Europees strafrecht
Art. 39 WWETGC, ongegrond; geen gronden aangevoerd.
Rechtbank Noord-Nederland, 1 juli 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:3468 · Rechtbank Noord-Nederland · 1 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/strafrecht/europees-strafrecht/raadkamer/ecli-nl-rbnne-2026-3468
Zaakgegevens
Op 1 juli 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 1 juli 2026
- Datum publicatie
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- 26.005930
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- RaadkamerRaadkamerEen zitting die niet openbaar is, bijvoorbeeld over voorlopige hechtenis of een klacht over niet-vervolging.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2026:3468
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 39 WWETGC, ongegrond; geen gronden aangevoerd.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Leeuwarden
raadkamernummer : 26.005930
cjib-zaaknummer : 5072542300000556
beslissing van de meervoudige raadkamer van 1 juli 2026 op het beroep op grond van artikel 39 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, ingesteld namens veroordeelde
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] .
Procesverloop
Op 27 februari 2026 heeft mr. T.P.A.M. Wouters, advocaat te Amsterdam, namens veroordeelde beroep ingesteld tegen de op 23 oktober 2025 door de officier van justitie genomen beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van een op 11 januari 2024 door de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, te België, opgelegde beslissing tot confiscatie (bijzondere verbeurdverklaring) van een bedrag van 15.000,-. Door de Belgische autoriteit wordt verzocht een bedrag van 14.000,- ten uitvoer te leggen.
De raadsman heeft afgezien van de mogelijkheid om schriftelijk zijn standpunt uiteen te zetten en heeft het openbaar ministerie enkel een vraag gesteld over het mogelijk verrekenen van een verbeurdverklaarde personenauto op het te innen bedrag. Het openbaar ministerie heeft hierop -nadat zij hierover navraag
heeft gedaan bij de Belgische autoriteit- negatief gereageerd.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 17 juni 2026. Hierbij waren veroordeelde en zijn raadsman niet aanwezig. Als officier van justitie was
mr. I. Kuiter aanwezig.
Motivering
De rechtbank stelt op basis van de stukken het volgende vast.
Het beroep is ingesteld op grond van artikel 39 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (hierna: WWETGC).
De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van het beroep en het beroep is tijdig en juist ingesteld.
De toetsing van het beroep vindt plaats op grond van de op 19 december 2020 in werking getreden Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees parlement en de Raad van 14 november 2018 (hierna: Verordening 2018/1805) en op grond van het op 19 december 2020 in werking getreden artikel 39 van de WWETGC.
De rechtbank overweegt dat als uitgangspunten voor de beoordeling van een beroep op grond van artikel 39 van de WWETGC het volgende geldt:
-
de rechtbank moet toetsen of de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing tot erkenning heeft kunnen komen;
-
de officier van justitie mag bij zijn beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen;
-
de rechtbank mag bij haar beoordeling evenmin treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen.
Namens veroordeelde is gesteld dat de officier van justitie de erkenning en tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel had moeten weigeren. Hiervoor zijn geen gronden aangevoerd.
De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie in redelijkheid tot erkenning en tenuitvoerlegging van de confiscatiebeslissing heeft kunnen komen. De rechtbank acht ambtshalve geen weigeringsgronden aanwezig.
De rechtbank zal het ingestelde beroep daarom ongegrond verklaren.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 1 juli 2026 door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. M.R. de Vries en mr. G.C. Koelman, rechters, in tegenwoordigheid van G.T. Zandstra-Alkema, griffier. De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.