Strafrecht overig
Verdachte heeft zijn ex-partner zwaar mishandeld door met de vuisten tegen haar gezicht te stompen, waardoor…
Rechtbank Oost-Brabant, 11 juni 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:4046 · Rechtbank Oost-Brabant · 11 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbobr-2026-4046
Zaakgegevens
Op 11 juni 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 11 juni 2026
- Datum publicatie
- 10 juni 2026
- Zaaknummer
- 01.230815.25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2026:4046
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verdachte heeft zijn ex-partner zwaar mishandeld door met de vuisten tegen haar gezicht te stompen, waardoor zij een gebroken jukbeen heeft opgelopen. Vervolgens heeft hij geprobeerd haar van het leven te beroven door haar met een mes diep in de flank te steken. De rechtbank legt op een gevangenisstraf van 4 jaren waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast legt de rechtbank een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op als bedoeld in artikel 38z Sr.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Parketnummer: [01.230815.25]
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.230815.25
Datum uitspraak: 11 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1991] ,
wonende te [adres]
thans gedetineerd te: [verblijfplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 december 2025, 4 maart 2026 en 28 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 november 2025.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 10 december 2025 is aangepast (op grond van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering), is aan verdachte ten laste gelegd dat:
t.a.v. feit 1 primair:
hij op of omstreeks 1 september 2025 te Veldhoven
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer] ,
van het leven te beroven,
met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de flank, althans het lichaam, van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
t.a.v. feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 1 september 2025 te Veldhoven
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de flank,
althans in het lichaam, van voornoemde [slachtoffer] heeft
gestoken/gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
t.a.v. feit 2 primair:
hij op of omstreeks 1 september 2025 te Veldhoven
aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten een zygoma fractuur,
heeft toegebracht, door
- meermalen, althans eenmaal, met de achterkant van een mes in/op/tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer] te stompen en/of te slaan en/of
- meermalen, althans eenmaal, met de vuisten in/op/tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer] te stompen en/of te slaan;
t.a.v. feit 2 subsidiair:
hij op of omstreeks 1 september 2025 te Veldhoven
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- meermalen, althans eenmaal, met de achterkant van een mes
in/op/tegen het gezicht van voomoemde [slachtoffer] heeft gestompt en/of
geslagen en/of
- meermalen, althans eenmaal, met de vuisten in/op/tegen het gezicht
van voornoemde [slachtoffer] heeft gestompt en/of geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
t.a.v. feit 2 meer subsidiair:
hij op of omstreeks 1 september 2025 te Veldhoven
[slachtoffer] heeft mishandeld door
- meermalen, althans eenmaal, met de achterkant van een mes
in/op/tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer] te stompen en/of te
slaan en/of
- meermalen, althans eenmaal, met de vuisten in/op/tegen het gezicht
van voornoemde [slachtoffer] te stompen en/of te slaan;
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Het standpunt van de officier van justitie.
De rechtbank acht het onder feit 1 primair en feit 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het onder feit 1 primair ten laste gelegde, omdat geen sprake is van opzet op het steken van aangeefster en evenmin van opzet op de dood van aangeefster. Voor wat betreft een bewezenverklaring van het onder feit 1 subsidiaire ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De raadsman heeft met betrekking tot feit 2 partieel vrijspraak bepleit voor het slaan met de achterkant van het mes. Verder heeft de raadsman voor het onder feit 2 primair en feit 2 subsidiair ten laste gelegde eveneens vrijspraak bepleit, omdat onvoldoende is gebleken dat verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster. De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 2 meer subsidiair gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
Voor de overzichtelijkheid en de leesbaarheid zijn de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen uitgewerkt in de bijlage bij dit vonnis. De bewijsmiddelen gelden als in dit vonnis ingevoegd.
Ter terechtzitting van 28 mei 2026 heeft de verdediging een aantal bewijsverweren gevoerd. Deze verweren vinden hun weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen zoals die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen. De door de verdediging aangevoerde feiten en omstandigheden zijn niet van zulke aard en ernst, dat de voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt of daarover gerede twijfel is ontstaan.
Feit 1
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting concludeert de rechtbank dat verdachte aangeefster (de ex-partner van verdachte) met kracht in haar (rechter)flank heeft gestoken met een scherp mes waarvan het lemmet ongeveer twaalf centimeter lang was. Hierdoor is een wond van ongeveer tien tot vijftien centimeter diep ontstaan. Dit leidt de rechtbank af uit de lengte van het lemmet in combinatie met het gegeven dat de steekverwonding via de rechterflank door de lange rugmusculatuur tot op het niveau van de grote lendenspier (musculus psoas major) rechts is gegaan. Uit openbare bronnen blijkt dat deze spier diep in de buik van het menselijk lichaam ligt, dichtbij een aantal belangrijke organen zoals (bij)nieren en darmen. Aangeefster heeft hierbij veel bloed verloren en is enkele dagen opgenomen geweest in het ziekenhuis. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze gedraging naar haar uiterlijke verschijningsvorm redelijkerwijs niet anders worden opgevat dan als handeling gericht op het doden van het slachtoffer. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is dat zich in de flank vitale organen en (slag)aders bevinden die hadden kunnen worden geraakt. Wanneer deze organen en/of aders door een messteek worden geraakt, kan dit leiden tot de dood. Dat geldt des te meer wanneer een nieuw – en dus scherp – mes met lang lemmet wordt gebruikt, zoals in deze zaak het geval is. Daarnaast kan uit de diepte van de wond worden afgeleid dat verdachte met aanzienlijke kracht moet hebben gestoken. Verder weegt de rechtbank mee dat de kinderen van verdachte en aangeefster hebben verklaard dat zij verdachte hoorden zeggen dat hij aangeefster dood ging maken. Door met kracht met een scherp mes met een lemmet van ongeveer twaalf centimeter diep in een vitaal deel van het lichaam te steken, had verdachte naar het oordeel van de rechtbank dan ook vol opzet op het doden van aangeefster. De verklaring van verdachte – pas gegeven tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak, nadat hij tijdens eerdere politieverhoren meermaals had verklaard dat aangeefster zichzelf zou hebben gestoken – dat hij dacht een plastic lepel te hebben gepakt waarmee hij aangeefster wilde raken om haar bang te maken, schuift de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde. Immers, hij had aangeefster voordat hij het mes pakte, al dusdanig hard geslagen dat zij haar jukbeen had gebroken. Aangeefster was dus al bang en had al pijn. Verdachte had haar niet banger kunnen maken met het tonen van een plastic lepel. Ook had het mes geenszins de uiterlijke kenmerken van een plastic lepel en past het ‘raken met een lepel’ niet bij de steekverwonding, waaruit volgt dat sprake moet zijn geweest van een met kracht uitgevoerde stekende beweging.
Dat betekent dat de rechtbank bewezen vindt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging zijn ex-partner opzettelijk van het leven te beroven.
Feit 2
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting concludeert de rechtbank dat verdachte aangeefster met zijn vuisten in haar gezicht heeft gestompt. Hierdoor heeft aangeefster een gebroken jukbeen (zygomafractuur) opgelopen, waaraan zij is geopereerd. Aangeefster heeft bij het verhoor bij de rechter-commissaris op 12 januari 2026, vier maanden na het feit, verklaard dat zij nog steeds moeite had met slapen op de zij, problemen met kauwen en niet helder kon zien. Het letsel was op dat moment dus nog steeds niet hersteld. Naar het oordeel van de rechtbank kan het letsel daarmee worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank is tevens van oordeel dat de gedraging van verdachte naar haar uiterlijke verschijningsvorm redelijkerwijs niet anders kan worden opgevat dan als handeling gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is dat het gezicht een kwetsbaar onderdeel van het lichaam is en dat het slaan met een vuist op die plek kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel, zeker als het slaan met kracht gebeurt. Dat verdachte met de nodige kracht heeft geslagen leidt de rechtbank af uit de verklaring van aangeefster, het ontstane letsel en de getuigenverklaringen van de kinderen van verdachte en aangeefster. Verdachte had naar het oordeel van de rechtbank dan ook vol opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster.
De rechtbank vindt daarom bewezen dat verdachte aan zijn ex-partner zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door haar meermaals met de vuisten in het gezicht te stompen.
Net zoals de officier van justitie en de verdediging hebben bepleit, is niet vast komen te staan dat verdachte aangeefster met de achterkant van een mes in het gezicht heeft geslagen. De rechtbank zal verdachte van dat onderdeel van de beschuldiging vrijspreken.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
t.a.v. feit 1 primair:
op 1 september 2025 te Veldhoven
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer] ,
van het leven te beroven,
met een mes in de flank van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
t.a.v. feit 2 primair:
op 1 september 2025 te Veldhoven
aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten een zygoma fractuur,
heeft toegebracht, door
met de vuisten in/op/tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer] te stompen.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaren met aftrek van het voorarrest.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een gevangenisstraf met een onvoorwaardelijk deel dat gelijk is aan de duur van het voorarrest en een eventueel voorwaardelijk deel.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zijn ex-partner [slachtoffer] zwaar mishandeld door met de vuisten tegen haar gezicht te stompen, waardoor zij een gebroken jukbeen heeft opgelopen. Vervolgens heeft hij geprobeerd haar van het leven te beroven door haar met een mes diep in de flank te steken. Dit heeft hij gedaan wegens een geringe aanleiding, namelijk dat er geen eten voor hem was. Dat verdachte tot zo vergaand gewelddadig gedrag heeft kunnen komen tegen zijn ex-partner en ook nog eens in het bijzijn en voor de ogen van hun jonge kinderen, acht de rechtbank buitengewoon schokkend en zorgwekkend. Daar komt bij dat verdachte na het geweld berekenend en enkel vanuit zijn eigen belang heeft gehandeld door het mes waarmee hij aangeefster gestoken had onder de kraan te wassen en vervolgens aangeefster en de kinderen dwingend in zijn auto te plaatsen. Mede doordat zijn dochtertje heeft ingegrepen en buurtbewoners om hulp heeft gevraagd, is voorkomen dat verdachte met aangeefster en de kinderen kon wegrijden.
Het behoeft geen betoog dat het geweld van die dag een enorme impact heeft gehad op aangeefster en de kinderen. Op de verschillende camerabeelden van kort na het geweld tegen aangeefster is de paniek en het verdriet van aangeefster en de kinderen goed te zien en horen. Zij zullen van het hele incident waarschijnlijk nog jarenlang last hebben. Ook buurtbewoners zijn getuige geweest van wat er zich op straat heeft afgespeeld en hebben zich ontfermd over aangeefster en de kinderen.
Persoon van verdachte
Kijkend naar de persoon van verdachte, heeft de rechtbank gelet op het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. De rechtbank ziet in het strafblad van verdachte dan ook geen strafverzwarende omstandigheden.
In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte geen volledige verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden door de meest verstrekkende geweldshandelingen (het steken van aangeefster) te ontkennen. Hij heeft ook ter zitting nog verklaard dat zijn kinderen allebei liegen in hun getuigenverklaring. Verdachte lijkt het laakbare van zijn gedrag ook achteraf niet volledig in te zien, zo blijkt uit zijn houding op de zitting.
Tegelijkertijd heeft verdachte tijdens de zitting getoond erg ontdaan te zijn door wat er is gebeurd en heeft gezegd zich daar diep voor te schamen. Verdachte heeft meermaals zijn excuses aangeboden aan aangeefster.
Op te leggen straf
Verdachte heeft ernstige strafbare feiten gepleegd, waarvoor vergelding op zijn plaats is. Ook uit een oogpunt van generale en speciale preventie moet een duidelijk signaal worden gegeven dat dergelijk gedrag volstrekt onaanvaardbaar is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andere straf van een langdurige gevangenisstraf.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de straf die zij zal opleggen de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. Daarbij speelt een rol dat de rechtbank een voorwaardelijk strafdeel van belang acht, nu uit het dossier signalen naar voren komen dat al langere tijd sprake was van geweld binnen de relatie tussen verdachte en aangeefster, wat in ernst lijkt toe te nemen. Tijdens de zitting heeft verdachte ook toegegeven dat hij zijn ex-partner regelmatig heeft bedreigd te mishandelen of te doden, maar lijkt dat te bagatelliseren en te normaliseren door te zeggen dat er weleens kleine ruzies waren en dit slechts woorden zijn. Nu verdachte en aangeefster voornemens zijn om hun relatie (in enige vorm) voort te zetten, is de kans op herhaling zeer reëel. Een groot voorwaardelijk strafdeel als stok achter de deur zal de kans op herhaling naar verwachting verminderen.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 4 jaren met aftrek van het voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. Verdachte krijgt met deze straf een forse stok achter de deur om geen strafbare feiten te plegen. Vanwege het ontbreken van een reclasseringsadvies zullen aan deze voorwaardelijke straf geen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr
De rechtbank ziet verder aanleiding om aan verdachte, hoewel een advies van de reclassering daartoe ontbreekt, een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen zoals bedoeld in artikel 38z Sr. De rechtbank acht dit noodzakelijk ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. Met de maatregel kan (indien nodig) langdurig toezicht worden gehouden op verdachte en het gezin om dreigende recidive te kunnen signaleren en daarop te kunnen acteren.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat de maatregel pas kan worden tenuitvoergelegd na een daartoe strekkende vordering van het Openbaar Ministerie en een daaropvolgende beslissing van de rechtbank (artikel 6:6:23a e.v. Sv).
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 38z, 45, 57, 287, 302 Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart het onder feiten 1 primair en 2 primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:
t.a.v. feit 1:
poging tot doodslag
t.a.v. feit 2:
zware mishandeling
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregel:
t.a.v. feit 1 primair, feit 2 primair:
Een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 1 jaar voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.M.T. Keukens, voorzitter,
mr. M.M.L.A.T. Doll en mr. R.J. Heuft, leden,
in tegenwoordigheid van mr. M.A.I.A. Aarts, griffier,
en is uitgesproken op 11 juni 2026.