Zoeken naar rechterlijke uitspraken en jurisprudentie

Via Uitspraken.nl kunt u eenvoudig zoeken in onze online uitspraken databank door het invoeren van één of meerdere trefwoorden. Het is uiteraard ook mogelijk om te zoeken op wetsartikelen, zaaknummer, ECLI nummer of het oude LJN nummer.

Eerste aanleg - meervoudig Strafrecht overig

21 maart 2019
ECLI:NL:RBOBR:2019:1605

Op 21 maart 2019 heeft de Rechtbank Oost-Brabant een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht. Het zaaknummer is 01/879840-14, bekend onder ECLI code ECLI:NL:RBOBR:2019:1605. De plaats van zitting was 's-Hertogenbosch.

Soort procedure
Rechtsgebied
Zaaknummer(s)
01/879840-14
Datum uitspraak
21 maart 2019
Datum gepubliceerd
20 maart 2019
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/879840-14

Datum uitspraak: 21 maart 2019

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te

[geboorteplaats]
op
[1966]
,

wonende te

[postcode]
,
[straatnaam 1]
.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van de onderzoeken ter terechtzitting van 13 januari 2017, 6 oktober 2017 en 21 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 december 2016.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2007 tot en met 1 juli 2014, te Valkenswaard en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, in elk geval zich een of meermalen schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans aan schuldwitwassen,

immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens)

A.

- (van) (een) voorwerp(en), te weten een perceel en/of een woning (gelegen op/aan de

[straatnaam 1]
te Valkenswaard) en/of (van) een of meer geldbedragen waarmee dit perceel en/of (de bouw van en/of bouwwerkzaamheden aan) die woning werd(en) betaald,

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat perceel en/of die woning en/of die geldbedrag(en) was/waren en/of voorhanden had(den),

en/of verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat perceel en/of die woning en/of die/dat geldbedrag(en) -onmiddellijk of middellijk- uit enig misdrijf afkomstig was/waren,

EN/OF

B.

(van) een of meer voorwerpen, te weten meubels en/of inboedel en/of huisraad en/of stoffering en/of audioapparatuur en/of televisieapparatuur en/of kleding en/of schoeisel en/of een of meer fietsen en/of een of meer horloges (van het merk Cartier) en/of een aantal sieraden (ondermeer een aantal gouden ringen en/of armbanden en/of (schakel)colliers) en/of (van) een of meer (contante) geldbedragen waarmee al deze voornoemde voorwerpen werd(en) betaald,

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op al die voornoemde voorwerpen en/of op die/dat geldbedrag(en) was/waren en/of voorhanden had(den),

en/of

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist, althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die/dat voorwerp(en) en/of die/dat geledbedrag(en) -onmiddellijk en/of middellijk- uit enig misdrijf afkomstig was/waren,

EN/OF

C.

een of meermalen (van) een (contant) geldbedrag(en) (tot een totaalbedrag van euro 97.710,- of daaromtrent), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die/dat geldbedrag(en) was/waren en/of voorhanden had(den),

en/of

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die/dat gedlbedrag(en) -onmiddellijk en/of middellijk- uit enig misdrijf afkomstig was/waren;

2.

hij op of omstreeks 01 juli 2014 te Valkenswaard tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad vijf, in elk geval een aantal, zakken elk inhoudende een hoeveelheid blauwe pillen (zogenaamde XTC-pillen, tot een totaal aantal van 15.000 of daaromtrent), elk bevattende een hoeveelheid van een materiaal MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine), zijnde MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 01 juli 2014 te Valkenswaard tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, - een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Glock) en/of een of meer patroonhouders, en/of munitie van categorie III, te weten 56, in elk geval een aantal, kogelpatronen, kaliber 9 mm en/of 39, in elk geval een aantal, kogelpatronen, kaliber .45,

en/of

- een wapen van categorie II, te weten een schietpen, zijnde een wapen dat uiterlijk lijkt op een ander voorwerp dan een wapen,

en/of

- een wapen van categorie II, te weten een stroomstootwapen, zijnde een wapen waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht,

voorhanden heeft gehad;

4.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2007 tot en met 31 maart 2007 te Valkenswaard, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e) werkgeversverklaring en/of een loonstaat over de maand januari 2007, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken (telkens) hierin dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die werkgeversverklaring en/of die loonstaat heeft verstrekt, althans heeft doen toekomen, aan

[bank]
ter verkrijging van een hypothecaire geldlening voor de aankoop van het perceel en/of de woning gelegen op/aan de
[straatnaam 1]
te Valkenswaard en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat;

- op die werkgeversverklaring als naam werkgever was vermeld:

[bedrijf 1]
, gevestigd
[straatnaam 2]
te Son en Breugel , en/of als naam werknemer was vermeld:
[verdachte]
, geboren
[1966]
, en/of als datum van indiensttreding was vermeld: 1 januari 2007 en/of was vermeld dat de werknemer een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft of is aangesteld in vaste dienst en/of als brutojaarsalaris was vermeld: euro 70.248,00 en/of als dagtekening was vermeld: 19 januari 2007 en/of welke werkgeversverklaring was voorzien van een handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van
[getuige 2]
; en/of

- op die loonstaat over de maand januari 2007 was vermeld: naam werkgever

[bedrijf 1]
,
[straatnaam 2]
, Son en /of de naam (van de werknemer) dhr.
[verdachte]
,
[straatnaam 3]
te
[plaatsnaam 2]
en/of als brutosalaris euro 5854,00.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.

Verdachte wordt kort gezegd beschuldigd van het al dan niet in vereniging plegen van:

- witwassen (feit 1A, 1B en 1C);

- het aanwezig hebben van MDMA (feit 2);

- het aanwezig hebben van (vuur)wapens en munitie (feit 3);

- het gebruik maken van valse documenten (feit 4).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier acht de feiten ten laste gelegd onder 1A, 1C, 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft ten aanzien van de feiten ten laste gelegd onder 1A, 1B, 1C, 2 en 4 vrijspraak bepleit. In de kern heeft de verdediging ter zake van feit 1 daartoe aangevoerd dat enerzijds de hoogte van de door verdachte gedane uitgaven lager zijn dan in het dossier is gesteld en anderzijds dat de legale inkomsten van verdachte hoger zijn dan in het dossier is gesteld. De vader van verdachte heeft gedurende de ten laste gelegde periode veel rekeningen betaald en ook contante geldbedragen aan verdachte geschonken. Daarmee is geen sprake van onverklaarbare inkomsten en kan het ten laste gelegde witwassen ten aanzien van alle onderdelen niet bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte weliswaar 15.000 pillen voorhanden heeft gehad, maar dat hij niet wist dat het MDMA-pillen betrof. Daarmee is geen sprake van (voorwaardelijk) opzet op het aanwezig hebben van hoeveelheden MDMA waardoor vrijsprak moet volgen.

Ten aanzien van feit 4 voert de verdediging aan dat gelet op de stellige ontkenning van verdachte en het feit dat aannemelijk is dat de getuigen

[getuige]
en
[getuige 2]
niet naar waarheid hebben verklaard er onvoldoende wettig, maar in ieder geval onvoldoende overtuigend bewijs is.

Ter zake van feit 3 acht de verdediging een bewezenverklaring mogelijk.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht het dienstig om eerst te beoordelen of het ten laste gelegde feit onder 4 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Daarna zal de rechtbank beoordelen of verdachte zich aan één of meer van de overige ten laste gelegde feiten schuldig heeft gemaakt.

Ten aanzien van feit 4

Bewijsmiddelen

De rechtbank acht de volgende bewijsmiddelen redengevend voor de bewezenverklaring:

? het proces-verbaal van aangifte door

[betrokkene 1]
, namens
[bank]
. van 25 november 2014, pag. 6-155, onder meer inhoudende:

Door bemiddeling (…) is bij de

[bank]
een kredietaanvraag ingediend namens de heer
[verdachte]
, geboren op
[1966]
te
[geboorteplaats]
, ten einde de aankoop van het object gevestigd aan de
[straatnaam 1]
te
[postcode]
te financieren. (…) Deze aanvraag is op 30 januari 2007 te Valkenswaard getekend. (…) Op 28 februari 2007 heeft
[bank]
o.a. de volgende stukken ontvangen:

- een werkgeversverklaring op naam van

[verdachte]
;

- een salarisstrook op naam van

[verdachte]
over de maand januari 2007 (…). Na ontvangst van deze stukken heeft
[bank]
de aanvraag geaccordeerd.

? een werkgeversverklaring op naam

[verdachte]
d.d. 19 januari 2007, pag. 6-097, zakelijk weergegeven inhoudende:

een werkgeversverklaring van werkgever

[bedrijf 1]
ten behoeve van werknemer
[verdachte]
, in dienst sinds 1 januari 2007, functie accountmanager. Logo rechterbovenhoek. De werknemer heeft een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of is aangesteld in vaste dienst. Er is geen sprake van een proeftijd. Er zijn geen voornemens het dienstverband binnenkort te beëindigen. Bruto jaarsalaris € 70.248,00. Vakantietoeslag € 5.619,84. Ondertekend en verklaard naar waarheid te hebben ingevuld door
[getuige 2]
te Son op 19 januari 2007.

? een loonstrook op naam van

[verdachte]
, pag. 6-098, zakelijk weergegeven inhoudende:

Loonstrook van

[bedrijf 1]
ten behoeve van
[verdachte]
van januari 2017, waarin als bruto maandsalaris is opgenomen € 5.854,-

? het proces-verbaal van verhoor getuige

[getuige 2]
opgemaakt door verbalisanten
[verbalisant 1]
en
[verbalisant 2]
op 23 oktober 2014, pag. 6-147, onder meer inhoudende:

V: Wij tonen u een salarisstrook van

[bedrijf 1]
over de maand januari 2007. Wat kunt over deze salarisstrook verklaren?

A: Dit is een oude loonstrook. (…) De gegevens kloppen niet. Deze stroken zijn afgegeven door

[bedrijf 2]
. (…) Vreemd is dat op deze loonstrook geen cumulatieve gegevens staan want bij de eerste maand moeten die er ook op staan en er staat geen logo van
[bedrijf 2]
op.

V: Wij tonen u een werkgeversverklaring van

[bedrijf 1]
de dato 19 januari 2007. Wat kunt u over deze werkgeversverklaring verklaren?

A: Ik heb deze verklaring niet opgemaakt. Het logo in de rechterbovenhoek staat er normaal niet en de handtekening is niet van mij. (…)

V: Heeft u de deze werkgeversverklaring opgemaakt en ondertekend?

A: Nee. Ik doe dat pas vanaf 2009.

? het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisant

[verbalisant 1]
op 21 juli 2014, pag. 6-142, onder meer inhoudende:

Ik ben telefonisch benaderd door

[betrokkene 2]
, directeur van
[bedrijf 1]
te Son. (…)
[betrokkene 2]
vertelde dat
[betrokkene 3]
bij hem in loondienst was geweest maar dit de jaren voor 2000 betrof.

? het proces-verbaal van verhoor van

[betrokkene 4]
opgemaakt door verbalisanten
[verbalisant 3]
en
[verbalisant 1]
op 6 juli 2014, pag. 2-152, onder meer inhoudende:

U vraagt mij of

[betrokkene 3]
in loondienst is geweest bij
[betrokkene 2]
. Dat zou best kunnen, maar dat moet dan al bijna 15 jaar geleden zijn, want zo lang ik
[betrokkene 3]
ken, had hij zijn eigen bedrijf.

? het proces-verbaal verhoor van getuige

[getuige 2]
ten overstaan van de rechter-commissaris op 30 mei 2017, onder meer inhoudende:

U vraagt mij of ik

[betrokkene 3]
ken. Toen ik pas bij
[bedrijf 1]
werkte in 1994 heb ik hem wel eens op het bedrijf gezien, alleen de eerste jaren. Daarna heb ik hem nooit meer gezien. (…) Als
[betrokkene 3]
in loondienst zou zijn geweest bij
[bedrijf 1]
dan had ik dat geweten. Ik had dat dan aan de salarisadministratie doorgegeven.

? de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 13 januari 2017, onder meer inhoudende:

Ik heb de loonstrook en werkgeversverklaring ingebracht bij de aanvraag van mijn hypotheek.

Bewijsoverweging

De rechtbank is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen. De rechtbank heeft in het verhandelde ter terechtzitting noch het strafdossier redenen gevonden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

De verdachte heeft verklaard dat hij de loonstrook en de werkgeversverklaring van

[getuige 2]
heeft gekregen en dat hij daadwerkelijk in loondienst heeft gewerkt voor het bedrijf
[bedrijf 1]
. Door de getuigen
[getuige 2]
,
[getuige]
en door de partner van verdachte is echter verklaard dat verdachte niet in loondienst is geweest bij
[bedrijf 1]
in januari 2007. De getuige
[getuige 2]
heeft verklaard over uiterlijke kenmerken van de documenten waaraan hij ziet dat de werkgeversverklaring en de loonstrook vals zijn. Zo staan op de loonstrook geen cumulatieve gegevens en bevat een originele werkgeversverklaring van het bedrijf
[bedrijf 1]
geen logo van het bedrijf. De verklaringen van de getuigen, betrekking hebbende op het feit dat verdachte niet bij
[bedrijf 1]
in loondienst heeft gewerkt, ondersteunen elkaar en deze worden bevestigd door de onjuiste inhoud van de loonstrook en de werkgeversverklaring. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de verklaringen van de genoemde getuigen en stelt de verklaring van verdachte terzijde. Dat
[getuige 2]
en/of
[verdachte]
bewust voor de verdachte nadelige verklaringen hebben afgelegd om daarmee te voorkomen dat bekend zou worden dat het bedrijf van
[verdachte]
ten onrechte geen premies en/of belastingen voor het werk van verdachte afdroeg, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden.

Gelet op vorenstaande acht de rechtbank het ten laste gelegde onder 4 wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 1 A

Bewijsmiddelen

De rechtbank acht redengevend voor de bewezenverklaring de bewijsmiddelen opgenomen onder feit 4 met daarop in aanvulling de volgende bewijsmiddelen:

? een koopovereenkomst registergoed d.d. 26 januari 2007, pag. 6-101, zakelijk weergegeven inhoudende:

Verkoper verklaart te hebben verkocht aan de heer

[verdachte]
hierna genoemd koper; die verklaart te hebben gekocht, Woonhuis met ondergrond tuin erf en verdere aanhorigheden, plaatselijk bekend
[straatnaam 1]
,
[postcode]
. De totale koopprijs van het verkochte bedraag € 370.000,-.

? een hypotheekakte d.d. 20 maart 2007, pag. 6-124, zakelijk weergegeven inhoudende:

Heden 20 maart 2007 verscheen voor mij de heer

[verdachte]
hier na te noemen ‘de schuldenaar’ en mevrouw te dezen handelende als mondeling gevolmachtigde van de naamloze vennootschap
[bank]
., hierna te noemen ‘de bank’. De bank heeft aan de schuldenaar overeenkomstig een door de schuldenaar geaccepteerde offerte heden een hypothecaire geldlening verstrekt van € 400.000,-. De schuldenaar verleent aan de bank recht van eerste hypotheek op: het woonhuis met ondergrond, erf, tuin en verder toebehoren, staande en gelegen te
[postcode]
aan de
[straatnaam 1]
.

? een akte van levering d.d. 20 maart 2007, bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisant

[verbalisant 1]
op 10 februari 2017, zakelijk weergegeven inhoudende:

Heden 20 maart 2007 verschenen voor mij verkoper en de heer

[verdachte]
hierna genoemd: koper. Verkoper heeft blijkens een met koper aangegane koopovereenkomst aan koper verkocht en levert op grond daarvan aan koper het woonhuis met ondergrond, erf, tuin en verder toebehoren, staande en gelegen te
[postcode]
aan de
[straatnaam 1]
.

? de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 6 oktober 2017, onder meer inhoudende:

In juni 2014 en de daaraan voorafgaande maanden verbleef ik aan de

[straatnaam 1]
.

Bewijsoverweging

De rechtbank heeft hiervoor ten aanzien van feit 4 vastgesteld dat verdachte ten behoeve van het verkrijgen van een hypotheek gebruik heeft gemaakt van een valse werkgeversverklaring en een loonstrook. Mede op basis van deze gegevens is aan verdachte door de

[bank]
een hypothecaire geldlening verstrekt ter hoogte van € 400.000,-. Dit bedrag heeft de verdachte aangewend voor de aankoop en verbouwing van de woning aan de
[straatnaam 1]
te Valkenswaard. Van deze woning heeft verdachte gedurende de ten laste gelegde periode gebruik gemaakt.

Door de verdachte is verklaard dat de aankoop en de bouw van de woning niet enkel is gefinancierd met de hypothecaire geldlening van € 400.000,-, maar tevens met de als legaal aan te merken verkoopopbrengst van zijn eerdere woning. Die verkoopopbrengst bedroeg volgens de nota van afrekening € 298.000,-. Daarnaast heeft verdachte verklaard € 50.000,- als legaal aan te merken spaargeld aan de bouw van de woning te hebben besteed. Tezamen is door verdachte € 739.000,- aangewend voor de aankoop en de bouw van de woning. Er is daarmee sprake van vermenging. Gelet op de verhouding tussen het uit misdrijf afkomstige deel (€ 400.000,-) en het als legaal aan te merken deel (€ 339.000,-), is de rechtbank van oordeel dat het uit misdrijf afkomstige deel substantieel is.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de woning middellijk gedeeltelijk uit misdrijf afkomstig is en daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde onder 1 A wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 1 B en C

Beoordelingskader

De rechtbank stelt vast dat het onderzoek in deze strafzaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat de gelden en goederen, waarop de witwasgedragingen van verdachte ten laste gelegd onder 1 B en C betrekking hebben, van enig misdrijf afkomstig zijn. Witwassen kan in zo’n geval echter bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld of de goederen direct of indirect uit enig misdrijf afkomstig zijn. Daarvoor zal eerst zal moeten worden vastgesteld dat er sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien dat het geval is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de (legale) herkomst van het geld of de goederen. Deze verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Indien hieraan wordt voldaan en de verklaring van verdachte daartoe dus aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de eventuele alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit de resultaten van dit onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat daarom een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Partiële vrijspraak

De rechtbank overweegt dat blijkens een eenvoudige kasopstelling een negatief verschil is geconstateerd op basis waarvan het vermoeden van witwassen is ontstaan. De verdachte heeft naar aanleiding van die verdenking diverse verklaringen afgelegd over de herkomst van geld en goederen en de gestelde uitgaven. Deze verklaringen waren concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. De verklaringen van verdachte hebben geleid tot nader onderzoek door het openbaar ministerie. Daaruit komt naar voren dat de vader van verdachte in de ten laste gelegde periode, zoals door de verdachte is verklaard, (hoge) rekeningen voor verdachte heeft betaald en dat verdachte daarnaast contant geld van zijn vader ontving.

Verder heeft er op verzoek van de verdediging een hertaxatie van de woning en van de goederen plaatsgevonden die hebben geleid tot een lagere schatting van de waarde van de woning en inboedel. Ook deze laatste schatting van de waarde van de woning wordt door de verdachte betwist. Slechts enkele bedragen met betrekking tot de aankoop van het perceel en de bouw van de woning zijn op basis van het dossier onomstotelijk vast komen te staan. Het gaat om de volgende bedragen: € 407.000 voor de levering perceel/woning (incl. kosten koper), € 219.244 ten behoeve van de ruwbouw verricht door

[bedrijf 3]
en € 50.813 voor de interieurbouw verricht door
[bedrijf 4]
.

Nu nader onderzoek niet heeft uitgewezen dat de verklaringen van verdachte, inhoudende dat hij (grote) geldbedragen van zijn vader ontving, onjuist zijn en daarnaast de hoogte van de gestelde uitgaven in de eenvoudige kasopstelling onvoldoende zijn komen vast te staan, komt de rechtbank tot de conclusie dat niet zonder meer buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat er sprake is van onverklaarbaar vermogen. Daarmee kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte de witwasgedragingen ten laste gelegd onder 1 B en 1 C heeft begaan. De rechtbank spreekt de verdachte vrij ten aanzien van deze onderdelen van de tenlastelegging.

Ten aanzien van feit 2

Bewijsmiddelen

De rechtbank acht de volgende bewijsmiddelen redengevend voor de bewezenverklaring:

? het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisant

[verbalisant 4]
op 1 juli 2014, pag. 5-009, onder meer inhoudende:

Op dinsdag 1 juli 2014 was ik belast met (…) de doorzoeking van de garage die op het perceel

[straatnaam 1]
in Valkenswaard stond. (…) Ik zag dat er in deze ruimte (…) een blauwe boodschappentas van het merk Albert Heijn stond. (…) Ik zag dat er in de tas een andere gele tas zat. (…) Toen ik de tas opende zag ik dat er een grote hoeveelheid blauwe pillen in zat. Ik zag dat deze pillen in verschillende doorzichtig plastic sealbags verpakt waren. Ik zag dat de pillen allemaal blauw van kleur waren, een facetvorm hadden en voorzien waren van een ‘superman’ logo. Deze pillen werden in beslag genomen.

? een kennisgeving van inbeslagneming, pag. 1-342, onder meer inhoudende:

Omschrijving in beslag genomen goed:

Goednummer: 21HEN14034_215662 (…)

Object: Boodschappentas met blauwe pillen

? een proces-verbaal sporenonderzoek opgemaakt door verbalisanten

[verbalisant 5]
en
[verbalisant 6]
, pag. 5-025 tot en met 5-032, onder meer inhoudende:

Goednummer 21HEN14034_215662

Pillen zaten in 5 transparante sealbags 1 t/m 5:

1. Het gewicht van deze partij pillen betrof 1894,6 gram. Ik heb uit deze partij een monster van 20 pillen genomen en voorzien van

[kenmerknummer 1]
.

2. (…). Het gewicht van deze partij pillen betrof 37,7 gram (…). Ik heb uit deze partij een monster van 20 pillen genomen en voorzien van

[kenmerknummer 2]
.

3. (…) Het gewicht van deze partij pillen betrof 37,4 gram. Ik heb uit deze partij een monster van 20 pillen genomen en voorzien van

[kenmerknummer 3]
.

4. (…) Het gewicht van deze partij pillen betrof 1895,2 gram. Ik heb uit deze partij een monster van 20 pillen genomen en voorzien van

[kenmerknummer 4]
.

5. (…) Het gewicht van deze partij pillen betrof 1895,1 gram. Ik heb uit deze partij een monster van 20 pillen genomen en voorzien van

[kenmerknummer 5]
.

(…) er vanuit gaande dat een pil 0,38 gram weegt, zijn het 15.158 pillen.

? het NFI rapport identificatie van drugs en precursoren met zaaknummer 2014.07.08.016 d.d. 14 juli 2014, pag. 5-035, onder meer inhoudende:

Kenmerk

Omschrijving

Conclusie

AADP5959NL

monster, twintig gleuftabletten in de vorm van het Superman logo (a 0,38 gram), blauw

bevat MDMA

AADP5957NL

monster, twintig gleuftabletten in de vorm van het Superman logo (a 0,38 gram), blauw

bevat MDMA

AADP5960NL

monster, twintig gleuftabletten in de vorm van het Superman logo (a 0,38 gram), blauw

bevat MDMA

AADP5961NL

monster, twintig gleuftabletten in de vorm van het Superman logo (a 0,38 gram), blauw

bevat MDMA

AADP5958NL

monster, twintig gleuftabletten in de vorm van het Superman logo (a 0,38 gram), blauw

bevat MDMA

Bewijsoverweging

In de garage behorende bij de woning van verdachte aan de

[straatnaam 1]
te Valkenswaard zijn, verpakt in sealbags en een boodschappentas van Albert Heijn, ongeveer 15.000 pillen bevattende MDMA aangetroffen. Behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, moet de bewoner van een woning en gebruiker van de garage geacht worden weet te hebben van hetgeen zich daar bevindt. Verdachte heeft verklaard dat de pillen door een man bij hem zijn neergezet met de mededeling dat het Viagra pillen zijn. Verdachte heeft deze stelling niet controleerbaar gemaakt. Verdachte wil immers niet de naam van deze man geven. In het strafdossier is verder geen enkel aanknopingspunt te ontwaren voor die door verdachte bedoelde “andere man”. De verklaring van verdachte is gelet op deze omstandigheden onaannemelijk. De rechtbank ziet ook overigens geen reden om het hiervoor uiteengezette uitgangspunt te verlaten.

De rechtbank komt op basis van vorenstaand uitgangspunt in samenhang bezien met het feit dat de uiterlijke verschijningsvorm van de pillen kenmerkend zijn voor XTC-pillen tot de conclusie dat verdachte de pillen bevattende MDMA opzettelijk voorhanden heeft gehad.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich aan het onder 2 ten laste gelegde feit heeft schuldig gemaakt.

Ten aanzien van feit 3

Bewijsmiddelen

De rechtbank acht de volgende bewijsmiddelen redengevend voor de bewezenverklaring:

? het proces-verbaal opgemaakt door

[verbalisant 2]
op 10 februari 2015, pag. 1-222, 1-236, 1-238, 1-265, 1-267, 1-277 en 1-284, zakelijk weergegeven inhoudende:

Tijdens de doorzoeking (

[straatnaam 1]
,
[postcode]
) werden (…) goederen in beslag genomen:

Wat

Beslagcode

BVH nummer

SIN nummer

Pistool, merk Glock, aangetroffen in keuken, lade van zitting

5554KA24.04.01.001

Goednummer 807396

AAGR4779NL

Schietpen, deze schietpen is aangetroffen op de begane grond garage/zolder

5554KA24.09.02.001

2014088322-22

Goednummer

807404

AAGX5487NL

Taser, deze is aangetroffen in de keuken, kast bovenste plank

5554KA24.05.01.001

PL2000-2014132634-G1168332

-

Doosje patronen .45

Aantal 38, aangetroffen in garage/kelder met lift

5554KA24.12.02.001

PL2000-2014132634-G1168337

-

Patroonhouder met 8 patronen, gevonden in herenjas in kast bijkeuken

5554KA24.05.02.002

PL2000-2014132634 (patroonhouder)

PL2000-2014132634-G1168306 (7 kogelpatronen)

PL2000-2014132634-G1168309 (1 kogelpatroon)

-

Kogelpatroon, gevonden in garage/zolder, in AH tas op grond

5554KA24.09.01.002

PL2000-2014132634-G1168324

-

Doosje munitie, 44 stuks. gevonden kelderverdieping woning, kluis.

5554KA24.13.01.007

PL2000-2014132634-G1168327

-

? het proces-verbaal onderzoek wapen opgemaakt door verbalisant

[verbalisant 7]
op 8 juli 2014, pag. 4-027 tot en met 4-029, onder meer inhoudende:

Pistool (BHV goednummer 807396,

[kenmerknummer 6]
):

Ik zag dit voorwerp een semi-automatisch pistool was van het merk Glock (…) Dit is een pistool in de zin van artikel 1 onder 3 gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en munitie. (…)

Munitie (BHV goednummer 807399,

[kenmerknummer 7]
):

Ik zag dat bij dit pistool 10 centraalvuur volmantel kogelpatronen aanwezig waren van het kaliber 9 millimeter (9 x 19 millimeter), afkomstig uit het patroonmagazijn dat in bovengenoemd pistool zat bij aantreffen. (…) Dit is munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet Wapens en munitie. (…)

Munitie (BHV goednummer 807401,

[kenmerknummer 8]
):

Ik zag dat bij dit pistool 4 centraalvuur volmantel kogelpatronen aanwezig waren van het kaliber 9 millimeter (9 x 19 millimeter), afkomstig uit het patroonmagazijn dat in bovengenoemd pistool zat bij aantreffen. (…) Dit is munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet Wapens en munitie. (…)

? het proces-verbaal onderzoek wapen opgemaakt door verbalisant

[verbalisant 7]
op 8 juli 2014, pag. 4-039, onder meer inhoudende:

Schietpen (BHV goednummer 807404,

[kenmerknummer 9]
): (…)

Het vuurwapen lijkt uiterlijk op een ander voorwerp dan een wapen. Derhalve betreft het een vuurwapen in de zin van artikel 2 lid 1 categorie II onder 4 van de Wet Wapens en munitie.

? het proces-verbaal opgemaakt door verbalisant

[verbalisant 8]
op 24 september 2014, pag. 4-045 tot en met 4-050, onder meer inhoudende:

Beschrijving patroonmagazijn PL2000-2014132634-G1168303: (…)

Dit patroonmagazijn is een onderdeel van een vuurwapen, in de zin van artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III, onder 1 van de Wet Wapens en munitie. (…)

Beschrijving Kogelpatronen PL2000-2014132634-G1168306: (…) kaliber 9 MM, 7 stuks. Beschrijving Kogelpatroon PL2000-2014132634-G1168309: (…) kaliber 9 mm, 1 stuk. (…) Beschrijving Kogelpatroon PL2000-2014132634-G1168324: (…) kaliber .45, 1 stuk. Beschrijving Kogelpatronen PL2000-2014132634-G1168327: (…) kaliber 9 mm, 44 stuks. Beschrijving Kogelpatronen PL2000-2014132634-G1168337: (…) Kaliber .45, 38 stuks. (…) Alle hiervoor omschreven kogelpatronen zijn munitie in de zin van artikel 1, onder 4, van de Wet Wapens en Munitie, gelet op artikel 2, lid 2, Categorie III van de Wet Wapens en Munitie.

Beschrijving stroomstootwapen PL2000-2014132634-G1168332: (…) Dit is een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie II, onder 5 van de Wet Wapens en Munitie.

? de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting op 6 oktober 2017, onder meer inhoudende:

Het op 1 juli 2014 in mijn woning gelegen aan de

[straatnaam 1]
te Valkenswaard aangetroffen vuurwapen is van mij. Datzelfde geldt voor de aangetroffen munitie. (…) Het in de keuken aangetroffen stroomstootwapen is een relatiegeschenk. (…) Alleen ik wist ervan.

Bewijsoverweging

De verdachte erkent het voorhanden hebben van het vuurwapen, merk Glock, en de aangetroffen munitie. De verdachte verklaart dat hij de schietpen nog nooit heeft gezien en hij dacht dat het aangetroffen stroomstootwagen een zaklamp was. Over de patroonhouders heeft hij geen verklaring afgelegd.

De verdachte was de bewoner van de woning en de bijbehorende garage aan de

[straatnaam 1]
te Valkenswaard. Voornoemde goederen zijn in die woning en in de bijbehorende garage aangetroffen. Behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, moet de bewoner van een woning en gebruiker van de garage geacht worden weet te hebben van hetgeen zich daar bevindt. Bij aanwijzingen voor het tegendeel valt te denken aan hoogst ongewone locaties waar een bewoner niet regelmatig komt of kijkt, aan het feit dat er meerdere bewoners/gebruikers zijn of aan het aantreffen van sporen die naar een andere persoon dan de bewoner/gebruiker wijzen. Van dergelijke of andere aanwijzingen voor het tegendeel is te dezen echter niet gebleken.

Een en ander betekent naar het oordeel van de rechtbank dat redelijkerwijs moet worden uitgesloten dat de verdachte geen weet had van de aanwezigheid van de aangetroffen schietpen, het stroomstootwapen en de patroonhouders in de door hem gebruikte woning en garage, zodat hij – als degene bij uitstek met de feitelijke beschikkingsmacht over die goederen – die goederen, evenals het vuurwapen, merk Glock, en de aangetroffen munitie, opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Op grond van al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich aan het onder 3 ten laste gelegde feit heeft schuldig gemaakt.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1. in de periode van 01 januari 2007 tot en met 1 juli 2014, te Valkenswaard, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft verdachte een voorwerp, te weten een woning (gelegen aan de

[straatnaam 1]
te Valkenswaard) verworven en daarvan gebruik gemaakt, terwijl verdachte wist dat die woning middellijk uit enig misdrijf afkomstig was;

2.

op 01 juli 2014 te Valkenswaard, opzettelijk aanwezig gehad XTC-pillen, een totaal van 15.000 of daaromtrent, elk bevattende een hoeveelheid van een materiaal MDMA

(3,4-methyleendioxymethamfetamine), zijnde MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

op 01 juli 2014 te Valkenswaard, - een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Glock) en patroonhouders, en munitie van categorie III, te weten 56 kogelpatronen, kaliber 9 mm en 39 kogelpatronen, kaliber .45,

en

- een wapen van categorie II, te weten een schietpen, zijnde een wapen dat uiterlijk lijkt op een ander voorwerp dan een wapen,

en

- een wapen van categorie II, te weten een stroomstootwapen, zijnde een wapen waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht,

voorhanden heeft gehad;

4.

in de periode van 01 januari 2007 tot en met 31 maart 2007 te Valkenswaard, telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse werkgeversverklaring en een valse loonstaat over de maand januari 2007, elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die geschriften telkens echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken telkens hierin dat hij, verdachte, die werkgeversverklaring en die loonstaat heeft verstrekt, aan

[bank]
ter verkrijging van een hypothecaire geldlening voor de aankoop van het perceel en de woning gelegen aan de
[straatnaam 1]
te Valkenswaard en bestaande die valsheid hierin dat;

- op die werkgeversverklaring als naam werkgever was vermeld:

[bedrijf 1]
, gevestigd
[straatnaam 2]
te Son en Breugel, en als naam werknemer was vermeld:
[verdachte]
, geboren
[1966]
, en als datum van indiensttreding was vermeld: 1 januari 2007 en was vermeld dat de werknemer een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft of is aangesteld in vaste dienst en als bruto jaarsalaris was vermeld: euro 70.248,00 en als dagtekening was vermeld: 19 januari 2007 en welke werkgeversverklaring was voorzien van een handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van
[getuige 2]
;

en

- op die loonstaat over de maand januari 2007 was vermeld: naam werkgever

[bedrijf 1]
,
[straatnaam 2]
, Son en/of de naam (van de werknemer)
[verdachte]
,
[straatnaam 3]
te Valkenswaard en als brutosalaris euro 5854,00.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van 34 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van voorarrest. Daarnaast vordert de officier van justitie de verbeurdverklaring van de woning aan de

[straatnaam 1]
te Valkenswaard en het contant aangetroffen geldbedrag van € 97.710,-.

Mocht de rechtbank niet beslissen tot de verbeurdverklaring van de woning en het geldbedrag dan eist de officier van justitie een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van voorarrest.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman acht een gevangenisstraf van gelijke duur als het ondergane voorarrest passend mede gelet op de ouderdom van de zaak. De verdediging verzoekt daarnaast in strafmatigende zin rekening te houden met de werkwijze op de actiedag op 1 juli 2014. De werkwijze op die dag verdraagt zich niet met de onschuldpresumptie.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte waaronder zijn draagkracht.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan hypotheekfraude en aan witwassen van het uit dat misdrijf afkomstige geldbedrag.

De verdachte heeft ten behoeve van zijn hypotheekaanvraag gebruik gemaakt van valse documenten. In het economische verkeer spelen hypothecaire geldleningen een belangrijke rol. Voor de beoordeling van de kredietwaardigheid van de aanvrager is de bank afhankelijk van de juistheid van de overgelegde stukken. Door gebruikmaking van valse documenten heeft verdachte afbreuk gedaan aan de belangrijke bewijsfunctie hiervan en heeft hij bovendien misbruik gemaakt van het vertrouwen van de hypotheekverstrekker. Deze dient er namelijk van uit te kunnen gaan dat overgelegde bescheiden naar waarheid zijn opgemaakt.

Verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een groot aantal XTC-pillen en het voorhanden hebben van (vuur)wapens, patroonhouders en munitie. Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs grote gevaren opleveren voor de gezondheid van gebruikers. Bovendien gaan de handel en het gebruik van verdovende middelen veelal gepaard met verschillende vormen van criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt berokkend. Daarnaast overweegt de rechtbank dat het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen het risico op een levensbedreigend geweldsdelict verhoogt. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens.

Verdachte heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van het slachtoffer en van de samenleving in het algemeen.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte eerder voor witwassen/heling en valsheid in geschrifte is veroordeelt in België en daarvoor tot onder meer een gedeeltelijk onvoorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld.

Ten aanzien van het standpunt van de verdediging dat door de wijze van handelen op de actiedag op 1 juli 2014 de onschuldpresumptie is geschonden overweegt de rechtbank als volgt. Op basis van een redelijk vermoeden van schuld is er overgegaan tot een actiedag, waarna vervolgens nader onderzoek heeft plaatsgevonden. Van een schending van de onschuldpresumptie is geen sprake geweest. De rechtbank erkent wel dat de actiedag en de wijze waarop de politie daar publiekelijk uiting aan heeft gegeven negatieve gevolgen heeft gehad voor (de naam en reputatie van) verdachte en zijn gezin. Met die gevolgen houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening.

Ten aanzien van het tijdsverloop overweegt de rechtbank het volgende. Artikel 6, eerste lid, van het EVRM waarborgt het recht van een verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn. Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat tegen haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De rechtbank neemt in de onderhavige zaak bij de bepaling van de aanvang van deze termijn de datum van de actiedag, te weten 1 juli 2014 als aanvangsdatum. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank ambtshalve vast dat de redelijke termijn in aanzienlijke mate is overschreden (met ongeveer 2 jaar en 8 maanden). De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de hierna te vermelden op te leggen straf tot gevolg moet hebben.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. De rechtbank zal voorts niet beslissen tot verbeurdverklaring van de woning aan de

[straatnaam 1]
. De benadeelde partij, te weten de
[bank]
, is inmiddels door de verdachte schadeloos gesteld. Daarmee acht de rechtbank de verbeurdverklaring van de woning, hetgeen een bijkomende straf betreft die tot doel heeft de verdachte in zijn vermogen te treffen, disproportioneel.

De rechtbank acht, alles afwegende en gelet op de LOVS-oriëntatiepunten en wat in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een geldboete van € 50.000,-, bij niet betalen te vervangen door 285 dagen hechtenis, passend en geboden. De rechtbank zal, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, de duur van de opgelegde gevangenisstraf matigen tot een gevangenisstraf van 26 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank legt de gevangenisstraf voor een deel voorwaardelijk op om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De oplegging van de geldboete houdt verband met het feit dat het hier vooral om delicten gaat die strekken tot financieel gewin. Uit punitief oogpunt acht de rechtbank mede daarom een sanctie aangewezen die ertoe strekt verdachte op juist dat punt te treffen.

Beslag. De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke de feiten zijn begaan en van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 36b, 36c, 57, 225, 420bis

Opiumwet art. 2, 10

Wet wapens en munitie art. 26, 55.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

witwassen

T.a.v. feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid

aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod

T.a.v. feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en

het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en

het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen

gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

T.a.v. feit 4:

opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift, als bedoeld in artikel 225,

eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst,

terwijl uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan, meermalen gepleegd

- verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

- legt op de volgende straffen:

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4:

Gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van

2 jaren.

T.a.v. feit 1 en 4:

Geldboete van € 50.000,00 subsidiair 285 dagen hechtenis.

Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten:

- blauwe pillen, goednummer: 21HEN14034_215662;

- pistool merk Glock, goednummer 807396;

- schietpen, goednummer 807404;

- taser/stroomstootwapen, PL2000-2014132634-G1168332;

- patroonhouder, PL2000-2014132634;

- doosje patronen .45, 38 stuks, PL2000-2014132634-G1168337;

- 7 kogelpatronen PL2000-2014132634-G1168306;

- 1 kogelpatroon PL2000-2014132634-G1168309;

- doosje munitie, 44 stuks, PL2000-2014132634-G1168327;

- 10 kogelpatronen in patroonhouder, goednummer 807399;

- 4 kogelpatronen in patroonhouder, goednummer 807401;

- 4 kogelpatronen PL2000-2014132634-G1168322.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.C.P.M. Valckx, voorzitter,

mr. C.P.J. Scheele en mr. T. Kraniotis, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N.P.M. van de Wouw, griffier,

en is uitgesproken op 21 maart 2019.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Oost-Brabant, team ondermijning, genummerd 21HEN140.034_Triton, bestaande uit een algemeen dossier, pag. 1-001 tot en met 1-021, een verdachtendossier pag. 2-001 tot en met 2-191, zaaksdossier 1, pag. 3-001 tot en met 3-191, zaaksdossier 2, pag. 4-001 tot en met 4-051, zaaksdossier 3, pag. 5-001 tot en met 5-035 en zaaksdossier 4, pag. 6-001 tot en met 6-217. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.

Zie ook

Oozo.nl
Weten wat er in jouw buurt of straat gebeurt?
FaillissementsDossier.nl
Alle faillissementen en surseances in Nederland
FaillissementsDossier.be
Alle faillissementen en opschortingen in België
ProcedureCollective.fr
Alle faillissementen in Frankrijk
DatIsSlimBedacht.nl
Tips - Ideeën - Slimmigheden
  • Uitspraken.nl is een produkt van Binq Media B.V. - Mart Smeetslaan 1, 1217 ZE Hilversum - Kvk nummer 54506158