Strafrecht overig
Onderzoek Majorca: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel…
Rechtbank Oost-Brabant, 12 december 2023
ECLI:NL:RBOBR:2023:6037 · Rechtbank Oost-Brabant · 12 december 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbobr-2023-6037
Zaakgegevens
Op 12 december 2023 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 12 december 2023
- Datum publicatie
- 27 december 2023
- Zaaknummer
- 01/997012-18
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2023:6037
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Onderzoek Majorca: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af, omdat volledig aan de terugbetalingsverplichting is voldaan. In een vaststellingsovereenkomst zijn partijen over en weer finale kwijting overeengekomen.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.997012.18 (ontneming)
Datum uitspraak: 12 december 2023
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1972] ,
wonende te [adres] ,
hierna: veroordeelde.
Onderzoek van de zaak.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 23 november 2021 en 12 december 2023.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door veroordeelde en zijn raadsman naar voren is gebracht.
De vordering.
De vordering van de officier van justitie van 28 juni 2021 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, lid 5, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt geschat op € 196.989,- en tot het opleggen van een verplichting tot betaling aan de Staat van dat geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel.
Ter terechtzitting van 12 december 2023 heeft de officier van justitie, met verwijzing naar het bepaalde in artikel 36e, lid 9, Sr gevorderd dat de ontnemingsvordering afgewezen wordt, omdat het wederrechtelijk verkregen voordeel dat veroordeelde heeft genoten van de door hem gepleegde strafbare feiten inmiddels volledig door hem is voldaan.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft hetzelfde standpunt ingenomen als de officier van justitie. Ter toelichting op dit standpunt heeft de verdediging aan de rechtbank een brief met bijlagen overgelegd d.d. 23 november 2023.
Een kopie van deze brief met bijlagen is aan dit vonnis gehecht.
De beoordeling.
Bij vonnis van deze rechtbank van 14 december 2021 is veroordeelde veroordeeld wegens - kort gezegd - het medeplegen van valsheid in geschrifte en het medeplegen van subsidiefraude.
Deze strafzaak is gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de strafzaken tegen [medeverdachte 1] en [verdachte] en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 1] ) en tegen [medeverdachte 3] (parketnummers 01-997044-18 en 01-997013-18). Ook zij zijn bij vonnis van 14 december 2021 door deze rechtbank veroordeeld wegens - kort gezegd - het medeplegen van subsidiefraude en/of het medeplegen van valsheid in geschrifte.
In alle zaken heeft het Openbaar Ministerie vorderingen tot ontneming aangebracht. Die vorderingen zien op het ontnemen van het (door ieder van de veroordeelden) als gevolg van de gepleegde strafbare feiten genoten voordeel. Dat voordeel heeft - kort gezegd - betrekking op ten onrechte ontvangen subsidies van de Provincie Noord-Brabant (hierna: de Provincie).
Uit voormelde brief van de verdediging blijkt dat [medeverdachte 1] en de Provincie op 16 mei 2023 een overeenkomst hebben gesloten, waarin onder meer is bepaald welk bedrag [medeverdachte 1] ten onrechte van de Provincie heeft ontvangen en moet terugbetalen, te weten € 850.000,-. Uit de brief blijkt dat [medeverdachte 1] volledig aan haar terugbetalings-verplichting heeft voldaan. In het terugbetaalde bedrag zit ook het voordeel dat veroordeelde (via [medeverdachte 1] ) heeft genoten. De overeenkomst is aangemerkt als een vaststellingsovereenkomst en als onderdeel van die overeenkomst zijn partijen over en weer finale kwijting overeengekomen.
Door de terugbetaling van het onterecht ontvangen subsidiebedrag aan de Provincie is het voordeel van veroordeelde teruggebracht tot € 0,00. Gelet hierop en gelet op het bepaalde in artikel 36e, lid 9, Sr is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden afgewezen.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
wijst de vordering van de officier van justitie af.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. H. Slaar, voorzitter,
mr. S.J.H. van de Kant en mr. R.B.H. Hebbink, leden,
in tegenwoordigheid van mr. G. van de Luijtgaarden, griffier,
en is uitgesproken op 12 december 2023.