Strafrecht overig
Verdachte heeft met een wapen kogels op een woning afgevuurd. In die woning verbleven op dat moment drie…
Rechtbank Oost-Brabant, 6 juni 2025
ECLI:NL:RBOBR:2025:3252 · Rechtbank Oost-Brabant · 6 juni 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbobr-2025-3252
Zaakgegevens
Op 6 juni 2025 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 6 juni 2025
- Datum publicatie
- 5 juni 2025
- Zaaknummer
- 01/379148-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2025:3252
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verdachte heeft met een wapen kogels op een woning afgevuurd. In die woning verbleven op dat moment drie minderjarige kinderen en hun ouders. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn toenmalige partner in de destijds door hen samen bewoonde woning. Verdachte heeft haar vele malen geslagen en toen zij zich klein maakte in een hoek van de kamer ook nog tegen de enkel geschoten. Ten slotte zijn bij de doorzoeking van de woning van verdachte diverse soorten wapens en munitie aangetroffen.
De rechtbank veroordeelt verdachte hiervoor tot een gevangenisstraf van 240 dagen met aftrek van voorarrest waarvan 132 voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met onder meer een contactverbod met de slachtoffers en een gebiedsverbod voor de gemeente waarin de slachtoffers woonachtig zijn. Tevens wordt de vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd inhoudend een contact- en gebiedsverbod. Deze maatregel wordt dadelijk uitvoerbaar verklaard. Daarnaast veroordeelt de rechtbank verdachte tot een taakstraf van 240 uren.
De vordering van de benadeelde partij worden gedeeltelijk toegewezen. Aan elk van de ouders wordt naast een materiële schadevergoeding een immateriële schadevergoeding van € 5.000,-- toegewezen. Elk van de drie kinderen wordt een immateriële schadevergoeding van € 2.000,-- toegewezen.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummer: 01.379148.24
Datum uitspraak: 06 juni 2025
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1989] ,
wonende te [adres 1] ,
thans gedetineerd in p.i. Vught.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 10 maart 2025 en 23 mei 2025. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 4 februari 2025. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 10 maart 2025 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat verdachte:
1. op of omstreeks 24 november 2024 te Valkenswaard, [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een vuurwapen, in elk geval een soortgelijk voorwerp, meermalen op, althans in de richting van, de woning gelegen aan [adres 2] te schieten in welke woning voornoemde personen zich bevonden;
2. op of omstreeks 19 november 2024 te Bergeijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 6] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 6] meermalen in het gezicht geslagen en/of die [slachtoffer 6] tegen de borst en/of een arm geslagen en/of met een luchtdrukpistool, in elk geval een wapen, in/tegen de enkel van die [slachtoffer 6] heeft geschoten (ten gevolge waarvan de enkel van die [slachtoffer 6] is gebroken), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
op of omstreeks 19 november 2024 te Bergeijk [slachtoffer 6] , heeft mishandeld door die [slachtoffer 6] meermalen in het gezicht en/of tegen het lichaam te slaan en/of met een luchtdrukpistool, in elk geval een wapen, in/tegen de enkel van die [slachtoffer 6] te schieten;
3. op of omstreeks 26 november 2024 te Bergeijk, een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een gasdrukwapen in de vorm van een pistool (merk: Walther, model: PPQ T4E, kaliber .43, wapennummer 17K87556), voorhanden heeft gehad;
4. op of omstreeks 26 november 2024 te Bergeijk, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten:
- 25 randvuur kogelpatronen van het kaliber .22 long rifle en/of
- 7 centraalvuur kogelpatronen waren van het kaliber .30-06 Springfield en/of
- 6 kogelpatronen van het kaliber .30Ml en/of
- 1 kogelpatroon van het kaliber Bx57JS,
voorhanden heeft gehad;
5. op of omstreeks 26 november 2024 te Bergeijk, een wapen(s), van categorie I, onder 1° of 3° van de Wet wapens en munitie, te weten wurgstokken, voorhanden heeft gehad.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De beoordeling van de tenlastegelegde feiten.
de bewijsmiddelen:
Een eindproces-verbaal nummer PL2100-2024266448, inhoudende processen-verbaal van politie en andere bescheiden, te weten:
-
de verklaring van aangever [slachtoffer 1] , pag. 16, 17 en 156, 157 [feit 1]
-
het relaas van verbalisant [verbalisant 1] , pag. 67, 68 [feit 1]
-
de verklaring van aangeefster [slachtoffer 6] , pag. 32 t/m 34 [feit 2]
-
de medische verklaring van het letsel van [slachtoffer 6] , pag. 37 [feit 2]
-
het relaas van verbalisant [verbalisant 2] , pag. 114, 115 [feiten 3, 4 en 5]
-
het relaas van verbalisant [verbalisant 3] , pag. 186 t/m 188 m.b.t. gasdrukwapen en munitie [feiten 3 en 4]
-
het relaas van verbalisant [verbalisant 4] , pag. 213 m.b.t. wurgstokjes [feit 5]
De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 23 mei 2025 afgelegd [alle feiten].
Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt. De afzonderlijke bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit waarop zij betrekking hebben.
nadere overweging
Evenals de officier van justitie, verdachte en zijn raadsman is de rechtbank, gelet op de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting van 23 mei 2025, van oordeel dat verdachte door de onder 2 primair tenlastegelegde handelingen, niet het opzet heeft gehad het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, ook niet in de zin van voorwaardelijk opzet. De rechtbank zal verdachte daarom van het onder 2 primair tenlastegelegde feit vrijspreken.
de conclusie
Op grond van de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat de onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen zijn, een en ander zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.
De bewezenverklaring.
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
1. op 24 november 2024 te Valkenswaard, [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door met een soortgelijk voorwerp als een vuurwapen, meermalen op de woning gelegen aan [adres 2] te schieten in welke woning voornoemde personen zich bevonden;
2. [subsidiair] op 19 november 2024 te Bergeijk [slachtoffer 6] , heeft mishandeld door die [slachtoffer 6] meermalen in het gezicht en tegen het lichaam te slaan en met een luchtdrukpistool, in elk geval een wapen, tegen de enkel van die [slachtoffer 6] te schieten;
3. op 26 november 2024 te Bergeijk een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een gasdrukwapen in de vorm van een pistool, merk: Walther, model: PPQ T4E, kaliber .43, wapennummer 17K87556, voorhanden heeft gehad;
4. op of omstreeks 26 november 2024 te Bergeijk, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten:
- 25 randvuur kogelpatronen van het kaliber .22 long rifle en
- 7 centraalvuur kogelpatronen waren van het kaliber .30-06 Springfield en
- 6 kogelpatronen van het kaliber .30Ml en
- 1 kogelpatroon van het kaliber Bx57JS,
voorhanden heeft gehad;
5. op 26 november 2024 te Bergeijk, een wapen van categorie I, onder 1° of 3° van de Wet wapens en munitie, te weten wurgstokken, voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld tot:
-
een gevangenisstraf van 240 dagen met aftrek van voorarrest waarvan 133 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, onder oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals beschreven in de adviesrapportage uitgebracht door Novadic-Kentron van 29 april 2025 en
-
een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis en
-
oplegging van de maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, bestaande uit:
-
een contactverbod met mevr. [slachtoffer 3] , dhr. [slachtoffer 1] en hun kinderen [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] en
-
een gebiedsverbod voor de gemeente Someren.
De officier van justitie heeft gevorderd deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
Op de in de pleitnota omschreven gronden heeft de verdediging bepleit verdachte te veroordelen tot een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk gedeelte van de gevangenisstraf kunnen de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals in het over verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van Novadic-Kentron van 29 april 2025 staan vermeld.
De raadsman heeft tevens bepleit het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen. Voor het opleggen van een locatieverbod aan verdachte voor de gemeente Someren ziet de verdediging geen reden.
Het oordeel van de rechtbank.
? algemeen
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
? de ernst van de bewezenverklaarde feiten.
Verdachte heeft met een wapen kogels op een woning afgevuurd. In die woning verbleven op dat moment drie minderjarige kinderen en hun ouders. Het zegt iets over de mentaliteit van verdachte dat hij er niet voor terug is geschrokken dergelijk geweld tegen medemensen te gebruiken. De rechtbank beschouwt het bewezen verklaarde dan ook als een ernstig feit. Voor de slachtoffers moet dit een angstige en schokkende gebeurtenis zijn geweest. De ervaring leert dat slachtoffers van dit soort delicten vaak nog gedurende lange tijd daarvan de psychisch nadelige gevolgen ondervinden. Dat dit ook voor de slachtoffers in deze zaak geldt, blijkt uit de toelichtingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en uit de verklaringen die door of namens de slachtoffers mevr. [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] ter terechtzitting van 23 mei 2025 zijn afgelegd.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte dit feit gepleegd na een daartoe weloverwogen genomen besluit. Nadat verdachte dit besluit had genomen, heeft hij nog geruime tijd de gelegenheid gehad zich op zijn daad te bezinnen. Dat heeft verdachte nagelaten. Ook het feit dat verdachte ervan moest uitgaan dat er minderjarige kinderen in de woning aanwezig waren toen hij op die woning schoot, heeft verdachte niet van zijn daad weerhouden. Een delict als het onderhavige veroorzaakt veel maatschappelijke onrust en leidt tot toename van gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers. Ook daar heeft verdachte zich niets van aangetrokken.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn toenmalige partner in de destijds door hen samen bewoonde woning. Verdachte heeft haar vele malen geslagen en toen zij zich klein maakte in een hoek van de kamer ook nog beschoten. Verdachte heeft daarmee een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit, de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van zijn partner. Dit klemt te meer nu het feit heeft plaatsgevonden in hun gezamenlijk bewoonde woning, een plaats waar het slachtoffer zich veilig zou moeten voelen. Dat gevoel van veiligheid heeft verdachte door zijn handelen verstoord.
Ten slotte zijn bij de doorzoeking van de woning van verdachte diverse soorten wapens en munitie aangetroffen. Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie brengt grote risico’s met zich voor de veiligheid van personen. Wapens vormen een aanzienlijke bedreiging voor een veilige samenleving, omdat het bezit daarvan maar al te vaak leidt tot gebruik daarvan, met alle mogelijke gevolgen van dien. Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie vormt daarmee een groeiend maatschappelijk probleem.
De rechtbank weegt mee dat verdachte deze wapens en munitie naar eigen zeggen reeds geruime tijd tot zijn beschikking had en dat hij op geen enkel moment gedurende die periode ervoor heeft gekozen zich van die wapens en munitie te ontdoen, hoewel hij daartoe voldoende gelegenheid heeft gehad. Dat is een zeer zorgelijke situatie die iets zegt over de mentaliteit van verdachte.
? de strafmodaliteit
Bij de beslissing over de strafsoort en de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding een vrijheidsbeneming op zijn plaats. De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal bepalen dat het voorwaardelijk gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd als verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken en de hierna te melden bijzondere voorwaarden naleeft. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.
De rechtbank is tevens van oordeel dat niet kan worden volstaan met het enkel opleggen van de hiervoor genoemde deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Om de ernst van de bewezenverklaarde feiten voldoende tot uitdrukking te brengen acht de rechtbank naast die gevangenisstraf oplegging van een taakstraf passend en geboden.
Daarnaast zal de rechtbank ter beveiliging van de maatschappij in het algemeen en van het gezin [slachtoffers] in het bijzonder een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van vijf jaren aan verdachte opleggen. Deze maatregel bestaat uit een vijftal contactverboden en een gebiedsverbod voor de gemeente waarin deze personen woonachtig zijn en zal nader worden beschreven in het dictum van dit vonnis.
De rechtbank zal bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen naar voornoemde personen. De rechtbank zal bepalen dat de duur van de vervangende hechtenis twee weken zal zijn voor iedere keer dat veroordeelde niet aan deze maatregel voldoet. De totale duur van de ten uitvoer te leggen vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden.
? de conclusie
Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is verdachte – overeenkomstig de eis van de officier van justitie - te veroordelen tot:
-
een gevangenisstraf van 240 dagen met aftrek van voorarrest waarvan 132 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren onder oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals beschreven in de adviesrapportage uitgebracht door Novadic-Kentron van 29 april 2025 en
-
een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis en
-
oplegging van de maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, bestaande uit:
-
een contactverbod met mevr. [slachtoffer 3] , dhr. [slachtoffer 1] en hun kinderen [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] en
-
een gebiedsverbod voor de gemeente Someren.
De rechtbank zal deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
De vorderingen van de benadeelde partijen.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] , telkens bestaande uit een immateriële schadevergoeding van € 5.000,-- geheel kunnen worden toegewezen.
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 10.535,90. De materiële schadevergoeding van € 535,90 kan geheel worden toegewezen, de gevorderde immateriële schadevergoeding kan worden toegewezen tot een bedrag van € 10.000,--. In het restant van de gevorderde immateriële schadevergoeding dient de benadeelde partij niet ontvankelijk te worden verklaard.
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 10.994,92. De materiële schadevergoeding van € 994,92 kan geheel worden toegewezen, de gevorderde immateriële schadevergoeding kan worden toegewezen tot een bedrag van
€ 10.000,--. In het restant van de gevorderde immateriële schadevergoeding dient de benadeelde partij niet ontvankelijk te worden verklaard.
De officier van justitie heeft gevorderd dat voor alle toegewezen bedragen tevens de schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd en dat alle toegewezen bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 november 2024 tot de dag der voldoening.
Het standpunt van de verdediging.
Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de verdediging primair bepleit dat de benadeelde partijen niet ontvankelijk in de vorderingen moeten worden verklaard omdat behandeling van deze vorderingen een onevenredige belasting van dit strafproces oplevert.
Subsidiair heeft de verdediging bepleit de benadeelde partijen [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] niet ontvankelijk in de vorderingen te verklaren dan wel die vorderingen af te wijzen, omdat die vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd. Als de rechtbank van oordeel is dat de benadeelde partijen ontvankelijk in de vorderingen zijn, heeft de verdediging bepleit de vordering te matigen tot nihil.
Voorts heeft de verdediging bepleit dat de benadeelde partijen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in hun vorderingen moeten worden verklaard dan wel dat die vorderingen moeten worden afgewezen, omdat het causaal verband tussen de gestelde schade en het onder 1 bewezenverklaarde feit ontbreekt. In de gevorderde immateriële schadevergoeding dienen de benadeelde partijen ook niet ontvankelijk te worden verklaard omdat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Als de rechtbank van oordeel is dat de benadeelde partij ontvankelijk in de vordering is, heeft de verdediging bepleit de vordering te matigen tot nihil.
Het oordeel van de rechtbank
? ten aanzien van de vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9].
De door de benadeelde partijen [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] gevorderde immateriële schadevergoeding acht de rechtbank – als rechtstreeks door het onder 1 bewezenverklaarde feit toegebrachte schade – toewijsbaar tot een bedrag van € 2.000,--. In het restant van de gevorderde immateriële schadevergoeding zal de rechtbank de benadeelde partijen niet ontvankelijk verklaren omdat dit deel van de vordering niet eenvoudig is vast te stellen en de behandeling van dit onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van dit strafgeding oplevert.
? ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1]
De door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gevorderde immateriële schadevergoeding acht de rechtbank – als rechtstreeks door het onder 1 bewezenverklaarde feit toegebrachte schade – toewijsbaar tot een bedrag van € 5.000,--. In het restant van de gevorderde immateriële schadevergoeding zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, omdat dit deel van de vordering niet eenvoudig is vast te stellen. De behandeling van dit onderdeel van de vordering levert een onevenredige belasting van dit strafgeding op.
Ook in de gevorderde vergoeding voor inkomstenderving zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren omdat – zo er al sprake is van een causaal verband tussen de gederfde inkomsten en het onder 1 bewezenverklaarde feit – behandeling van dit onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van dit strafgeding oplevert.
? ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3]
De door de benadeelde partij [slachtoffer 3] gevorderde immateriële schadevergoeding acht de rechtbank – als rechtstreeks door het onder 1 bewezenverklaarde feit toegebrachte schade – toewijsbaar tot een bedrag van € 5.000,--. De gevorderde materiële schadevergoeding bestaande uit € 2,65 reiskosten acht de rechtbank eveneens toewijsbaar.
In het restant van de gevorderde immateriële schadevergoeding zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren, omdat dit deel van de vordering niet eenvoudig is vast te stellen. De behandeling van dit onderdeel van de vordering levert een onevenredige belasting van dit strafgeding op.
In de gevorderde vergoeding voor het verblijf in Centre Parcs zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren, omdat bij de huidige stand van zaken het causaal verband tussen het verblijf bij Centre Parcs en het onder 1 bewezenverklaarde feit onvoldoende aannemelijk is geworden. Verdere behandeling van dit onderdeel van de vordering levert een onevenredige belasting van dit strafgeding op.
? ten aanzien van alle benadeelde partijen
Alle benadeelde partijen kunnen de onderdelen van hun vordering waarin zij niet ontvankelijk zullen worden verklaard bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partijen tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
De rechtbank zal voor alle toegewezen bedragen tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert. Alle toegewezen bedragen zijn te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 november 2024 tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w, 57, 60a, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht
13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Spreekt verdachte vrij van het onder 2 primair tenlastegelegde feit.
Verklaart de onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
? ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde feit.
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.
? ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde feit.
mishandeling
? ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde feit.
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
? ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde feit.
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
? ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde feit.
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straffen en maatregelen.
ten aanzien van de onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde feiten.
? een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen [tweehonderd veertig dagen]
Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis inverzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte groot 132 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van drie jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of [een van] de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
1 Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij de verslavingsreclassering van Novadic-Kentron op het adres Dr. Poletlaan 74-76 te Eindhoven. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
2 Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich behandelen door de Omslag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
3 Contactverbod
Veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [slachtoffer 1] , geboren op [1978] en [slachtoffer 3] , geboren op [1986] en [slachtoffer 7] , geboren op [2015] en [slachtoffer 8] , geboren op [2008] en [slachtoffer 9] , geboren op [2010] zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
4 Ambulante begeleiding
Veroordeelde werkt mee aan ambulante begeleiding vanuit Humanitas of soort gelijke instelling, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.
Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de hiervoor genoemde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Dit bevel is op 13 maart 2025 al geschorst.
? een taakstraf voor de duur van 240 uren [tweehonderd veertig uren] te vervangen door 120 dagen hechtenis indien veroordeelde deze taakstraf niet of niet naar behoren verricht.
ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde feit voorts.
? de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat veroordeelde gedurende vijf jaren:
- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , geboren op [1978] en [slachtoffer 3] , geboren op [1986] en [slachtoffer 7] , geboren op [2015] en [slachtoffer 8] , geboren op [2008] en [slachtoffer 9] , geboren op [2010] en
- zich niet zal ophouden in de gemeente Someren.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op. De totale duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden.
Beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
De maatregelen tot schadevergoeding
? Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] , van een bedrag van € 5.002,65. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 60 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Het toegewezen bedrag, bestaande uit € 2,65 materiële schadevergoeding en € 5.000,-- immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
? Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 5.000,--. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 60 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Het toegewezen bedrag bestaande uit immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
? Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 9] , van een bedrag van € 2.000,--. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 30 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Het toegewezen bedrag bestaande uit immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
? Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 8] van een bedrag van € 2.000,--. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 30 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Het toegewezen bedrag bestaande uit immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
? Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 7] van een bedrag van € 2.000,--. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 30 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Het toegewezen bedrag bestaande uit immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen
? ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 3] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij M.D.J. Santos Pinto Bastos van een bedrag van € 5.002,65. Het toegewezen bedrag, bestaande uit € 2,65 materiële schadevergoeding en € 5.000,-- immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
? ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 5.000,--. Het toegewezen bedrag bestaande uit immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
? ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 9] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 9] van een bedrag van € 2.000,--. Het toegewezen bedrag bestaande uit immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
? ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 8] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 8] van een bedrag van € 2.000,--. Het toegewezen bedrag bestaande uit immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
? ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 7] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 7] van een bedrag van € 2.000,--. Het toegewezen bedrag bestaande uit immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.G. Vos, voorzitter,
mr. C.S.M. Morel en mr. R. Grimbergen, leden,
in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,
en is uitgesproken op 06 juni 2025.