Omgevingsrecht

Voorlopige voorziening in verband met de weigering van het college om handhavend op te treden tegen een…

Rechtbank Oost-Brabant, 7 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 7 augustus 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
7 augustus 2026
Datum publicatie
19 augustus 2026
Zaaknummer
26/1751
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:5931
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Voorlopige voorziening in verband met de weigering van het college om handhavend op te treden tegen een voetbalkooi na belangenafweging afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 26/1751 OWHAND


uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 augustus 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond, het college

(gemachtigden: mr. M. van Moorsel en mr. Y.J.A.M. Willems).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het afwijzen van een verzoek om handhavend op te treden tegen een voetbalkooi. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter zal het verzoek beoordelen aan de hand van de aangevoerde gronden.

2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Dat betekent dat het college op grond van deze uitspraak niet handhavend behoeft op te treden tegen de voetbalkooi. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

3.
Met het bestreden besluit van 12 mei 2026 heeft het college het verzoek van verzoekster om handhavend op te treden tegen het gebruik van een voetbalkooi in park [naam] afgewezen.

4. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

5.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

6.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, vergezeld door ing. L. Visscher, en de gemachtigden van het college.

7. De voorzieningenrechter heeft ter zitting het onderzoek niet gesloten, omdat zij partijen in overweging heeft gegeven om in te stemmen met het overslaan van de bezwaarprocedure zodat de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening om advies kan worden gevraagd met betrekking tot het aspect geluid. Het college heeft bij brief van 3 augustus 2026 aangegeven de bezwaarprocedure te willen (ver)volgen.
Hierop heeft de voorzieningenrechter het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang

8.
Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

9. Het college stelt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang, omdat de voetbalkooi al twee jaar geleden is geplaatst en er geen reden wordt genoemd waarom op dit moment sprake is van een zodanig spoedeisend belang dat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht.

10. Verzoekster stelt al sinds de plaatsing van de voetbalkooi geluidoverlast te ervaren en wil met haar verzoek bewerkstelligen dat hieraan spoedig een einde komt. Het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is daarmee in dit geval gegeven. Het feit dat de voetbalkooi er reeds twee jaar staat acht de voorzieningenrechter niet van doorslaggevende betekenis.

Vooraf

11. Verzoekster woont op ongeveer 45 meter afstand van een voetbalkooi in het park [naam] in [plaats]. Deze voetbalkooi is hier in de zomer van 2024 geplaatst. Verzoekster ervaart sinds die tijd overlast van het gebruik van de voetbalkooi door het schoppen van de bal tegen de achterkanten van de voetbalkooi en door het stemgeluid van voetballende of naar voetbal kijkende kinderen. Verzoekster heeft het college daarom bij brief van 23 februari 2026 verzocht om het gebruik van de voetbalkooi als speelvoorziening onmiddellijk te beëindigen zolang niet is voorzien in geluidwerende maatregelen om de geluidoverlast van de voetbalkooi te beperken.

12.
Het college heeft de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (de omgevingsdienst) gevraagd om een onderzoek te doen naar de door verzoekster ervaren geluidoverlast. De omgevingsdienst heeft van 6 tot en met 19 maart 2025 geluidmetingen verricht en op 10 juli 2025 een geluidrapport uitgebracht. Hierin is gesteld dat de LAmax-niveaus, die met name bepalend zijn voor de mate van hinder vanwege een voetbalkooi, ter hoogte van verzoeksters woning tussen de 56 en 76 dB(A) liggen en worden veroorzaakt door stemgeluid. Stemgeluid wordt echter uitgezonderd van toetsing, zo is gesteld, zodat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van overschrijding van de geluidgrenswaarden. Het knallen met een bal ligt volgens de rapportage onder de 70 dB(A). Op basis van het rapport van
10 juli 2025 heeft het college aangegeven geen verdere actie te zullen ondernemen.

Vervolgens heeft verzoekster een tegenrapport laten opstellen door de Nederlandse Stichting Geluidhinder (NSG), gedateerd 29 juli 2025.
Hierop heeft het college een aanvullend akoestisch onderzoek laten uitvoeren door de omgevingsdienst en de uitkomsten hiervan neergelegd in een geluidrapport van
12 september 2025. In dit rapport is bij de beoordeling van de geluidbelasting uitgegaan van het beoordelingskader dat in artikel 2.17 van het (oude) Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm) is opgenomen voor piekgeluiden (LAmax), te weten maximaal 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) op de gevel van een geluidgevoelig gebouw voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode, zij het dat, in afwijking van het Abm, in dit rapport wel rekening is gehouden met sport- en stemgeluid. Geconcludeerd is dat de piekgeluidgrenswaarden van het Abm bij het knallen van een bal tegen de wanden van de voetbalkooi en bij stemgeluid afkomstig uit de voetbalkooi niet worden overschreden ter hoogte van de woning van verzoekster. Bij brief van 6 januari 2026 heeft het college aan verzoekster bericht dat het op basis van dit geluidrapport van mening is dat geen sprake is van bovenmatige geluidoverlast en dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een overtreding van de zorgplicht.
Hierop heeft verzoekster een tweede tegenrapport laten opstellen door de NSG, gedateerd 26 februari 2026.
Bij het bestreden besluit heeft het college zijn standpunt dat het gebruik van de voetbalkooi niet leidt tot bovenmatige geluidoverlast in de zin van artikel 4.1.5 van de Algemene plaatselijke verordening (APV) gehandhaafd en het verzoek tot handhaving afgewezen. Daarbij heeft het college aangegeven dat bij de beoordeling of sprake is van een overtreding als bedoeld in artikel 4.1.5 van de APV aansluiting is gezocht bij het beoordelingskader van het Abm, omdat het ter plaatse geldende bestemmingsplan en het omgevingsplan van de gemeente Helmond (het omgevingsplan) geen specifiek normerend kader bevatten voor de beoordeling van geluidhinder in deze situatie. Volgens het college kunnen het gebruik van de voetbalkooi, die voorziet in een behoefte vanuit de wijk, en de daarbij behorende geluiden als normaal gebruik worden bestempeld. Bewust is gekozen voor een stillere voetbalkooi om overlast zoveel als mogelijk te beperken.

13. Verzoekster beoogt blijkens haar verzoekschrift en het verhandelde ter zitting dat er een voorlopige voorziening wordt getroffen die ertoe strekt dat het gebruik van de voetbalkooi op de huidige locatie wordt beëindigd dan wel dat het college ertoe wordt verplicht zodanige geluidwerende voorzieningen aan de voetbalkooi te treffen dat de piekgeluidniveaus tengevolge van de voetbalkooi binnen haar woning bij geopende ramen en deuren niet meer bedragen dan 55 en 50 dB(A) in de dagperiode respectievelijk avondperiode.

Bespreking verzoek om een voorlopige voorziening


Strijd met bestemmingsplan?

14. Voor zover verzoekster stelt dat de voetbalkooi in strijd is met het omgevingsplan omdat er geen geluidwerende voorzieningen zijn aangebracht, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Ter plaatse van de gronden waar de voetbalkooi is gerealiseerd geldt het bestemmingsplan “[naam]”, dat onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan. Aan deze gronden is de bestemming “Groen” toegekend. Op grond van artikel 8.1 van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor ‘Groen’ aangewezen gronden bestemd voor geluidswerende voorzieningen en speelvoorzieningen. Anders dan verzoekster stelt, betekent het feit dat geluidwerende voorzieningen zijn toegestaan niet dat dit doeleinde in het bestemmingsplan is opgenomen om speelvoorzieningen mogelijk te maken. Weliswaar is een geluidwerende voorziening ter plaatse wel toegelaten, maar dat betekent niet dat als zo’n geluidwerende voorziening er niet is, de speelvoorziening, in dit geval de voetbalkooi, in strijd zou zijn met artikel 8.1 van de planregels. Het college heeft hierover terecht gesteld dat de doeleindenomschrijving alleen aangeeft wat is toegestaan binnen de bestemming “Groen” en niet wat er moet worden gerealiseerd.
Ook overigens ziet de voorzieningenrechter in hetgeen verzoekster heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de voetbalkooi in strijd is met het bestemmingsplan, zodat in zoverre geen sprake is van een overtreding op grond waarvan het college bevoegd is tot handhavend optreden.

Strijd met artikel 4.1.5 van de APV?
15. Artikel 4.1.5, eerste lid, van de APV luidt als volgt:

“Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.”

16.
Tussen partijen is in geschil of sprake is van (onaanvaardbare) geluidhinder in de zin van artikel 4.1.5 van de APV. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college bij de beoordeling hiervan aansluiting heeft kunnen zoeken bij genoemde grenswaarden voor het LAmax van het voormalige Abm die gelden op de gevel van een geluidgevoelig gebouw, zoals nu vastgelegd in artikel 22.63 gelezen in samenhang met artikel 22.57 van het omgevingsplan. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college aan zijn besluit het rapport van de omgevingsdienst van 12 september 2025 ten grondslag heeft gelegd. Verzoekster betwist de uitgangspunten van dit rapport. Zoals ter zitting reeds is aangegeven, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze procedure zich niet leent voor de beantwoording van de vraag of het college dit geluidrapport aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen en, in het verlengde daarvan, op basis hiervan heeft kunnen stellen dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 4.1.5 van de APV. De beantwoording van deze vraag vergt namelijk nader onderzoek.

Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter uitsluitend op basis van een belangenafweging beoordelen of het treffen van een voorlopige voorziening is geboden. Hierover overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

17. Het algemene belang is erbij gebaat dat het gebruik van de voetbalkooi kan worden voortgezet, temeer nu die is geplaatst naar aanleiding van een opgezette handtekeningenactie door omwonenden en er, gezien ook de klachten van verzoekster, kennelijk veelvuldig gebruik van wordt gemaakt.
Het belang van verzoekster is erin gelegen dat er een einde wordt gemaakt aan de geluidhinder die zij sinds 2024 stelt te ondervinden vanwege het gebruik van de voetbalkooi. Dit vergt niet alleen dat het bestreden besluit wordt geschorst, wat voor verzoekster niets zou opleveren, maar ook dat een voorlopige voorziening wordt getroffen die ertoe strekt dat het college wordt gelast een besluit te nemen tot beëindiging van het gebruik van de voetbalkooi of tot het treffen van geluidwerende maatregelen. De voorzieningenrechter vindt dit een te ver gaande maatregel. Het is immers niet uitgesloten dat zal blijken dat het college heeft mogen uitgaan van de juistheid van de conclusies in het geluidrapport van 12 september 2025. Verder heeft de voorzieningenrechter bij haar afweging ook betrokken dat deze voetbalkooi niet eenvoudig voor een bepaalde tijd kan worden afgesloten, omdat deze aan beide lange zijden niet is voorzien van een metalen (kooi)constructie, maar hier slechts een lage houten drempel ligt.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat aan het algemene belang tot het kunnen blijven gebruiken van de voetbalkooi een groter gewicht toekomt dan aan het belang van verzoekster bij de beëindiging van dit gebruik totdat een beslissing op bezwaar is genomen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

Conclusie en gevolgen


18. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het gebruik van de voetbalkooi mag worden voortgezet. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.G. van der Korput, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.