier van justitie
Uit het confiscatiecertificaat blijkt dat veroordeelde niet persoonlijk is gedagvaard, maar wel officieel in kennis is gesteld van de terechtzitting en dat ondubbelzinnig vast staat dat hij kennis had van de zitting. Dit wordt ook bevestigd door de inhoud van het confiscatiebevel. Hieruit blijkt immers dat er een namens veroordeelde ingeschakelde advocaat aanwezig was op de zitting die is aangehouden. Hierdoor zijn er geen aanwijzingen dat veroordeelde niet bekend was met de zitting en dient uitgegaan te worden van de juistheid van het confiscatiecertificaat. Ook blijkt uit dit certificaat dat veroordeelde kennis heeft genomen van het confiscatiebevel en dat het onherroepelijk is geworden. De officier heeft in redelijkheid tot de beslissing tot erkenning van het confiscatiebevel kunnen komen en het beroepschrift moet ongegrond worden verklaard.
Oordeel rechtbank
De rechtbank overweegt dat de toetsing van het beroep plaats vindt op grond van de op 19 december 2020 in werking getreden Verordening 2018/1805 en op grond van het op 19 december 2020 in werking getreden artikel 39 van de WWETGC.
De rechtbank overweegt dat als uitgangspunten voor de beoordeling van een beroep op grond van artikel 39 van de WWETGC het volgende geldt:
- de rechtbank moet toetsen of de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing tot erkenning heeft kunnen komen;
-
de officier van justitie mag bij zijn beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen;
-
de rechtbank mag bij haar beoordeling evenmin treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen.
De rechtbank stelt vast dat uit het confiscatiecertificaat blijkt dat veroordeelde niet persoonlijk is gedagvaard, maar anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting die tot het bevel tot confiscatie heeft geleid, op zodanige wijze dat ondubbelzinnig vaststaat dat hij, indien hij niet op de terechtzitting verschijnt, wel op de hoogte was van de voorgenomen terechtzitting, en ervan in
kennis is gesteld dat een confiscatiebevel kan worden gegeven wanneer hij niet op de terechtzitting verschijnt. Voorts blijkt uit het certificaat dat het confiscatiebevel op 28 februari 2017 is betekend en dat het op 31 maart 2017 onherroepelijk is geworden.
Hiermee is voldaan aan de uitzonderingsgrond van artikel 19 lid 1 onder g Verordering 2018/1805. Het beginsel van wederzijdse erkenning en de strikte uitleg van de gronden tot weigering brengt met zich mee dat bij de beoordeling of één van de gronden tot weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging van toepassing is, niet toe wordt gekomen aan de beoordeling van de gevoerde procedure in het buitenland en/of de materiële gronden voor de in het buitenland genomen beslissing.
De rechtbank overweegt voorts dat artikel 19 Verordening 2018/1805 een limitatieve opsomming van enkel facultatieve weigeringsgronden bevat. De officier van justitie is derhalve niet verplicht de erkenning te weigeren indien wordt voldaan aan één van die weigeringsgronden. Bovendien valt het toepassen van een eventueel dwangmiddel bij de tenuitvoerlegging van een in een andere staat opgelegde straf of maatregel niet onder één van de genoemde weigeringsgronden van voornoemde verordening. Ook ligt op dit moment geen vordering tot gijzeling voor.
De rechtbank dient enkel te beoordeelden of de officier van justitie redelijkerwijs tot erkenning en tenuitvoerlegging van de confiscatiebeslissing heeft kunnen komen.
Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. In het geval de officier van justitie bij de tenuitvoerlegging gebruik wenst te maken van gijzeling moet hij hiervoor een vordering op grond van artikel 22 van de WWETGC bij deze rechtbank indienen. De rechtbank dient in dat geval te beoordelen of gijzeling is toegestaan. Met betrekking tot de vraag of door toepassing van gijzeling bij de tenuitvoerlegging sprake is van een verzwaring van de straf of maatregel heeft de rechtbank in de beslissing van ECLI:NL:RBNNE:2019:2502 prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie voorgelegd.
De rechtbank ziet in de beslissing van het Hof van 10 januari 2019 de bevestiging dat het kaderbesluit 2006/783 op juiste wijze in de Nederlandse wetgeving is geïmplementeerd en dat artikel 22 van de WWETGC rechtsgeldig is.
De rechtbank verwerpt de gevoerde verweren en is van oordeel dat de officier van justitie in redelijkheid tot erkenning en tenuitvoerlegging van de confiscatiebeslissing heeft kunnen komen. De rechtbank acht ambtshalve geen weigeringsgronden aanwezig.
De rechtbank zal het ingestelde beroep daarom ongegrond verklaren.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 1 juli 2026 door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. M.R. de Vries en mr. G.C. Koelman, rechters, in tegenwoordigheid van G.T. Zandstra-Alkema, griffier. De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.