Strafrecht overig
Poging tot doodslag, meermaals gepleegd. Geen geslaagd beroep op noodweer(exces). De rechtbank legt op een…
Rechtbank Oost-Brabant, 21 mei 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:3422 · Rechtbank Oost-Brabant · 21 mei 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbobr-2026-3422
Zaakgegevens
Op 21 mei 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 21 mei 2026
- Datum publicatie
- 20 mei 2026
- Zaaknummer
- 01/029542/26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2026:3422
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Poging tot doodslag, meermaals gepleegd. Geen geslaagd beroep op noodweer(exces). De rechtbank legt op een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.029542.26
Datum uitspraak: 21 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1990] ,
thans gedetineerd te [vestigingsplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 26 maart 2026. Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 28 januari 2026 te Sint-Michielsgestel, ter uitvoering van het
door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een of meer anderen, te weten
[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , van het leven te beroven, meermalen met een mes,
- die [slachtoffer 1] in de schouder en/of de buik, in elk geval in het lichaam, en/of
- die [slachtoffer 2] in het scheenbeen en/of de schouder en/of nabij zijn nek, in elk geval
in het lichaam,
heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 28 januari 2026 te Sint-Michielsgestel, ter uitvoering van het
door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een of meer anderen, te weten [slachtoffer 1]
en/of [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen
met een mes,
- die [slachtoffer 1] in de schouder en/of de buik, in elk geval in het lichaam, en/of
- die [slachtoffer 2] in het scheenbeen en/of de schouder en/of nabij zijn nek, in elk geval
in het lichaam,
heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
De formele voorvragen
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijswaardering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de primair tenlastegelegde poging tot doodslag op beide slachtoffers wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag. De verdediging heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling.
Het oordeel van de rechtbank
A. De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn, met uitzondering van bewijsmiddel 1, 2 en 8, opgenomen in het procesdossier van de politie Eenheid Oost-Brabant met de onderzoeksnaam NINOVE en nummer [nummer] , gesloten op 7 februari 2026, met 181 doorgenummerde pagina’s.
1. De eigen waarneming van de rechtbank, gedaan op de terechtzitting van 7 mei 2026, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:
De rechtbank heeft ter terechtzitting van 7 mei 2026 de camerabeelden met de bestandsnamen ‘86a7aab8-b4ef-4ae3-93b8-983c1e8315bb’ (Kanaal 4) en ‘44368271-225e-4339-826a-6201c8e4851c’ (Kanaal 5) van het incident op 28 januari 2026 afgespeeld. De rechtbank heeft op deze camerabeelden onder meer het volgende waargenomen. De waarnemingen van de rechtbank, uitgesproken door de voorzitter, zijn niet door de verdediging of de officier van justitie weersproken.
De camera’s zijn gericht vanuit de keuken richting het portaal en op de hal. Er is een man te zien met een grijs/groene broek en een zwarte jas met bedrukking en een baardje. Dit is de verdachte. Er is verder iemand te zien met een korte broek, slippers en een ontbloot bovenlijf. Dit is [slachtoffer 2] . Ook is er iemand te zien in een onderbroek. Deze persoon heeft voorts aan één been een broekspijp. Dit is [slachtoffer 1] . Er is nog een persoon in het donker gekleed met witte schoenen aan. Dit is [naam 1] . Dan is er een persoon met een blauwe broek en die heeft iets in zijn hand. Dit is [naam 2] .
Kanaal 4:
00:00 tot 00:40 sec.: [slachtoffer 2] kijkt naar buiten. Hij stapt terug in de deurpost. Er is iemand te zien met witte schoenen. Dit is [naam 1] . Er vindt een worsteling plaats. Bij deze worsteling is ook een derde persoon betrokken. De personen verdwijnen vervolgens rechtsaf de gang in. De verdachte gaat als eerste weg. De anderen hangen nog even in het portaal en vertrekken dan.
Kanaal 5:
00:00 tot 01:09 sec.: De verdachte rent zijn kamer in. [naam 1] loopt achter de verdachte aan en staat in de deurpost. Hij kijkt de kamer in. [slachtoffer 2] loopt achter hem door in de richting van zijn kamer. De verdachte wil naar buiten. Hij duwt [naam 1] aan de kant. Dan rent hij snel richting de kamer van [slachtoffer 2] . De verdachte gaat de kamer van [slachtoffer 2] binnen. [slachtoffer 1] gaat vervolgens ook de kamer binnen. De deur opent en de verdachte rent weg.
2. De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 7 mei 2026, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:
Toen ik thuis kwam werd ik aangevallen door [slachtoffer 2] . Ik ging naar mijn kamer en daar heb ik een mes gepakt. Het mes heb ik opengeklapt en vervolgens ging ik achter [slachtoffer 2] aan met het mes in mijn hand.
Onderweg richting de Jumbo heb ik het mes weggegooid.
De jongste rechter houdt voor dat de verwondingen van de aangevers die in de kamer zijn toegebracht veroorzaakt moeten zijn door mijn mes. Dat klopt.
3. Het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, met nummer 260128-2400-736 (pagina 43), inhoudende de bevindingen van de verbalisant(en), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:
Melding:
Op 28 januari 2026, omstreeks 18:30 uur ontvingen wij een melding van een mogelijke steekpartij aan [adres 1] te Sint-Michielsgestel. De mogelijke verdachte zou zich mogelijk ophouden in de Jumbo, gelegen aan [adres 2] te Sint-Michielsgestel.
Ter plaatse:
Op 28 januari 2026, om 18:40 uur kwamen wij ter plaatse.
Slachtoffer [slachtoffer 1] :
Ik, verbalisant [verbalisant 1] , liep naar collega [verbalisant 4] en zag dat er tegenover hem een blanke man zat met een ontbloot bovenlijf die later bleek te zijn: [slachtoffer 1] . Ik zag dat [slachtoffer 1] een steekwond van ongeveer vier centimeter op zijn linkerborst had, ongeveer één centimeter van zijn oksel vandaan. Ik zag dat deze wond open stond. Ik zag ongeveer vier centimeter onder zijn rechterborst ook een steekwond en zag dat deze ongeveer 2 centimeter groot was.
Slachtoffer [slachtoffer 2] :
Ik, verbalisant [verbalisant 2] , was naar kamer 1 gelopen waar nog twee personen zich bevonden en collega [naam 3] . Ik zag dat de vloer van de kamer vol lag met vers bloed, verspreid over de hele kamervloer. Ik zag dat een persoon onder het bloed zat. Ik zag dat deze persoon op het voorste bed zat. Ik zag dat deze persoon geen shirt aan had en een kort donkergekleurd sportbroekje aan had.
Ik zag dat deze persoon een vleeswond had op zijn linkerschouder/nek. Ik zag dat deze wond horizontaal was en ongeveer twee centimeter lang was. Ik zag dat de er een stuk kleding strak vastgebonden zat onder de linkerknie. Ik zag daaronder ter hoogte van het scheenbeen nog een vleeswond zat. Ik zag dat deze wond verticaal was en ongeveer twee centimeter lang was. Door de bovengenoemde feiten en omstandigheden had ik het vermoeden dat dit steekwonden betroffen.
Aantreffen mes:
In de omgeving werd met een speurhond gezocht naar het steekwapen. De speurhond liep de voortuin van [adres 3] in. Deze tuin was omheind met struiken. De speurhond stond achter de struiken en blafte. Op de plek waar de hond met zijn snuit bewoog, werd onder de struiken achter de stenen brievenbus, een zwart kleurig object met een kleurrijke opdruk gevonden. Dit object werd door de politieambtenaren herkend als een uitklapmes.
4. Het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, met nummer 260128-2400-442 (pagina 56), inhoudende de bevindingen van de verbalisant(en), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:
Om 18.40 uur, hield ik, verbalisant [verbalisant 3] de man, vanaf nu verdachte, aan. Ik vertelde hem wederom de bovengenoemde rechten. Ik deed een opsporingsfouillering bij de verdachte. Ik boeide de verdachte en [naam 4] deed een zak om zijn handen. Ik hoorde dat hij, terwijl hij huilde zei:
- I stabbed them
- They need an ambulance
- Are they dead?
Tijdens de autorit vroeg ik de verdachte wat zijn naam was, ik hoorde dat hij zei dat hij [verdachte] heette, geboren op [geboortedatum] en ik wist dus dat hij wonend was op [adres 1] in Sint-Michielsgestel.
5. Het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, met nummer -14 (pagina 86), inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer 2] van 29-01-2026, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:
V: Wat kan je ons vertellen over het steekincident gisteravond 28 januari 2026?
A: Toen ik terug kwam van mijn werk, was [naam 5] al binnen. En [naam 5] was al in zijn kamer. Mijn huisgenoot was thuis, en wij zaten een beetje te roken en te praten. En tijdens het praten was er een eerste meningsverschil ontstaan.
V: Tussen jou en [naam 5] ?
A: Niet tussen mij en [naam 5] , maar die andere man die mij is aangevallen en die mijn benen heeft verwond.
V: Oké, ga verder?
A: Ik ben thuis en zit met [naam 5] te praten en dan komt die man binnen. Wij zitten daar te praten over ons werk en zo. Dan komt die man binnen. En [slachtoffer 1] heeft ook gezien dat die man een mes bij zich heeft. [slachtoffer 1] was net klaar met douchen en die zag dat hij een mes bij zich had. Dus ik zit met [naam 5] te praten en die man komt binnen met een mes in de hand. Die man rende echt met een mes in de handen binnen. En dat heeft [slachtoffer 1] ook gezien. En [slachtoffer 1] rende achter die man. [slachtoffer 1] ziet die man met dat mes bij ons naar binnen rennen. [slachtoffer 1] rent achter hem aan om dat mes af te pakken. [slachtoffer 1] raakte gewond. Ik wilde [slachtoffer 1] helpen. En toen raakte ik ook gewond. Hij heeft mij 6 keer gestoken. En na die 6 messteken is hij gewoon weggerend. Dat gebeurde allemaal ontzettend snel. Dus dat was het. Hij heeft [slachtoffer 1] gewond en ook mij. En toen rende hij naar buiten dat gebouw uit. [slachtoffer 1] is tot 2x toe neergestoken. En ik 6x. Ik ben op mijn bed gaan zitten, ik voelde mij niet goed. Ik ben 2x in mijn been gestoken en in mijn gezicht.
V: Waar ben je gestoken?
A: 2x in je been, 1x in je gezicht, 1x arm, 1x schouder, 1x linkerkant achter oksel en 1x
linkerschouderblad.
V: Waarmee ben je gestoken?
A: Met een mes.
6. Het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, met nummer PL2100-2026020563-23 (pagina 100), inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer 1] van 29-01-2026, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:
V: Dan wil ik alsnog graag van je weten wat er is gebeurd. Ik neem dan een getuigenverklaring van je op. Vertel eens alles wat er is gebeurd?
A: Ik kwam terug van werk. Liep terug door de woning. Ik ging douche. En
ineens hoorde ik lawaai. Ik stapte uit de douche. Ik zag toen een kennis in gevecht met een donkere man. Die man viel eerst mij aan. Toen viel hij die kennis aan en toen is hij gevlucht. Dat was het.
V: Hoe heet de kennis die in gevecht was met de donkere man?
A: [slachtoffer 2] .
V: Hoe heet de donkere man waar je het net over had?
A: [verdachte] .
V: Dus [verdachte] en [slachtoffer 2] hadden ruzie met elkaar?
A: Ja. Maar ik weet niet hoe het begonnen is. Want toen ik uit de douche kwam waren
ze al met het gevecht begonnen.
V: Wat heb je zien gebeuren tussen [verdachte] en [slachtoffer 2] ?
A: Ze begonnen te vechten. Ik ben naar ze toe gegaan om ze uit elkaar te halen en dat
was het.
V: Toen je de laatste kamer binnen ging aan de linker kant. Dus waar de vechtpartij
bezig was. Wat zag je precies gebeuren en benoem daarbij zo veel mogelijk details.
A: Op het moment dat ik binnenkwam zag ik [verdachte] [slachtoffer 2] steken. Ik zag dat hij
meerdere keren stak. Ik ging naar ze toe om ze uit elkaar te halen. [verdachte] stak mij
toen twee keer en ging toen weer [slachtoffer 2] steken. Hij stak toen in zijn been. Toen kwam
[verdachte] weer op mij af en hij is toen gevlucht.
V: Waar ben jij op jouw lichaam geraakt door [verdachte] ?
O: [slachtoffer 1] wijst linker schouder aan.
A: Aan de voorkant van mijn linkerschouder en bij mijn lever.
V: Waarmee heeft [verdachte] jou gestoken?
A: Ik weet het niet. Met een of ander mes.
V: Is [slachtoffer 2] met datzelfde mes gestoken?
A: Ja.
V: Hoe vaak ben jij gestoken?
A: Twee keer.
V: Wat heb jij gedaan om het gevecht tussen [verdachte] en [slachtoffer 2] te onderbreken?
A: Ik viel ze aan en probeerde ze uit elkaar te halen.
V: Hoe deed je dat precies?
A: Ik probeerde tussen hen beiden te komen, maar toen werd ik gestoken. Ik weet niet
precies wat er is gebeurd.
7. Een geschrift als bedoeld in art. 344, eerste lid, aanhef en onder 5° Sv, te weten een geneeskundige verklaring van een arts van het Catharinaziekenhuis te Eindhoven, betreffende [slachtoffer 1] van 29 januari 2026 (pagina 110), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:
A. Waargenomen uitwendig letsel:
Steekwond rechter bovenbuik à 1 cm.
Oppervlakkige steekwond linker oksel à 5 cm.
Uitwendig bloedverlies: gering.
B. Is er vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel: ja.
Is er vermoeden van inwendig bloedverlies: ja.
II. Bijzondere mededelingen:
Door steekwond in rechter bovenbuik leverletsel graad 3 opgelopen.
8. Een geschrift als bedoeld in art. 344, eerste lid, aanhef en onder 5° Sv, te weten een geneeskundige verklaring van een arts van het Jeroen Bosch ziekenhuis te ’s-Hertogenbosch, betreffende [slachtoffer 2] van 22 februari 2026, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven -:
A. Waargenomen uitwendig letsel:
Zestal scherpe huidlaceraties bij linkerzijde lichaam:
- aangezicht, sleutelbeen, zijkant schouder, schouderblad, onderarm en onderbeen. allen oppervlakkig.
----------------------
Wanneer hiervoor is verwezen naar een proces-verbaal van de politie is - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
B. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast.
Op 28 januari 2026 vindt er een steekincident plaats in een woning aan het adres [adres 1] te Sint-Michielsgestel. De slachtoffers betreffen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
De rechtbank stelt vast dat in het portaal van de woning een conflict ontstond tussen in ieder geval de verdachte en [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] lijkt de verdachte op te wachten en er ontstond een worsteling. De verdachte onttrekt zich aan de worsteling en rent zijn eigen kamer in. [slachtoffer 2] loopt in de richting van diens eigen kamer. De verdachte pakt in zijn kamer een mes, hij klapt het mes uit en hij gaat met dat mes in zijn hand richting de kamer van [slachtoffer 2] . In die kamer ontstond eerst een korte woordenwisseling tussen de verdachte en [slachtoffer 2] . [slachtoffer 1] gaat vervolgens ook de kamer binnen, vermoedelijk omdat hij heeft gezien dat verdachte met een mes achter [slachtoffer 2] aanrende en aldus om laatstgenoemde te beschermen. Er vindt vanuit [slachtoffer 1] een fysieke handeling plaats richting de verdachte. [slachtoffer 1] verklaart hierover dat hij ‘ze’ uit elkaar probeerde te halen. Binnen een tijdsbestek van ongeveer 20 seconden worden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] meerdere keren met het mes gestoken. Uiteindelijk loopt [slachtoffer 2] zes steekverwondingen op, onder andere in het scheenbeen, de schouder en nabij zijn nek. [slachtoffer 1] loopt twee steekverwondingen op, te weten in de schouder en de buik.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het voorgaande een poging tot doodslag jegens de slachtoffers oplevert.
Naar het oordeel van rechtbank kan op basis van de verklaringen van de verdachte en de overige bewijsmiddelen niet volgen dat de verdachte vol opzet op de dood van de slachtoffers heeft gehad. De rechtbank zal daarom moeten beoordelen of er bij de verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg (de dood van de beide anderen) zal intreden.
De rechtbank overweegt daartoe dat de verdachte op zeer korte afstand (in een kleine ruimte) met een mes onder andere in de richting van de schouder en de nabij de nek van [slachtoffer 2] heeft gestoken. De verdachte heeft [slachtoffer 1] in de schouder en in de buik gestoken, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] leverschade heeft opgelopen. De verdachte heeft de messteken toegebracht tijdens een fysieke confrontatie (worsteling) met de slachtoffers. Daarmee heeft hij een dynamische en ongecontroleerde situatie gecreëerd. Met name met het steken nabij de nek en in de buik heeft de verdachte zich blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij de slachtoffers mogelijk dodelijk zou verwonden. De nek en de buikstreek zijn kwetsbare delen van het lichaam waar zich enkele centimeters onder de huid slagaders of vitale lichaamsdelen bevinden. Het handelen van de verdachte is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op de dood van de slachtoffers dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg willens en wetens heeft aanvaard. Van contra-indicaties is niet gebleken.
Ook in het geval het uiteindelijke letsel relatief beperkt is gebleven kan voorwaardelijk opzet worden aangenomen. Het gaat bij de beoordeling van de vraag of sprake was van voorwaardelijk opzet immers niet zozeer om het uiteindelijk concreet toegebrachte letsel, maar om de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder die is verricht.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag jegens de slachtoffers.
De bewezenverklaring
Op grond van de inhoud van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, en op grond van de inhoud van het vorenoverwogene, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op 28 januari 2026 te Sint-Michielsgestel, ter uitvoering van het
door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk anderen, te weten
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , van het leven te beroven, meermalen met een mes,
- die [slachtoffer 1] in de schouder en de buik, en
- die [slachtoffer 2] in het scheenbeen en de schouder en nabij zijn nek, in elk geval
in het lichaam,
heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Noodweer
De raadsman heeft primair een beroep gedaan op noodweer, subsidiair op noodweerexces en heeft bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat het begane feit geboden was door de noodzakelijke verdediging tegen een (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.
De rechtbank oordeelt als volgt.
De rechtbank overweegt dat het handelen van [slachtoffer 2] in het portaal van de woning een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding heeft opgeleverd, waartegen de verdachte zich in beginsel mocht verdedigen. Sprake is van een zogenoemde noodweersituatie. Al vrij snel weet de verdachte zich aan de aanval van [slachtoffer 2] te onttrekken en rent hij zijn eigen kamer in. [slachtoffer 2] loopt vervolgens in een heel rustig tempo langs de kamer van de verdachte richting diens eigen kamer. Op dit moment is de noodweersituatie voorbij. Er was immers geen sprake meer van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding of de dreiging daarvan.
De verdachte pakt vervolgens een mes, hij klapt het mes uit en hij rent met dat mes in zijn hand richting de kamer van [slachtoffer 2] . [slachtoffer 1] gaat vervolgens ook de kamer binnen en er ontstaat opnieuw een worsteling. In deze situatie komt de verdachte geen beroep op noodweer toe. Van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor is de rechtbank immers niet gebleken. De verdachte zoekt juist zelf de confrontatie op en hij doet dit met een mes in zijn hand. Door op deze manier de confrontatie op te zoeken is het te voorzien dat de situatie (verder) escaleert. Dat dit vervolgens ook gebeurt is aan het gedrag van de verdachte te wijten. Het verweer wordt verworpen.
Noodweerexces
Hiervoor heeft de rechtbank geoordeeld dat in beginsel, in het portaal van de woning, sprake was van een onmiddellijke, wederrechtelijke aanranding jegens de verdachte. Toen de noodweersituatie was beëindigd heeft de verdachte met een mes in zijn hand [slachtoffer 2] opgezocht, en vervolgens hem en [slachtoffer 1] gestoken. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of dit handelen van de verdachte kan worden beschouwd als een voortgezet handelen als reactie op de eerdere aanranding jegens hem. Van noodweerexces is vervolgens sprake als het handelen voortkomt uit een hevige gemoedsbeweging (zoals blinde paniek of woede) die direct is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, ook al is van een onmiddellijke en wederrechtelijke aanranding geen sprake meer (extensief noodweerexces).
De rechtbank oordeelt als volgt.
Niet aannemelijk is geworden dat het steken van beide slachtoffers voortkomt uit een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte. Ter terechtzitting van 7 mei 2026 heeft de verdachte – kort weergegeven – verklaard dat hij [slachtoffer 2] het mes wilde laten zien om hem te intimideren. De verdachte zou eerder zelf door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn geïntimideerd en vandaag dacht hij: “Ik laat ze zien dat ik ook in staat ben iets slechts te doen”. Dit duidt naar het oordeel van de rechtbank op een bepaald rationeel planmatig en doelmatig handelen. Handelen in blinde paniek of woede is daarom allerminst aannemelijk geworden. Onder deze omstandigheden komt de verdachte geen geslaagd beroep toe op noodweerexces. Het verweer wordt verworpen.
Conclusie
De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer en noodweerexces. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn ook geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat, mocht aan de verdachte een straf worden opgelegd, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest, passend is. Eventueel kan deze gevangenisstraf worden aangevuld met een voorwaardelijke taakstraf dan wel gevangenisstraf. Ook verzoekt de verdediging de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen.
Het oordeel van de rechtbank.
Algemene overweging.
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feit waarop de straf is gebaseerd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] meermalen met een mes te steken. [slachtoffer 1] is gestoken in zijn schouder en zijn buik en [slachtoffer 2] is gestoken in zijn scheenbeen, schouder en nabij zijn nek. De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. [slachtoffer 1] ervaart nog dagelijks de fysieke en psychische gevolgen van het handelen van de verdachte, zoals ook is gebleken uit de toelichting op zijn verzoek tot schadevergoeding. De verdachte mag van geluk spreken dat geen van de slachtoffers is overleden of zwaarder lichamelijk letsel heeft opgelopen dan nu het geval is.
Daar komt bij dat het feit heeft plaatsgevonden in de gezamenlijke woning van de verdachte en de slachtoffers, waarin meer personen woonachtig waren. Eén van deze medebewoners is getuige geweest van het door de verdachte begane feit en meerdere medebewoners zijn getuige geweest van de gevolgen van het handelen van de verdachte, doordat zij de slachtoffers na het feit bebloed hebben gezien. De verdachte heeft hiermee gevoelens van onrust, angst en onveiligheid teweeggebracht.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van
23 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld. Uit het rapport van de reclassering van 22 april 2026 blijkt bovendien dat verdachte ook in Portugal niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld. Er is dus geen sprake van strafrechtelijke antecedenten die de rechtbank in strafverzwarende zin zal meewegen.
De rechtbank heeft ook voor het overige acht geslagen op het reclasseringsrapport van
22 april 2026. De reclassering acht interventies en toezicht niet nodig, omdat het er volgens hen op lijkt dat sprake was van een eenmalig incident als gevolg van een opeenstapeling van gebeurtenissen. De reclassering adviseert daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden.
De rechtbank weegt in strafverminderende zin mee dat vol opzet bij de verdachte niet is gebleken.
Straftoemeting.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de door de verdachte gepleegde poging tot doodslag en de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, niet kan worden volstaan met een lichtere of andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur.
De rechtbank komt tot een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist. Bij het bepalen van de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft de rechtbank gelet op welke straffen in soortgelijke zaken worden opgelegd. Bij veroordelingen wegens poging tot doodslag door meerdere messteken, zonder recidive op basis van geweldsdelicten, zoals in onderhavige zaak ook aan de orde is, wordt doorgaans een gevangenisstraf van (ongeveer) drie jaren opgelegd. In de omstandigheid dat de verdachte twee slachtoffers heeft gemaakt, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het opleggen van een hogere straf. De reden daarvoor is dat hij met beide slachtoffers tegelijk in gevecht was (één geweldshandeling) en de verdachte, zoals hiervoor al is overwogen, de doodslag niet ten volle heeft beoogd.
De rechtbank acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaren passend en geboden. De tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal op de gevangenisstraf in mindering worden gebracht.
Gelet op de op te leggen gevangenisstaf bestaat geen aanleiding om de voorlopige hechtenis op te heffen. Het daartoe gedane verzoek wordt afgewezen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
De vorderingen van de benadeelde partijen.
Als benadeelde partijen hebben zich in het geding gevoegd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
De benadeelde [slachtoffer 1] heeft een bedrag van € 17.800,- aan schadevergoeding verzocht, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde [slachtoffer 2] heeft een bedrag van € 8.200,- aan schadevergoeding verzocht, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de vordering van de benadeelde [slachtoffer 1] geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de benadeelde [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, omdat hij de vordering niet heeft ondertekend en deze bovendien onvoldoende is gemotiveerd.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft primair betoogd dat de benadeelden niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen dan wel dat de vorderingen van de benadeelden dienen te worden afgewezen, gelet op het standpunt van de verdediging dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Subsidiair heeft de verdediging het volgende betoogd.
De vordering van de benadeelde [slachtoffer 1] dient te worden beperkt tot € 1.000,- (voor het letsel aan de schouder). De benadeelde dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering dan wel de vordering dient te worden afgewezen.
Meer subsidiair dient de vordering te worden beperkt tot € 2.000,- (voor het letsel aan de schouder en de lever).
De benadeelde [slachtoffer 2] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering dan wel dient de vordering te worden afgewezen, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en de gestelde posten niet leesbaar zijn.
De beoordeling.
T.a.v. de benadeelde [slachtoffer 1] :
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende vast komen te staan dat de benadeelde door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.
Met betrekking tot de hoogte van die schade heeft de rechtbank acht geslagen op de zogenoemde Rotterdamse Schaal (Ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen).
Voor het letsel aan de schouder van de benadeelde heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij hoofdstuk 5.4, onderdeel d, onder II, van de Rotterdamse Schaal, die gaat over gering schouderletsel waarbij tussen ongeveer zes maanden tot één jaar herstel plaatsvindt. Als smartengeld wordt dan een bedrag tussen van € 2.675,- tot € 3.000,- genoemd. De rechtbank zal de schade in dit geval vaststellen op € 2.800,-.
Voor het letsel aan de lever van de benadeelde heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij hoofdstuk 4.7 onderdeel a, onder III, van de Rotterdamse Schaal, die gaat over traumatisch letsel aan het spijsverteringssysteem, waarbij het gaat om diepe steek- en snijwonden. Als smartengeld wordt dan een bedrag tussen van € 4.500,- tot € 8.500,- genoemd. De rechtbank zal de schade in dit geval vaststellen op € 8.500,-.
In totaal zal de rechtbank dus toewijzen een bedrag van € 11.300,-. De benadeelde zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.
Wettelijke rente.
De rechtbank zal de toegewezen onderdelen van de vordering vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2026 tot de dag der algehele voldoening.
De burgerlijke rechter.
De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde de onderdelen van de vordering waarin hij niet-ontvankelijk is verklaard slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Kostenveroordeling van de verdachte.
De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde tot op heden begroot op nihil. Verder wordt de verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2026 tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan de verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
T.a.v. de benadeelde [slachtoffer 2] :
De benadeelde [slachtoffer 2] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, omdat hij de vordering niet heeft ondertekend en ook niet ter terechtzitting is verschenen om de vordering en de gronden waarop deze berust toe te lichten, terwijl deze onvoldoende duidelijk is.
De burgerlijke rechter.
De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde de vordering waarin hij niet-ontvankelijk is verklaard slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Kostenveroordeling van de benadeelde partij.
De benadeelde partij zal worden veroordeeld in de proceskosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Beslag.
De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit een voorwerp is met betrekking tot welke het feit is begaan en dit voorwerp ten tijde van het begaan van het feit aan de verdachte toebehoorde.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
33, 33a, 36f, 45, 287 Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:
primair:
Poging tot doodslag, meermaals gepleegd.
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Oplegging van straf en maatregel:
legt op een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 11.300,-, bestaande uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Schadevergoedingsmaatregel:
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 11.300,-. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 81 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.
veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Ten aanzien van het inbeslaggenomen goed:
verklaart verbeurd de inbeslaggenomen goederen, te weten:
- 1 STK Mes (PL2100-2026020563-G2439091).
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.W.M. Bankers, voorzitter,
mr. F.H.E. Boerma en mr. E.M. Vermeulen, leden,
in tegenwoordigheid van mr. G. van de Luijtgaarden, griffier,
en is uitgesproken op 21 mei 2026.