Personen- en familierecht
Afwijzing herhaald verzoek opheffing bewind. Om de financiën terug in eigen hand te kunnen nemen moet eerst…
Rechtbank Oost-Brabant, 3 november 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:7843 · Rechtbank Oost-Brabant · 3 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/civiel-recht/personen-en-familierecht/beschikking/ecli-nl-rbobr-2026-7843
Zaakgegevens
Op 3 november 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 3 november 2026
- Datum publicatie
- 4 november 2026
- Zaaknummer
- NL:TZ:0000506648:B001
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2026:7843
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Afwijzing herhaald verzoek opheffing bewind. Om de financiën terug in eigen hand te kunnen nemen moet eerst blijken dat de situatie stabiel is en dat betrokkene inzicht en overzicht heeft op het gebied van zijn geldzaken. Hij moet bovendien de praktische vaardigheden hebben om die zaken duurzaam zelf te kunnen regelen. Belang aanmelding schuldhulpverlening en samenwerking met bewindvoerder. Nieuw verzoek alleen bij nieuwe feiten en omstandigheden.
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
|
zaaknummer |
: |
NL:TZ:0000506648:B001 |
|
dossiernummer |
: |
BM51734 |
|
datum |
: |
3 november 2026 |
[initialen griffier]
beschikking op een verzoek tot opheffing van bewind
op verzoek van:
[naam] ,
geboren te [plaatsnaam] op [datum] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: betrokkene,
met als bewindvoerder: ZEKER Financiële Zorgverlening B.V., Kvkno. 32109241, Postbus 50099, 1305 AB Almere.
procedure
De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
- het verzoek, ontvangen op 31 augustus 2026;
- de brieven van betrokkene, ontvangen op 16 en 23 september 2026;
- de schriftelijke reactie van de bewindvoerder, ontvangen op 23 september 2026.
Het verzoek is mondeling behandeld op 27 oktober 2026. Hierbij zijn betrokkene en de bewindvoerder verschenen.
beoordeling
Bij beschikking van de kantonrechter van 4 februari 2026 is een bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van betrokkene, vanwege zijn lichamelijke of geestelijke toestand.
Op 13 maart 2026 heeft betrokkene voor het eerst om opheffing van het bewind gevraagd. Dat verzoek is op zitting besproken en bij beschikking van 25 juni 2026 afgewezen.
Betrokkene verzoekt nu opnieuw om opheffing van het bewind. Hij wil zijn financiën terug in eigen beheer, omdat de bewindvoerder hem laat zitten zonder leefgeld nadat betrokkene de toeslagen heeft stopgezet. Hij stelt daarnaast makkelijk aan de hand van een boekhoudschema zijn financiële zaken zelf te kunnen regelen en dat zijn gezondheidstoestand lijdt onder het bewind. Op 11 september 2026 heeft betrokkene zelf zijn baan opgezegd, omdat hij fysiek en mentaal uitgeput was. De bewindvoerder doet betalingen te laat en heeft niets geregeld voor zijn schuld bij de Belastingdienst.
Op de zitting heeft betrokkene herhaald dat hij van het bewind af wil.
De bewindvoerder heeft zich schriftelijk en op de zitting uitgelaten over het verzoek. De bewindvoerder is van mening dat betrokkene nog niet in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen zelfstandig en op verantwoorde wijze te behartigen. Betrokkene heeft zonder overleg zijn toeslagen stopgezet, waardoor inkomsten wegvielen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het budgetplan en de betaling van vaste lasten en leefgeld. Nadat betrokkene na uitleg van de bewindvoerder zijn toeslagen weer had geactiveerd, is het leefgeld met terugwerkende kracht aan betrokkene uitbetaald. Er was de afgelopen periode niet steeds stabiliteit door de wisselende situatie van betrokkene. Nu is er wel meer stabiliteit en zou toegewerkt kunnen worden naar een aanvraag voor schuldhulpverlening. De bewindvoerder acht een MSNP-traject voordeliger voor betrokkene dan langdurige afbetalingsregelingen. Daarnaast verloopt volgens de bewindvoerder de samenwerking van betrokkene met instanties en hulpverleners moeizaam. Betrokkene zou regelmatig vanuit boosheid reageren en wantrouwen hebben richting de organisaties en personen die hem proberen te ondersteunen.
De kantonrechter overweegt als volgt.
Gelet op de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting is de kantonrechter gebleken dat de noodzaak van het bewind nog steeds aanwezig is. De kantonrechter ziet onvoldoende aanknopingspunten waaruit blijkt dat betrokkene op dit moment in staat is om zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Om de financiën terug in eigen hand te kunnen nemen moet eerst blijken dat de situatie stabiel is en dat betrokkene inzicht en overzicht heeft op het gebied van zijn geldzaken. Hij moet bovendien de praktische vaardigheden hebben om die zaken duurzaam zelf te kunnen regelen. Dat is op dit moment nog niet gebleken.
Zo heeft betrokkene, zonder overleg met de bewindvoerder, afgelopen zomer vanuit boosheid zijn toeslagen (tijdelijk) stopgezet. Dat leidde tot problemen. Ook heeft de bewindvoerder, en dus niet betrokkene, een Participatiewet-uitkering aangevraagd nadat betrokkene ontslag had genomen. Er zijn schulden die nog opgelost moeten worden. Betrokkene heeft op de zitting aangegeven dat het op medisch vlak momenteel helemaal niet goed met hem gaat. Hij wil wel weer gaan werken, liefst bij zijn vorige werkgever, maar wacht tot de arts goedkeuring geeft. Juist in deze situatie kan een bewindvoerder betrokkene ondersteuning bieden op financieel vlak, zodat er geen nieuwe schulden zullen ontstaan en betrokkene zich over zijn financiën en schuldeisers minder zorgen hoeft te maken. Naar het oordeel van de kantonrechter is het in het belang van betrokkene dat hij kan worden aangemeld voor schuldhulpverlening om de schulden op te lossen.
De kantonrechter heeft gezien dat de communicatie tussen betrokkene en de bewindvoerder niet soepel verloopt en dat betrokkene weinig vertrouwen in de bewindvoerder heeft. De kantonrechter begrijpt dat een bewind beperkingen oplevert en dat dit niet altijd makkelijk te accepteren is, zeker in een periode dat er veel andere zaken spelen bij betrokkene. Het bewind kan echter alleen een succes worden als betrokkene en bewindvoerder samenwerken en een gezamenlijk einddoel hebben. Daarvoor is tenminste nodig dat betrokkene de bewindvoerder niet tegenwerkt, zodat die zijn werk kan blijven doen in het belang van betrokkene. Hoewel betrokkene duidelijk is over het feit dat hij zelfstandig verder wil, gaat de kantonrechter ervan uit dat de bewindvoerder en betrokkene een manier zullen vinden om het bewind op een zinvolle manier voort te zetten. Daarbij is het ook van belang dat aan betrokkene door de bewindvoerder perspectief wordt geboden om zo snel mogelijk te kunnen gaan werken aan zijn financiële zelfredzaamheid. Het is immers niet de bedoeling dat het bewind langer duurt dan nodig is. Als de (financiële) situatie van betrokkene stabiel is, de schulden zijn opgelost en een zelfredzaamheidstraject is succesvol verlopen, kan betrokkene (bij voorkeur samen met de bewindvoerder) opnieuw een verzoek tot opheffing van het bewind indienen.
De kantonrechter zal op basis van het bovenstaande het verzoek tot opheffing van het bewind afwijzen.
Nu twee keer in een half jaar een opheffingsverzoek van betrokkene ter zitting is besproken, wijst de kantonrechter betrokkene erop dat een nieuw opheffingsverzoek alleen in behandeling zal worden genomen als betrokkene gemotiveerd onderbouwt dat sprake is van nieuwe, relevante feiten of omstandigheden die betrekking hebben op zijn specifieke situatie.
beslissing
De kantonrechter:
- wijst het verzoek tot opheffing van het bewind af.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. C.S.M. Morel, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2026. |
||
|
[handtekening] |
[handtekening] |
|
|
[handtekening] |
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
-
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.