Strafrecht overig
Veroordeling voor een poging tot doodslag (door onder meer het steken in de hals). Oplegging van een…
Rechtbank Oost-Brabant, 15 juni 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:4316 · Rechtbank Oost-Brabant · 15 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbobr-2026-4316
Zaakgegevens
Op 15 juni 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 15 juni 2026
- Datum publicatie
- 15 juni 2026
- Zaaknummer
- 01-406835-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2026:4316
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor een poging tot doodslag (door onder meer het steken in de hals). Oplegging van een gevangenisstraf, een (dadelijk uitvoerbare) tbs-maatregel met voorwaarden en een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01-406835-24
Parketnummer vordering: 01-344997-21
Datum uitspraak: 15 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [1983] ,
wonende te [adres 1]
thans gedetineerd te: [PI] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 31 maart 2025, 23 juni 2025, 3 oktober 2025, 12 december 2025, 6 maart 2026, 13 april 2026 en 1 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde (hierna: verdachte) naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 25 februari 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 24 december 2024 te Oss
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] (zijn levenspartner)
opzettelijk van het leven te beroven,
althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
voornoemde [slachtoffer] meermalen heeft geslagen en/of gestoken met een mes en/of gereedschap, althans een voorwerp, tegen/ in haar hals en/of haar lichaam,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
De vordering na voorwaardelijke veroordeling.
De zaak met parketnummer 01-344997-21 is aangebracht bij vordering van 20 januari 2025. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de Politierechter te 's-Hertogenbosch van 18 juli 2023. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging.
Wat de verdediging betreft staat vast dat mevrouw [slachtoffer] letsel in haar hals heeft opgelopen door toedoen van verdachte, waarschijnlijk middels een mes. Echter kan niet worden bewezen dat verdachte dat letsel opzettelijk heeft toegebracht. Verdachte was aan het koken en deed tegelijkertijd andere dingen; hij was chaotisch en maakte daarbij waarschijnlijk veel gebaren, terwijl hij een mes in zijn handen had. Mevrouw [slachtoffer] en verdachte hadden beiden gedronken. Het was dus een uiterst ongecontroleerde situatie, daarin kan een ongeluk plaatsvinden. Uit de telefoongegevens van verdachte blijkt dat hij vanaf moment één riep dat het een ongeluk was en hij heeft ook 112 gebeld. Verder zijn de verklaringen van mevrouw [slachtoffer] met de tijd alleen maar ontlastender geworden.
De meldster die tegenover verdachte woont zegt in het appartement ruzie te hebben gezien tussen een man en een vrouw. De vrouw lag op bed en de man was op haar aan het inslaan. De meldster kon dit niet goed zien, zei ze. Haar verklaring over het slaan is daarmee niet betrouwbaar en deze klopt niet. Op het filmpje is te zien dat de meldster geen enkel zicht had op mevrouw [slachtoffer] , terwijl verdachte in de lucht slaat. Dat past bij de verklaring van verdachte dat hij mevrouw [slachtoffer] naar de grond heeft gebracht en heeft getracht te verplegen.
Bij gebrek aan bewijs voor opzet op het toebrengen van pijn of letsel verzoekt de verdediging vrij te spreken. Er is voorts onvoldoende bewijs voor voorwaardelijk opzet op de dood. Het is niet bekend met welk mes zou zijn gestoken, hoe er zou zijn gestoken en van welke afstand. Ook over de aard van de verwonding is niet veel bekend door het summiere letselonderzoek. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op het intreden van de dood, zodat in ieder geval zou moeten worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging doodslag.
Het oordeel van de rechtbank.
De bewijsmiddelen.
De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 23 juni 2025 – zakelijk weergegeven: Ik stond op de tenlastegelegde datum in de keuken van mijn appartement in Oss. Ik had een mes in mijn hand. Ik heb haar vervolgens in haar hals geraakt met het mes. Ik had het mes die dag gekregen.
Een proces-verbaal van bevindingen van 24 december 2024, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Op 24 december 2024 kregen wij van het operationeel centrum de opdracht om te gaan naar [straatnaam] te Oss. Hier zou de meldster zojuist gezien hebben dat in een appartement tegenover haar woning een vrouw mishandeld werd door een man. De meldster zag dat: de vrouw gewond zou zijn, meldster heeft bloed gezien op het hoofd van de vrouw.
Een proces-verbaal van bevindingen van 24 december 2024, opgemaakt door [verbalisant 3] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Ik heb aan [slachtoffer] gevraagd of ze kon zeggen waarmee ze in haar linker hals was gestoken. [slachtoffer] zei dat het mogelijk was dat ze met een keukenmes in haar hals was gestoken.
Een proces-verbaal van bevindingen van 24 december 2024, opgemaakt door [verbalisant 4] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Ik zag in de hal van de woning verschillende bloedvegen op kozijnen en op de grond. Ik zag dat de vrouw zich in de slaapkamer bevond. Ik zag dat de vrouw een opgezet gezicht had. Ik zag bij haar haargrens opgedroogd bloed. Ik zag dat er aan het voeteinde van het bed een plas opgedroogd bloed lag. Ik zag dat rechts van het bed een handdoek lag met bloedresten. Ik zag vervolgens dat de vrouw in haar hals een snee had wat ik vond lijken op een snijwond. Ik zag dat de wond open stond en ongeveer 2 centimeter breed was.
Ik hoorde dat de vrouw zei dat zij meerdere keren zou zijn gestoken. Ik zag in de woonkamer de sporen van een gevecht. Ik zag glas scherven op de grond, ik zag dat er verschillende kerstballen op de grond lagen, voor de bank zag ik verschillende plasjes bloed en ik zag een wit kleed met bloed op de bank. Ik vorderde van de vrouw voordat zij ging een geldig identiteitsbewijs en ik zag daarop dat de vrouw betrof; [slachtoffer] .
Een proces-verbaal van bevindingen van 25 december 2024, opgemaakt door [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Wij bezochten mevrouw [slachtoffer] in het ziekenhuis.
V: Wij willen graag met jou in gesprek over wat er is gebeurd gisteren.
A: We zijn niet getrouwd, maar we zijn lang samen en wonen ook al langere tijd samen. We zijn nu denk ik ruim 7 tot 8 jaar samen.
V: Wat is er gisteren gebeurd?
A: Gisteren zijn we vroeg begonnen met drinken. Echt vroeg. We hebben toen ruzie gekregen. Ik heb [verdachte] staan uitdagen en toen is hij gaan slaan.
V: Naast de verwoning in je nek. Wat voor een letsel heb je nog meer?
A: Kapotte mond. Gewoon op mijn gezicht geklapt.
Een proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres 2] ) van 25 dec 2024, opgemaakt door [verbalisant 7] en [verbalisant 8] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Gezien vanaf de hal kijkend in de woonkamer bevond zich direct links tegen de wand in de woonkamer een keuken. Wij zagen dat de besteklade van de keuken open was. Rechts in genoemde besteklade zagen wij een keukenmes van het merk "Redstone" met een zwart heft en een wit lemmet. Van [naam] ontvingen wij de informatie dat dit het mes betrof, welke door een medewerker van de surveillancedienst was aangetroffen op het aanrecht en was verplaats naar de keukenla. Door mij, [verbalisant 9] , werd het mes veiliggesteld in een messenkoker, gewaarmerkt en voorzien van [nummer 1] .
Een proces-verbaal van vooronderzoek aan een mes van 11 februari 2025, opgemaakt door [verbalisant 10] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Sporendrager:
Goednummer: [nummer 2]
SIN: [code]
Object: Mes.
Ik zag dat het mes een zwart heft en een wit lemmet had. Ik zag dat de totale lengte ongeveer 23,5 centimeter was, waarbij het heft ongeveer 11 centimeter en lemmet ongeveer 12,5 centimeter was. Ik zag dat het mes bevuild was met donkere onbekende substantie.
Onderzoeksvraag
Bemonster het bloed op het mes.
Ik heb het mes visueel onderzocht; met behulp van een operatiemicroscoop visueel onderzocht. Hierbij zag ik één (1) op bloed lijkend spoor (bloedspoor) op het heft. Dit bloedspoor is op 30 december 2024 in proces-verbaal [nummer 3] vastgelegd. Ik heb het op bloed lijkend spoor getest op de aanwezigheid van bloed. Met behulp van een TB-test is een indicatie voor de aanwezigheid van bloed verkregen. Ik heb het spoor veiliggesteld, gewaarmerkt met SIN [code] , verpakt en verzegeld.
Bewijsoverwegingen.
Geen ongeluk
Verdachte heeft wisselend verklaard over de toedracht van wat hij een ongeluk noemt. In zijn eerste verhoor bij de politie heeft verdachte verklaard dat mevrouw [slachtoffer] zelf het mes pakte, dat zij door het huis liep en dat zij toen is gevallen. Zo zou het mes in haar hals terecht zijn gekomen. In het tweede verhoor vertelde verdachte dat hij vlees stond te snijden met een mes, dat mevrouw [slachtoffer] ruzie met hem aan het maken was of dat zij stond te dansen en dat hij zich toen omdraaide en dat hij zich verder alleen kan herinneren dat ze op de grond lag. Daarna – en ook op zitting – heeft verdachte erkend dat hij het mes vasthield waarmee mevrouw [slachtoffer] in haar hals is geraakt. Hij was in de keuken bezig met een mes en heeft mevrouw [slachtoffer] daarmee per ongeluk, en dus niet opzettelijk, in haar hals geraakt. Daarna heeft hij zich ook meteen om haar bekommerd en 112 gebeld.
De rechtbank acht het echter niet aannemelijk dat verdachte per ongeluk de verwonding in de hals van mevrouw [slachtoffer] heeft veroorzaakt en is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte mevrouw [slachtoffer] opzettelijk in haar hals heeft gestoken met een mes. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Uit de bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van mevrouw [slachtoffer] , de beschrijving van hetgeen de meldster heeft gezien en de bevindingen van de verbalisanten die ter plaatse zijn gekomen en sporen van een gevecht hebben gezien, blijkt dat verdachte op de tenlastegelegde datum in zijn appartement in Oss ruzie heeft gehad met zijn toenmalige partner mevrouw [slachtoffer] . Voorts blijkt daaruit dat op enig moment tijdens de ruzie een handgemeen is ontstaan waarbij verdachte mevrouw [slachtoffer] heeft geslagen en met een keukenmes in haar hals heeft gestoken.
Mevrouw [slachtoffer] heeft kort na het incident tegenover ter plaatse gekomen verbalisanten verklaard dat zij door verdachte is geslagen en gestoken in haar hals, mogelijk met een keukenmes. Ook verdachte verklaart dat de verwonding in de hals van mevrouw [slachtoffer] door een mes is veroorzaakt. Het letsel dat in de hals van mevrouw [slachtoffer] is geconstateerd past bij dat scenario. Verder is op het aanrecht van het appartement een keukenmes aangetroffen, waarop een op bloed lijkend spoor zat waarvan ook met een test een indicatie voor de aanwezigheid van bloed is verkregen. Zowel mevrouw [slachtoffer] als verdachte geven uiteindelijk aan dat mevrouw [slachtoffer] in de keuken in haar hals is geraakt met een mes dat verdachte op dat moment in zijn hand had. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat het op het aanrecht aangetroffen mes het mes is waarmee mevrouw [slachtoffer] in haar nek is gestoken.
De vermoedelijke aanwezigheid van bloed op het mes ondersteunt het oordeel van de rechtbank dat verdachte mevrouw [slachtoffer] tijdens een ruzie, waarbij hij geweld tegen haar heeft gebruikt, opzettelijk in haar hals heeft gestoken.
Gezien de bewijsmiddelen, die elkaar over en weer ondersteunen, hecht de rechtbank geen geloof aan de verklaringen van verdachte dat sprake zou zijn geweest van een ongeluk. Niet valt in te zien op welke wijze het mes per ongeluk in de hals van mevrouw [slachtoffer] terecht is gekomen en daar een openstaande wond van 2 centimeter breed heeft achtergelaten. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat verdachte zeer wisselend en inconsequent heeft verklaard over de toedracht en de wijze waarop dit zou zijn gebeurd. Zijn verklaringen worden ook niet ondersteund door andere stukken in het dossier. Ook aan de later afgelegde, ontlastende verklaringen van mevrouw [slachtoffer] , waarin zij zegt dat sprake was van een ongeluk, hecht de rechtbank geen waarde. Die verklaringen weerspreken haar initiële verklaring tegenover verbalisanten, waarvoor het dossier wel steun biedt, en zijn mogelijk ingegeven door de wens om ervoor te zorgen dat verdachte geen of een lagere straf zou krijgen.
Voorwaardelijk opzet
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zogeheten ‘vol opzet’ had op de dood van mevrouw [slachtoffer] . Wel heeft verdachte door mevrouw [slachtoffer] tijdens een gewelddadige ruzie, waarbij hij haar heeft geslagen en met een scherp keukenmes met een lemmet van ongeveer 12,5 cm in de hals heeft gestoken, de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat mevrouw [slachtoffer] daardoor zou komen te overlijden. Het is een feit van algemene bekendheid dat de hals een zeer kwetsbaar onderdeel van het lichaam is, waar zich vitale delen en belangrijke (slag-)aderen bevinden. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op het toebrengen van dodelijk letsel gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg ook bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
hij op of omstreeks 24 december 2024 te Oss
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] (zijn levenspartner)
opzettelijk van het leven te beroven,
althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
voornoemde [slachtoffer] meermalen heeft geslagen en/of gestoken met een mes en/of gereedschap, althans een voorwerp, tegen/ in haar hals en/of haar lichaam,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en een terbeschikkingstelling met dwangverpleging. De officier van justitie acht, gezien het goed onderbouwde negatieve advies van de reclassering omtrent een terbeschikkingstelling met voorwaarden, een bevel tot verpleging van overheidswege noodzakelijk om de maatschappij tegen verdachte te beschermen en het recidiverisico dat van verdachte uitgaat te verminderen. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om in geval van veroordeling de tbs-maatregel met voorwaarden aan verdachte op te leggen. De raadsman wijst op de goed onderbouwde adviezen van de psycholoog en psychiater. Beide deskundigen hebben verdachte uitvoerig en diepgravend gesproken en onderzocht en in hun advies rekening gehouden met zowel het verleden van verdachte als zijn huidige persoonlijke omstandigheden. Het negatieve advies van de reclassering is gebaseerd op negatieve ervaringen uit het verleden waarbij verdachte zich niet heeft geconformeerd aan bijzondere voorwaarden. De raadsman heeft erop gewezen dat verdachte nu wezenlijk anders naar zijn persoonlijke situatie kijkt, zich bewust is van zijn persoonlijkheidsproblematiek en intrinsiek gemotiveerd is om zich daarvoor te laten behandelen. Naast de tbs-maatregel dient niet meer straf te worden opgelegd dan een gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden, waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op zijn partner door haar te slaan en met een mes in haar hals te steken. Dit is geen op zichzelf staand incident, nu verdachte al vier keer eerder is veroordeeld voor mishandeling van dezelfde partner. Het geweld lijkt in ernst toe te nemen, terwijl verdachte dit bagatelliseert. Verdachte heeft nadien op geen enkel moment verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen door het opzettelijk steken te blijven ontkennen. Dat rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
Persoon van verdachte
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het meest recente uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor de nodige vermogensdelicten en de hiervoor genoemde (partner)mishandeling. Verder zijn door psycholoog N. van der Weegen en psychiater dr. T.W.D.P. van Os persoonlijkheidsrapportages over verdachte opgemaakt naar aanleiding van een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte, respectievelijk op 25 maart 2026 en 28 maart 2026. Ook heeft de reclassering op 19 mei 2026 een maatregelenrapport uitgebracht, aangevuld bij e-mailbericht van 27 mei 2026, waarin zij de rechtbank heeft geadviseerd over de haalbaarheid en wenselijkheid van een maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel).
De psychiater en de psycholoog hebben in hun rapporten onder meer het volgende geconcludeerd en geadviseerd.
De psychiater heeft bij verdachte een persoonlijkheidsstoornis met antisociale, borderline en narcistische trekken en een stoornis in het gebruik van alcohol en benzodiazepines vastgesteld. Aannemelijk is dat de persoonlijkheidsstoornis en het onder invloed zijn van alcohol en middelen een rol hebben gespeeld in het bewezenverklaarde. Vanwege de persoonlijkheidsstoornis is verdachte onvoldoende in staat om zijn emoties en impulsen in goede banen te leiden en gebruikt hij middelen om leegte, onlust en verlatingsangsten te dempen. De psychiater adviseert de rechtbank om verdachte het bewezenverklaarde verminderd toe te rekenen. Alles overziend kan gesteld worden dat het risico op gewelddadig gedrag in de toekomst als hoog moet worden ingeschat. Zonder behandeling blijven de risicofactoren die van belang zijn in het bewezenverklaarde onveranderd. Een behandeling en begeleiding is noodzakelijk om de kans op herhaling duurzaam te verlagen. Daartoe is een klinische behandeling als start noodzakelijk. Verdachte heeft problemen op alle leefgebieden en is instabiel. De behandeling zal zich moeten richten op zowel de verslavingen als op de persoonlijkheidsstoornis. De problematiek is ernstig en complex. Het risico is hoog. Indien de rechtbank een behandeling in een strafrechtelijk kader aangewezen acht, adviseert de psychiater om de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Alleen deze vergaande maatregel lijkt voldoende garantie te geven om het gevaar terug te dringen en behandeling en resocialisatie te realiseren. De psychiater is van mening dat een behandeling in het kader van een tbs met voorwaarden voldoende garanties en behandelmogelijkheden biedt. Verdachte wil zich inzetten voor een behandeling en wil zich aan de voorwaarden houden. Hij ziet ook in dat hij hulp nodig heeft. Naast de tbs-maatregel adviseert de psychiater een Gedragsbeïnvloedende en Vrijheidsbeperkende Maatregel (GVM) op te leggen conform artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht. Met deze maatregel kan verdachte, na beëindiging van de tbs-maatregel, in een forensisch kader worden ondersteund, begeleid en gemonitord door de reclassering. Dit aanvullende kader biedt samen met de geadviseerde tbs-maatregel een ruimer forensisch vangnet richting resocialisatie.
Ook de psycholoog beschrijft een persoonlijkheidsstoornis met antisociale, narcistische en borderline trekken en stoornissen in het gebruik van alcohol, cocaïne en benzodiazepine bij verdachte. De psycholoog adviseert de rechtbank net als de psychiater het bewezenverklaarde verminderd aan verdachte toe te rekenen. Het recidiverisico wordt ook door de psycholoog als hoog ingeschat. Verdachte behoeft een intensieve behandeling om anders om te gaan met zijn persoonlijkheidsstoornis en met name om zijn emotieregulatievaardigheden en frustratietolerantie te leren vergroten, anders om te gaan met onlustgevoelens en zijn middelengebruik te stoppen. Deze behandeling dient klinisch plaats te vinden waarbij de psycholoog denkt aan een FPK of Forensische Verslavingskliniek. Om te voorkomen dat verdachte de behandeling afbreekt en ervoor kiest het voorwaardelijk deel uit te zitten en dan dus alsnog onbehandeld terugkeert in de maatschappij, zal de behandeling in een gedwongen kader moeten plaatsvinden. Een tbs-maatregel is het enige kader waarbinnen gewaarborgd is dat het recidiverisico is teruggedrongen alvorens verdachte vrijheden krijgt. Omdat de psycholoog verwacht dat verdachte zich binnen een forensische kliniek begeleidbaar genoeg zal weten op te stellen, adviseert zij verdachte binnen het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden binnen een FPK of FVK op te nemen en aansluitend in een passende woonvorm verder ambulant te laten behandelen.
De reclassering heeft in haar rapport van 19 mei 2026 negatief geadviseerd over de door de psychiater en psycholoog geadviseerde tbs-maatregel met voorwaarden. Het recidiverisico en het geweldsrisico worden ook door de reclassering ingeschat als hoog. Tijdens eerder ingezette interventies en reclasseringsbemoeienis heeft verdachte herhaaldelijk de voorwaarden overtreden en deze bemoeienis heeft niet geleid tot een afname van het recidiverisico omdat geen gedragsverandering is gerealiseerd. De responsiviteit van verdachte wordt om die reden ingeschat als laag, waarbij de risico’s op onttrekking op basis van eerder opgedane ervaringen in reclasseringstrajecten als hoog worden ingeschat. De combinatie van een ontkennende proceshouding, het afschuiven van verantwoordelijkheid en ontkenning van de ernst van de verslavingsproblematiek biedt voor de reclassering geen opening voor de noodzakelijk geachte klinische behandeling en begeleiding door de reclassering. De in het verleden gebrekkig gebleken responsiviteit, waarbij naast onmacht vanwege de verslavingsproblematiek ook sprake lijkt te zijn geweest van onwil om zich te willen/kunnen conformeren aan een reclasseringstraject, schept daarnaast tevens een zeer somber perspectief voor een voorwaardelijk kader. Op verzoek van de raadsman heeft de reclassering bij aanvullend bericht van 27 mei 2026 niettemin voorwaarden geformuleerd die de rechtbank aan een eventuele tbs-maatregel zou kunnen koppelen, indien de rechtbank in weerwil van het reclasseringsadvies een tbs-maatregel met voorwaarden passend vindt. Indien de rechtbank tbs met voorwaarden oplegt, adviseert de reclassering de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden. De kans is groot dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. De reclassering adviseert hierbij eveneens de combinatie met een schorsing van de voorlopige hechtenis onder dezelfde voorwaarden als de tbs-maatregel met voorwaarden, gelet op de inhoud van een arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024. Mocht verdachte zich tijdens de looptijd van de tbs met voorwaarden niet aan de voorwaarden houden terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, dan kan de rechter de schorsing van de voorlopige hechtenis opheffen.
Tbs-maatregel
De rechtbank neemt de bovenstaande conclusies en adviezen van de psycholoog en psychiater over. De rechtbank stelt vast dat bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in het gebruik van middelen. Gelet op de rol die deze stoornissen hebben gespeeld bij het tot stand komen van het strafbare feit, zal de rechtbank het bewezenverklaarde verminderd toerekenen. Deze stoornissen maken ook dat sprake is van een hoog recidiverisico en dat de rechtbank een intensieve vorm van behandeling noodzakelijk acht. Met de psycholoog en de psychiater is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de tbs-maatregel noodzakelijk maakt.
De rechtbank overweegt voorts dat is voldaan aan de formele voorwaarden om de tbs-maatregel op te leggen. Het bewezenverklaarde betreft een misdrijf waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Voorts merkt de rechtbank op dat het een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de vraag of een tbs-maatregel met voorwaarden of een tbs met een bevel tot verpleging van overheidswege moet worden opgelegd als volgt.
Door de psycholoog en de psychiater is, als hiervoor weergegeven, uitvoerig gemotiveerd waarom zij vinden dat verdachte kan worden behandeld in een tbs-kader met voorwaarden. Bij dat advies hebben de deskundigen betrokken dat verdachte gemotiveerd is voor behandeling en voldoende ziektebesef heeft. Ter terechtzitting heeft de rechtbank zelf ook de indruk gekregen dat verdachte zich er – in ieder geval op dit moment in zijn leven –van bewust is dat hij ernstige psychische problematiek heeft en dat hij daarvoor ook (klinisch) wil worden behandeld.
Dat de reclassering negatief adviseert over de tbs-maatregel met voorwaarden is begrijpelijk gezien de eerdere negatieve ervaringen met reclasseringstoezichten in het kader van voorwaardelijke straffen, maar de rechtbank vindt het gelet op wat hiervoor over de huidige motivatie van verdachte is overwogen, niet proportioneel om verdachte op die grond nu de tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen.. Daarbij is ook van belang dat verdachte niet eerder (klinisch) is behandeld voor zijn stoornissen en de rechtbank hoopt dat de thans te ondergane intensieve behandeling, aan te vangen in een klinische setting, zal maken dat verdachte zich in de toekomst begeleidbaar zal opstellen.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank verdachte ter beschikking stellen onder in de uitspraak vermelde voorwaarden. Tijdens de inhoudelijke behandeling op 1 juni 2026 heeft de rechtbank een aantal mogelijke aanvullende voorwaarden besproken en de door de reclassering geadviseerde voorwaarden zullen in overeenstemming hiermee op een aantal punten worden aangevuld dan wel gewijzigd. Vanwege het recidiverisico en de onbehandelde stoornissen, acht de rechtbank het essentieel dat verdachte niet onbehandeld op vrije voeten komt. Dit zal bij de voorwaarden ook als zodanig worden geformuleerd.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank zal bepalen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. De tbs-maatregel wordt opgelegd voor een feit dat inbreuk maakt op de integriteit van het lichaam van personen. Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte – zonder de juiste behandeling en begeleiding – opnieuw een strafbaar feit zal plegen dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
Gevangenisstraf
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het daarnaast opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van het voorarrest. De rechtbank is van oordeel is dat deze gevangenisstraf de ernst van het bewezen verklaarde, in combinatie met de tbs-maatregel en de gedragsbeïnvloedende maatregel, voldoende tot uitdrukking brengt.
Gedragsbeïnvloedende- en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM)
De rechtbank zal ter bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen ambtshalve de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking opleggen. De psychiater heeft onderbouwd geadviseerd tot oplegging van deze maatregel en de rechtbank is met de psychiater van oordeel dat het belangrijk is dat verdachte na afloop van de tbs-maatregel zo nodig in zijn vrijheid kan worden beperkt dan wel dat zijn gedrag kan worden beïnvloed, bijvoorbeeld door voortdurend reclasseringstoezicht. De ernst van de stoornissen van verdachte als beschreven in de persoonlijkheidsrapportages en de lange weg die verdachte nog dient af te leggen om het recidiverisico duurzaam te verminderen zijn daarbij redengevend.
Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling.
De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De rechtbank zal de gevorderde tenuitvoerlegging evenwel afwijzen gelet op de straf en maatregel die aan verdachte worden opgelegd. Tenuitvoerlegging van de onder voornoemd parketnummer voorwaardelijke straf verhoudt zich niet met de opgelegde gevangenisstraf en tbs-maatregel.
Voorlopige hechtenis.
De gevangenisstraf die de rechtbank oplegt naast de tbs-maatregel brengt mee dat verdachte nog langer dan zestig dagen na de datum van deze uitspraak vast blijft zitten. Het bevel gevangenhouding blijft dan ook van rechtswege van kracht. Indien er tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld, dan is het aan het gerechtshof om eventuele vervolgbeslissingen te nemen over de voorlopige hechtenis. Daarbij kan het hof beslissen of er op enig moment aanleiding is het bevel op te heffen of te schorsen en daarbij de in dit vonnis geformuleerde voorwaarden in aanmerking nemen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
37a, 38, 38a, 38d, 45, 287 Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
-
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
-
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf: poging tot doodslag.
-
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
-
legt op de volgende straf en maatregelen:
? Een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht
? Een terbeschikkingstelling met voorwaarden.
? En stelt als voorwaarden:
?
? - veroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
? * veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
* veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van veroordeelde vast te stellen;
* veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
* veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken;
* veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
* veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.
* veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met betrokkene, als dat van belang is voor het toezicht;
- veroordeelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van het Forensisch Psychiatrisch Centrum;
- veroordeelde laat zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt veroordeelde mee aan de
indicatiestelling en plaatsing;
- veroordeelde gebruikt geen alcohol en drugs en werkt mee aan urineonderzoek/ademonderzoek (blaastest/alcoholmeter om dit verbod te controleren;
- veroordeelde geeft openheid over het aangaan en onderhouden van (partner)relaties en de reclassering toestemming verleent om relevante referenten uit zijn (sociale) netwerk te raadplegen en contact te
onderhouden met personen en instanties die deel uitmaken van zijn (sociale) netwerk;
- Dat veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in Leger des Heils of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend op de klinische opname. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels
en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
- veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
De meervoudige strafkamer beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:
Wijst af de vordering met parketnummer 01-344997-21 van de officier van justitie d.d. 20 januari 2025.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A. van der Hilst, voorzitter,
mr. E.M.J. Raeijmaekers en mr. I.M. Rinzema, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R.H.A. de Poot, griffier,
en is uitgesproken op 15 juni 2026.
Mr. Rampaart is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.