Europees strafrecht

Art. 39 WWETGC, niet-ontvankelijk; beroep niet binnen wettelijk gesteld termijn ingesteld, de aangevoerde…

Rechtbank Noord-Nederland, 1 juli 2026

Zaakgegevens

Op 1 juli 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
1 juli 2026
Datum publicatie
17 augustus 2026
Zaaknummer
25.030294
Procedure
Raadkamer
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:3469
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art. 39 WWETGC, niet-ontvankelijk; beroep niet binnen wettelijk gesteld termijn ingesteld, de aangevoerde verweren maken niet dat hierop een uitzondering moet worden gemaakt.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Leeuwarden

raadkamernummer : 25.030294

cjib-zaaknummer : 1072542300000508

beslissing van de meervoudige raadkamer van 1 juli 2026 op het beroep op grond van artikel 39 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, ingesteld namens veroordeelde

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Procesverloop

Op 25 november 2025 heeft mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam, namens veroordeelde beroep ingesteld tegen de op 26 augustus 2025 door de officier van justitie genomen beslissing tot erkenning van een op 16 mei 2013 door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, te België, opgelegde beslissing tot confiscatie (bijzondere verbeurdverklaring) waarbij een bedrag is opgelegd van 91.817,50. Door de Belgische autoriteit wordt verzocht een bedrag van 91.452,50 ten uitvoer te leggen.

De raadsman en de officier van justitie hebben schriftelijk hun standpunten uiteengezet.

De mondeling behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 17 juni 2026. Hierbij waren veroordeelde, zijn waarnemend raadsvrouw mr. B.H. van der Zwan en de officier van justitie, mr. I. Kuiter, aanwezig.

Motivering

De rechtbank stelt op basis van de stukken het volgende vast.

Het beroep is ingesteld op grond van artikel 39 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (hierna: WWETGC).

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van het beroep.

Het beroep dient uiterlijk binnen zeven dagen, te rekenen van de dag dat veroordeelde kennis heeft gekregen van de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel worden ingesteld. Uit de stukken blijkt dat de aanschrijving en de erkenningsbeslissing van de officier van justitie op 11 november 2025 in persoon aan veroordeelde zijn betekend.

Door de raadsvrouw is ten aanzien van de ontvankelijkheid aangevoerd dat uit artikel 6 EVRM het recht op een eerlijk proces en het beginsel van effectieve rechtsbescherming volgt dat een overschrijding van de termijn om beroep in te stellen onder bijzondere omstandigheden niet fataal mag zijn. Voor veroordeelde was het in dit geval van belang om eerst contact te leggen met zowel een Belgische als een Nederlandse advocaat in verband

met de verjaringstermijn van het confiscatiebevel. Gelet op de misslag in de executiebevoegdheid is sprake van een ongewone situatie. Ook blijkt uit de jurisprudentie van deze rechtbank dat sprake was van ontvankelijkheid in zaken waarin er veel meer tijd zat tussen de erkenningsbeslissing van de officier van justitie en het moment van instellen van beroep. Ook is van belang dat door het openbaar ministerie geen niet-ontvankelijkheid is bepleit en veroordeelde een zeer groot belang heeft bij de procedure, omdat het moeten betalen van een aanzienlijk geldbedrag verstrekkende gevolgen voor hem kan hebben.

De officier van justitie heeft ter zitting aangevoerd dat veroordeelde niet-ontvankelijk is, omdat het beroep niet volgens de wettelijke termijn is ingesteld en hiervoor geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd.

De rechtbank stelt vast dat het beroep niet binnen de wettelijk gestelde termijn van zeven dagen is ingesteld. De door de raadsvrouw aangevoerde omstandigheden maken niet dat hierop een uitzondering moet worden gemaakt. Veroordeelde had de mogelijkheid om tijdig beroep in te stellen en daarna te overleggen met zijn advocaten over de gronden van het beroep. Dat in andere zaken de termijn tussen de erkenningsbeslissing en het instellen van beroep langer is dan in de onderhavige zaak is niet relevant nu het gaat om de termijn tussen het kennis nemen van de erkenningsbeslissing en het moment van het instellen van beroep.

De rechtbank zal daarom het ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaren.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven op 1 juli 2026 door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. M.R. de Vries en mr. G.C. Koelman, rechters, in tegenwoordigheid van G.T. Zandstra-Alkema, griffier. De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.